|
Stefaan Calmeyn
Het ziet er naar uit dat het Burundese conflict alle kenmerken vertoont van een langdurig
en hardnekkig conflict. Het zal zonder twijfel een niet aflatende aandacht en inspanning
vergen van alle betrokken en bekommerde partijen om de impasse te doorbreken en een
proces op gang te brengen dat in een verdere toekomst moet leiden tot een duurzame
vrede in Burundi.
Dit artikel kadert in een onderzoek naar enkele noodzakelijke bouwstenen van een
dergelijk proces dat tot een toestand van duurzame vrede kan leiden. Zo'n toestand
wordt bereikt wanneer er een permanente en blijvende geweldloosheid heerst, wanneer
het regime aan de macht geniet van interne (binnen het land zelf) en externe (vanwege
de buitenwereld) legitimiteit en wanneer er allerlei mogelijkheden bestaan om opkomende
conflicten te bespreken en vroegtijdig te ontzenuwen. Om zo'n toestand te kunnen
creëren, moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Het gaat hier over
onderhandelingen, overleg en eventuele vredesovereenkomsten tussen de verschillende
in het conflict betrokken partijen ; een legitieme politieke structuur en meer in
het bijzonder een hoge graad van democratisering ; een rechtvaardige socio-economische
ordening ; een integrerend en positief moreel-politiek klimaat en tenslotte een geruststellende
veiligheidssituatie.
Het is onze bedoeling hier één van die voorwaarden, de graad van de democratisering,
verder uit te diepen. Maar wellicht is het zinvol even stil te staan bij de voorgeschiedenis
van het huidige conflict in Burundi.
Om het even heel kort samen te vatten, kunnen we stellen dat Burundi de laatste vijf
jaar een evolutie heeft doorgemaakt van een veelbelovend democratisch experiment
naar een autoritair militair regime dat gebaseerd is op een staatsgreep, die er gekomen
is in een context van een doorgedreven gepolariseerd en ge-etniseerd conflict dat
de vorm heeft aangenomen van een echte burgeroorlog.
Sinds de definitieve val van de monarchie en het stichten van de republiek in 1966,
is Burundi steeds geregeerd geweest door autoritaire regimes die altijd een beroep
gedaan hebben op het leger als trouwste machtsbasis. Tegelijk, en met dezelfde bedoeling
om de politieke en economische macht te consolideren (dwz in handen te krijgen én
te houden), werd de etniciteit van de Burundezen gebruikt en gemanipuleerd. Zo kwam
het bestuurs- en veiligheidsapparaat meer en meer in handen van één etnische
groep, de Tutsi, die zo'n 14 % van de bevolking uitmaken, terwijl het officiële
discours het bestaan van verschillende etnieën, laat staan de politieke relevantie
daarvan, steeds ontkende. Het overgrote deel van de Tutsi onderging echter hetzelfde
onderdrukkende gecentraliseerde regime als hun landgenoten van de andere etnieën
(Hutu en Twa, respectievelijk goed voor een aandeel van ongeveer 85 % en 1 % van
de bevolking). Het was slechts een kleine kliek die de staatsmacht monopolisserde,
namelijk de traditioneel weinig hooggeachte Hima-clan uit de provincie Bururi. Het
manipuleren en uitvechten van de interetnische strijd mag trouwens niet los worden
gezien van ernstige intra-etnische spanningen. Zo kan de poging tot omverwerping
van het regime in 1972 via een door Hutu georganiseerde opstand, voor een stuk worden
verklaard vanuit het feit dat dat regime zijn greep op de macht wat aan het verliezen
was. Maar langs de andere kant moest de genadeloze en totaal disproportionele onderdrukking
van deze opstand het regime niet alleen behoeden voor deze aanval maar ook op het
intra-etnisch front serieus versterken.
In zekere zin hebben deze constanten van de recente Burundese geschiedenis steeds
ergere vormen aangenomen. Na de absurd geworden dictatuur van de steeds meer drinkende
president Michel Micombero (1966-1976), trad er alles behalve een versoepeling in
onder Jean-Baptiste Bagaza (1976-1987). Pas na de machtsovername door Pierre Buyoya
in 1987 en de opnieuw erg felle repressie door het leger van plaatselijke schermutselingen
tussen Hutu en Tutsi in 1988, begon het tot een aantal machthebbers door te dringen
dat het zo niet verder kon. Daarin werden ze trouwens sterk geholpen door de felle
reactie van de internationale gemeenschap op het geweld van 1988.
Vooral onder impuls van de president zelf, ontstond er een nieuwe en ongeziene openheid
in de politieke en maatschappelijke sfeer. Er werd een nationale commissie opgericht,
belast met het bestuderen van het probleem van de nationale eenheid, er werden een
aantal Hutu benoemd in politieke topfuncties, er werd een nieuwe Grondwet geschreven
die goedgekeurd werd in een volksraadpleging, er kwam meer bewegingsruimte voor een
onafhankelijke pers en er werden zelfs oppositiepartijen toegelaten met het oog op
echte democratische meerpartijenverkiezingen. Natuurlijk bleef dat alles onder sterke
controle van het regime dat de belangrijkste hefbomen tot de macht in handen bleef
houden.
Bij de presidents-en parlementsverkiezingen van juni 1993 kwam echter de grote verrassing.
De pas opgerichte oppositiepartij Front pour la Démocratie au Burundi (FRODEBU)
en haar presidentskandidaat, Melchior Ndadaye, behaalden telkens een ruime zege op
de voormalige eenheidspartij UPRONA (Parti de l'Union et du Progrès National)
en uittredend president Pierre Buyoya. Ondanks het pluri-etnische profiel dat het
FRODEBU zichzelf probeerde aan te meten, de aanvaarding van de uitslag door Buyoya
en de voorzichtige en verzoenende politiek die Ndadaye probeerde te voeren, kwam
deze omwenteling voor een kleine groep oude Tutsi-machthebbers te hard aan. Zij zagen
in deze overwinning van het FRODEBU het definitieve einde van hun rijk gekomen. Ze
interpreteerden de verkiezingen als een uiting van het dictaat van de (Hutu)meerderheid,
waaronder zij en hun belangen niet meer veilig zouden zijn.
Er restte maar één oplossing : met geweld de orde terug omverwerpen. Dat
gebeurde na enkele maanden, in oktober 1993. Elementen uit het leger pleegden een
staatsgreep en vermoordden de president en zijn grondwettelijke opvolgers. De spontane
en later meer georkestreerde reactie van de bevolking verrastte de coupplegers. In
heel het land brak geweld uit en werd de president gewroken op willekeurige Tutsi-slachtoffers.
Daarop reageerde het leger weer met een orgie van geweld. Toen echter ook de internationale
gemeenschap haar afkeuring van de staatsgreep liet blijken, zakte ze in elkaar en
kwam het land in een toestand van totale (institutionele) chaos terecht. En eigenlijk
heeft die toestand jarenlang aangesleept.
De volgende elementen speelden daarin de belangrijkste rol. Allereerst bleef er een
radicale en hardnekkige groep Tutsi die de democratiseringsklok absoluut wilden terugdraaien.
Zij waren de acteurs van wat F. Reyntjens de "voortsluipende staatsgreep"
heeft genoemd 1. De ingrediënten van hun tactiek waren de volgende
: het delegitimeren van de in 1993 aan de macht gekomen Hutu door hen te beschuldigen
van de "genocide" die in oktober en november had plaatsgehad ; terreur
zaaien via allerlei straatacties door jongerenmilities, voornamelijk in de hoofdstad
("journées ville morte", aanslagen) ; het bewust in stand houden van
institutionele wanorde met een glansrol voor het Grondwettelijk Hof ; het etnisch
zuiveren van de steden met de Hutuwijken Kamenge en Kinama in Bujumbura op kop.
Dat alles bleef echter niet zonder reactie. De Hutu, of tenminste toch de elites
die hen zouden moeten vertegenwoordigen, waren zich bewust geworden van hun (democratisch
gelegitimeerde) macht, en waren niet zomaar bereid zich neer te leggen bij de bewuste
vernietiging van de nieuwe orde, zoals die uit de stembus was gekomen. Zij beschikten
natuurlijk niet over de machtsmiddelen om die sluipende staatsgreep van hun radicale
tegenstanders, die onder andere een beroep konden doen op het leger, direct tegen
te werken, en zij waren zelfs niet in staat zichzelf of hun kiezers adequaat te beschermen.
Velen vonden dan ook de dood of moesten hals over kop het land uitvluchten. Toen
het bovendien duidelijk werd dat de toegevingen in de permanente onderhandelingen,
die gevoerd werden om het gebrek aan legitieme orde op te vangen, steeds van dezelfde
kant moesten komen, heeft een deel van de FRODEBU-aanhang zich radicaler opgesteld
en zelfs afgescheurd van de officiële koers. Het verzet is niet louter politiek
gebleven maar heeft zich ook stilaan gewapend georganiseerd.
De staatsgreep van juli 1996, waarbij Pierre Buyoya door het leger opnieuw als president
naar voor werd geschoven, maakte een volledig einde aan het democratisch experiment.
Ook al deed ze niet veel meer dan een bestaande toestand wat duidelijker te maken,
toch lokte ze veel verzet uit van de buurlanden die prompt reageerden met economische
sancties.
Zo zijn we op dit moment beland in een complete politieke en maatschappelijke patstelling
in Burundi. Geweld en onveiligheid (ook voor burgers) maken deel uit van het dagdagelijks
bestaan. Alle partijen vallen ten prooi aan afscheuringen en dissidenties, waarbij
de extremisten een veel te grote invloed en macht genieten. De economie gaat al jarenlang
achteruit en verkeert in de huidige oorlogssituatie in de grootste ademnood. De etnische
polarisering en de manipulatie van etniciteit in functie van politieke en militaire
macht zijn groter dan ooit tevoren. Het wantrouwen onder de Burundezen, de wederzijdse
angst, het wijverbreide cynisme en pessimisme, de enorme stress,... zullen jaren
nodig hebben om omgezet te worden in hoop, vertrouwen, enz.
Na deze korte, maar hopelijk voldoende verhelderende schets van de groei van het
conflict in Burundi, moeten we het eigenlijke onderwerp van dit artikel aansnijden,
namelijk de toestand op het vlak van de politieke democratisering. Het democratische
gehalte van een samenleving en de noden die er op dat vlak nog bestaan, kunnen we
analyseren aan de hand van 10 aspecten die in de literatuur over democratisering
telkens weer opduiken.
Een voor de hand liggende eerste parameter is het al dan niet bestaan van vrije en
eerlijke verkiezingen.
De laatste eerlijk verlopen presidents- en parlementsverkiezingen in Burundi dateren
al van juni 1993. Sindsdien zijn de instabiliteit en de onveiligheid zo rampzalig
geworden dat er van verkiezingen geen sprake meer is. De coup van juli 1996 heeft
trouwens een einde gemaakt aan heel het heersende grondwettelijke staatsbestel. Het
presidentiële decreet van september 1996 voorziet niet in verkiezingen, maar
het akkoord tussen de regering en het Centre National pour la Défense de la
Démocratie van maart 1997 heeft het uitdrukkelijk over het houden van nieuwe
verkiezingen op nationaal niveau. In ieder geval moeten er, na het beëindigen
van het geweld, zo snel mogelijk processen worden ontwikkeld om inspraak van de bevolking
te organiseren. Zoals in Zuid-Afrika, kan het nuttig zijn om tijdens de onderhandelingen
reeds de basis te leggen voor een akkoord over de toekomstige verdeling van macht
en bevoegdheden, en over een minimum maatschappelijk project dat het programma moet
vormen van welk bestuur ook dat aan de macht komt. Het geven van meer inspraak en
bevoegdheden aan een lokaal politiek niveau kan volgens ons ook een erg belangrijk
stabiliserend effect hebben op langere termijn. Het kan een belangrijke stap zijn
naar het voeren van de politieke strijd op een andere dan een etnische basis, en
een gunstig effect hebben op de ontwikkeling van andere (niet-etnische) loyauteiten
zoals die van de clan en de regio.
Een tweede algemeen aanvaard aspect van politieke democratie is de scheiding der
machten, waarmee bedoeld wordt dat de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht
elk hun eigen welomlijnde bevoegdheden hebben en dat wordt gegarandeerd dat ze die
in voldoende autonomie kunnen uitoefenen. Het decreet van september 1996 voorziet
dat het parlement, de wetgevende macht, bestaat uit de in 1993 verkozen leden. Op
het einde van januari 1997 waren 22 leden van dat parlement, op een totaal van 81,
vermoord, terwijl 38 andere leden in het buitenland verbleven 2.
De regering, met andere woorden de uitvoerende macht, wordt dus niet meer gecontroleerd
door het parlement. Ook de rechterlijke macht functioneert niet onafhankelijk van
de uitvoerende, zij is er veeleer een verlengstuk van.
Als Burundi de weg wil opgaan van echte democratisering, zal de autonomie van zowel
de wetgevende als de rechterlijke macht tegenover de uitvoerende macht moeten worden
hersteld. Voor het parlement moet dat gebeuren op basis van een mandaat van de bevolking,
voor de rechterlijke macht op basis van een onafhankelijk statuut en recrutering
en benoeming op grond van deskundigheid.
Een derde vereiste is dat de regering een open en verantwoordelijk beleid voert.
De huidige regering in Burundi is een militaire regering die enkel verantwoording
verschuldigd is aan zichzelf. In het kader van de huidige burgeroorlog en oorlogslogica
3 is helemaal geen ruimte voor onafhankelijkheid van
administratie, gerechtelijke of wetgevende organen. Er is zelfs geen sprake van verantwoording
tegenover deze institutionele tegenmachten, laat staan tegenover de gewone bevolking.
Zij wordt, tegen haar zin, meegesleurd in een oorlog waar ze zelf het grootste slachtoffer
van is. In 1995 en 1996 ging een kwart van de lopende uitgaven naar lonen en andere
uitgaven in de militaire sector 4 en er was
niemand die dit in vraag kon stellen.
Een vierde belangrijk punt is decentralisering, waaronder begrepen wordt dat beslissingen
over allerhande (meer lokale) zaken aan een lager (dan het nationale) niveau worden
overgelaten, met de bedoeling dat de burgers directer bij het beleid en de controle
erop worden betrokken. :
Een ijzersterke greep op de boerenbevolking is één van de belangrijkste
kenmerken geweest van alle Burundese republikeinse regimes 5.
De staat heeft altijd de volledige controle gehad over het lokale niveau. In de huidige
oorlogssituatie zal dat niet zomaar veranderen. Integendeel, het leger moet alles
tot in de verste uithoeken proberen te controleren 6.
Zelfs in het democratiseringsproces dat geleid heeft tot de verkiezingen van 1993
werd er amper gesproken over de vorming van lokale democratische instellingen. In
de grondwet van 1992 stond zelfs geschreven dat lokale verkiezingen niet het terrein
mochten worden van partijenstrijd, maar dat ze gebaseerd moesten worden op het traditionele
beginsel van de ubushingantahe, een traditie die echter volledig gerecupereerd geworden
is door de vroegere eenheidspartij UPRONA, de Parti de l'Union et du Progrès
National, en haar lokale tentakels 7. De belangrijkste
plaatselijke gezagsdrager wordt onveranderlijk aangesteld door de centrale overheid.
Wij geloven dat het echt autonomiseren van lokale gemeenschappen nochtans een zeer
groot conflicttransformerend potentieel inhoudt. Vele spanningen worden immers opgewekt
door manipulaties van met elkaar in concurrentie staande stedelijke elites waar de
boerenbevolking helemaal geen boodschap aan heeft. Mocht zij allerlei beslissingen
lokaal kunnen organiseren, en mocht zij meer inspraak hebben in het gebruik van het
economisch surplus dat zij genereert, dan zou er al een heel deel van de interetnische
spanning verdwijnen.
Het lijkt ons werkelijk primordiaal om wegen uit te denken om een autonomisering
door te voeren op lokaal en midden-niveau (heuvel, gemeente, zelfs provincie). Dat
kan trouwens erg snel en spontaan gebeuren als lokale gemeenschappen gewoon meer
ruimte krijgen om te beslissen over aangelegenheden met een sterk plaatselijk karakter
en om zichzelf, bijvoorbeeld in allerlei coöperaties, te organiseren. Lokale
vormen van overleg, vertegenwoordiging, beraadslaging en besluitvorming moeten worden
gerehabiliteerd. De precieze invulling van deze algemene begrippen moet dringend
het voorwerp uitmaken van het onderhandelingsproces onder de Burundezen.
Het versterken van het lokale bestuursniveau moet ook vermijden dat er gewoon een
machtswissel aan de top wordt georkestreerd, waarbij wel nieuwe mensen aan het hoofd
van het land komen te staan, eventueel zelfs uit oppositionele of alternatieve kringen,
maar waarbij het in se gaat om een nieuwe elite die internationaal beter in de markt
ligt en niet per se meer bekommerd is om de verzuchtingen van de eigen bevolking
8.
Ten vijfde moeten er mechanismen bestaan die zorgen voor een zekere machtsdeling
onder de verschillende elites en vertegenwoordigers van de bevolking.
Op dit moment wordt macht, door alle in het Burundese conflict betrokken partijen,
te veel gezien als een exclusiviteit : ofwel heb je ze volledig, ofwel verlies je
ze volledig (totale win-verliessituatie). Dat is natuurlijk het gevolg van het gepolariseerd
etnisch veiligheidsdilemma 9 en inherent aan een oorlogslogica. Het verkiezingsproces
van 1993 bevatte een aantal elementen die een zekere aanzet moesten bieden tot een
machtsdeling op etnisch niveau 10. Maar
uiteindelijk bleken ze te weinig uitgewerkt en te weinig ondersteund door andere
(vertrouwenwekkende) maatregelen om de wederzijdse angst en dreiging definitief uit
te schakelen.
De grote les die we kunnen trekken uit het geweld van de laatste jaren, is nu net
dat geen van de twee grote etnische gemeenschappen de macht voor zich kan opeisen.
Noch op basis van een militair overwicht en een repressief veiligheidsapparaat, noch
op basis van een numerieke meerderheid. Er moeten dus onvermijdelijk mechanismen
worden uitgewerkt om tot onderhandelingen en afspraken te komen om de politieke macht
te delen en om een toekomstproject op te stellen waar iedereen zich achter kan scharen.
Het voorbeeld van Zuid-Afrika kan hier allicht elementen aanreiken, maar ook institutionele
voorzieningen uit landen als België kunnen misschien inspiratie bieden. Wel
mogen we niet vervallen in allerlei regelingen die te louter institutioneel van aard
zijn om een structurele langdurige oplossing te kunnen creëren. Door het specifieke
karakter van Burundi, dat het trouwens deelt met Rwanda, is dit vraagstuk bijzonder
moeilijk en zijn er niet direct voorbeelden van geslaagde precedenten te vinden in
de rest van de wereld of in de loop van de geschiedenis. Het machtsdelingsproces
dat samenging met de Arusha-onderhandelingen in 1994 voor Rwanda is ook uitgelopen
op een falikante mislukking. Er circuleren ons inziens op dit ogenblik weinig of
geen pasklare en zinvolle voorstellen tot oplossing van dit, nochtans primordiale,
politiek-psychologisch probleem.
Een zesde graadmeter van politieke democratisering is het respect van het regime
voor de mensenrechten.
Het decreet van september 1996 voorziet geen beperkingen op de vrijheden van mening,
beweging, religie, het organiseren van politieke partijen, de toegang tot de rechtspraak.
Openbare demonstraties zijn wel verboden. In de praktijk komt het er echter op neer
dat de klassieke burgerlijke vrijheden niet kunnen worden genoten door het algemeen
heersende klimaat van onveiligheid, angst, fysieke en pschychologische druk, de partijdigheid
van het gerecht enz.
Op het vlak van de sociale en economische rechten is er ook allesbehalve vooruitgang
: in de context van zware oorlogsvoering en harde militaire opties, bijvoorbeeld
het bijeenbrengen van grote concentraties Hutu-boeren in kampen door de regering
11, en door de (macro-)economische ontreddering versterkt
door de sancties van de buurlanden, verliest de bevolking steeds meer de mogelijkheid
om haar velden te bewerken en de eigen overleving te verzekeren. De toegang tot water,
gezondheidszorg en onderwijs wordt echt problematisch. Internationale hulporganisaties
worden met het zware morele dilemma geconfronteerd de bevolking ter hulp te schieten,
ook al steunen ze op die manier impliciet de militaire logica van de strijdende partijen.
Een zevende aspect is het voldoende ruimte bieden aan de uitbouw van een burgerlijke
maatschappij.
Zoals we al vermeld hebben onder decentralisering, heeft de centrale staat altijd
een rigide politieke, economische en culturele controle uitgeoefend over de maatschappij.
Het concept burgerlijke maatschappij is dus (nog) geen zinvol concept om de dynamiek
van de Burundese samenleving te beschrijven. Nochtans was enig ontwaken ervan wel
merkbaar in het democratiseringsproces in het begin van de jaren negentig. Een aantal
NGO's en mensenrechtenorganisaties werden opgericht, maar het ging om een erg kleine
groep. In 1990 waren er, buiten de Kerken, slechts een tiental NGO's actief, waarvan
er slechts één echt uit de burgerlijke maatschappij ontsproten was 12.
Belangrijk was de oprichting van de onafhankelijke mensenrechtenliga Iteka, waarop
echter onmiddellijk een officiële tegenreactie kwam onder de vorm van de "officiële"
liga Sonera en het Centre de promotion des droits de l'homme 13.
Stilaan ontstond er wel ruimte voor politieke partijen en een iets vrijere pers.
De grotere vrijheid van meningsuiting bracht echter ook nieuws voort van mindere
kwaliteit, en we mogen ook de impact van die pers op de rurale bevolking niet overschatten.
In ieder geval is er nu geen ruimte meer voor niet-gouvernementele vormen van organisatie
of actie. Zelfcensuur en repressie zorgen voor een volledige filtering van informatie
en van sociaal handelen. Instellingen zoals vakbonden en universiteiten staan ook
volledig onder controle van de heersende machtscenakels. De universiteit is zelfs
een mono-etnische verzamelplaats geworden van radicale Tutsi-studenten, en is meer
een propaganda- en mobilisatie-instrument dan de bekleder van een maatschappijkritische
(of toch minstens -beschouwende) onafhankelijke rol.
Het is duidelijk dat een belangrijk deel van een democratische dynamiek ligt in het
creëren van vrijheid en autonomie voor burgerlijke actie op allerlei vlak. De
obsessie voor een totale controle van de samenleving moet zo snel mogelijk worden
opgegeven.
Een achtste component van politieke democratie is het bestaan en de erkenning van
de rechtsstaat.
De rechtsstaat en het respect voor de juridische orde zijn nooit erg groot geweest
in Burundi. De grondwet van 1992 bood wel mogelijkheden tot verandering. In het hele
proces van ondermijning van instellingen en normen na de staatsgreep van oktober
1993 zijn het weer pure machtsrelaties en onwettelijke machtsmechanismen (bv. de
druk van straatprotest) die de dienst uitmaken 14.
Straffeloosheid is nog steeds één van de belangrijkste struikelblokken
op weg naar ware verzoening. Bepaalde groepen staan nog steeds boven de wet. De staatsgreep
van juli heeft de verzwakte constitutionele orde volledig omvergeworpen.
In een nieuw democratisch Burundi moet er een nieuw rechtsstelsel worden uitgewerkt
op basis van een brede maatschappelijke consensus. Eens dat er is, moet het ook de
garantie worden gegeven dat het volledig onafhankelijk kan opereren en z'n opdracht
totaal autonoom kan uitvoeren.
Het leger en de politie, die de hoeders zouden moeten zijn van de rechtsstaat, zijn
instrumenten in handen van de Tutsi-minderheid aan de macht. Vooral het leger is
actief betrokken in de politieke machtsuitoefening, en is helemaal geen neutrale
professionele beschermingsmacht onder democratische controle. Het is duidelijk dat
dit leger gedemobiliseerd moet worden en volledig moet worden geherstructureerd en
geïntegreerd met delen van de troepen van de rebellen. Dan kan het een precieze
opdracht krijgen onder burgerlijke democratische controle. Het gebrek aan concrete
en haalbare voorstellen hieromtrent was precies de grote lacune in het democratiseringsproces
van 1993. Op dit ogenblik staat men op dat vlak nog geen stap verder : het leger
heeft nog steeds zo veel macht dat de discussie over zijn hervorming volledig taboe
is.
Een voorlaatste vereiste hangt sterk samen met het open en verantwoordelijk karakter
van het bestuur, namelijk "goed bestuur".
Burundi is één van de Afrikaanse landen waar de administratie altijd behoorlijk
heeft gefunctioneerd, zij het met de bedoeling een politiek te kunnen voeren zonder
veel democratische controle. Corruptie was geen groot probleem, maar de willekeur
en de arrogantie van de administratie tegenover de bevolking zijn nog steeds zeer
sterk. Eén van de elementen dat bepaalde Tutsi-kringen heeft doen vrezen voor
hun positie, was het feit dat de pas verkozen president en zijn regering in 1993
begonnen met het vervangen van hogere functionarissen en met het openstellen van
posten in de administratie voor leden van de oppositiepartij Frodebu (Front pour
la démocratie au Burundi).
Er is op dit moment een totaal gebrek aan enig objectief mechanisme voor recrutering
of promotie in de ambtenarij 15. Bovendien
worden een aantal van haar belangrijke taken, zoals degene die tot de bevoegdheid
van de provinciegoeverneurs en de burgemeesters behoren, op dit ogenblik veelal uitgeoefend
door militairen. Er zijn ook helemaal geen procedures voorzien van openbaarheid van
bestuur, inspraak voor de burgers, verweermogelijkheden enzovoort.
Tot slot moet de politieke participatie van de bevolking verzekerd worden.
Het verbod op politieke partijen dat vlak na de coup van juli geïnstalleerd
was, is opgeheven. Het decreet van september 1996 voorziet geen beperkingen op partijen
en op politieke participatie van bepaalde etnische of religieuze groepen, vrouwen,
jongeren of wat dan ook. Natuurlijk is het huidig klimaat zo gespannen dat partijen
niet kunnen opereren zoals ze dat zouden moeten doen. De grote partijen zitten op
dit moment trouwens in een diepe crisis en het parlement functioneert nog amper.
Andere grote organisaties of bewegingen bestaan niet echt in het Burundese maatschappelijke
gebeuren. Vakbonden, jeugdorganisaties en dergelijke hebben een beperkte stedelijke
basis en kunnen vaak gesitueerd worden in een poging van het regime om bewegingen
met een potentieel politiek karakter preventief te recupereren. Over het algemeen
kunnen we stellen dat, na de verkiezingen van 1993, de (boeren)bevolking zo goed
als uitgesloten is van enige beïnvloeding van het politiek gebeuren ten voordele
van erg kleine hoofdstedelijke elitaire drukkingsgroepen.
In het heersende repressieve klimaat is er ook weinig ruimte voor politieke actie
buiten partijen of verkiezingen om.
Als we al deze informatie samenvatten, zien we onmiddellijk dat het niet zo best
gesteld is met de graad van politieke democratisering in Burundi. Meer nog, er is
duidelijk sprake van een achteruitgang tegenover vijf jaar geleden. Nochtans zijn
we ervan overtuigd dat een samenleving pas een permanente stabiliteit kan verwerven,
als haar politiek functioneren echt democratisch is georganiseerd.
Natuurlijk is dat niet de enige voorwaarde. We moeten dezelfde oefening dus herhalen
voor de socio-economische omgeving, het moreel-politieke klimaat en de veiligheidssituatie.
Pas als we weten welke tekortkomingen er op al die vlakken nog steeds bestaan, kunnen
we, vanuit onze visie op een duurzame vrede, zinvolle voorstellen doen en maatregelen
nemen die dat ideaal beetje bij beetje dichterbij moeten brengen.
Noten
1 De ingrediënten van deze "coup rampant"
worden haarfijn beschreven in zijn rapport "Burundi. Briser le cycle de la violence",
geschreven voor de London Minority Rights Group, 1995.
2 US DEPARTMENT OF STATE, Bureau of Democracy, Human
Rights and Labor, "Burundi Country Report on Human Rights Practicies for 1996."
Washington, 1997.
3 Getuige hiervan een aantal maatregelen die duidelijk
genomen worden vanuit een keuze voor een puur militaire strategie : het bijeenbrengen
van grote groepen van de bevolking in streng gecontroleerde kampen, het invoeren
van een algemene dienstplicht na het secundair onderwijs, het heffen van een algemene
oorlogsbelasting.
4 zie C. ANDRE, "Burundi : évolution macro-économique"
In F. Reyntjens en S. Marysse (dir.), "L'Afrique des Grands Lacs. Annuaire 1996-1997.
Paris, L'Harmattan, 1997.
5 E. VERHAEGEN, "Des racines paysannes à
la violence au Burundi ?" In "Verslagboek symposium "De wortels van
het geweld in de regio van de Grote Meren"." De Groenen in het Europees
Parlement, januari 1995.
6 Vandaar de inschakeling van Tutsi-jongerenmilities
zoals Sojedem (Solidarité des jeunes pour la défense des droits des minorités)
en van pas afgestudeerde scholieren in het leger.
7 Dit beginsel was eigenlijk een oeroude vorm van
lokaal overleg en besluitvorming, waarin de plaatselijke ouderen (wijzen) een doorslaggevende
rol speelden. Zie T. LAELY, "Les destins du Bushingantahe. Transformations d'une
structure locale d'autorité au Burundi" In Genève-Afrique, 1992, n°2,
pp. 75-98.
8 zie voor een algemene beschouwing ivm een dergelijke
evolutie J-P PEEMANS, "Crise de la modernisation et pratiques populaires au
Zaïre et en Afrique." Paris, L'Harmattan, 1996, pp. 44-74.
9 Dit betekent dat de inspanningen die de ene etnische
groep levert om zijn veiligheidspositie te verzekeren of te verbeteren, de veiligheidspositie
van de andere etnische groep bedreigt. Een onderscheid moet nog gemaakt worden tussen
de werkelijke objectieve dreiging en de perceptie ervan bij beide groepen.
10 Zo was voorzien in de Grondwet dat een volgende
gronwetswijziging het akkoord van meer dan 4/5 van de parlementsleden zou moeten
krijgen. Hierbij moet echter onmiddellijk worden opgemerkt dat alle Hutu, over de
partijgrenzen heen, een meerderheid vormden van net iets meer dan die vereiste 80
%. Verder zijn er vooral spontaan maatregelen genomen door president Ndadaye en zijn
regering om de bittere pil van de grote overwinning van het Frodebu bij de parlementsverkiezingen
van 1993 wat te verzachten voor de harde kern van (vroegere) Tutsi-machthebbers (bijvoorbeeld
het vormen van een ruime coalitieregering).
11 Het gaat om een operatie die eind 1996 begonnen
is in de provincie Karuzi maar al snel is uitgebreid tot andere (vnl. Cibitoke, Kayanza,
Bubanza en Muramvya). Schattingen van het totaal aantal inwoners van dergelijke kampen
variëren van 200.000 tot een half miljoen.
12 F. REYNTJENS, "L'Afrique des grands lacs en
crise. Rwanda, Burundi : 1988-1994". Paris, Karthala, 1994, p. 165.
13 ibidem, p. 163-164.
14 F. REYNTJENS, "Breaking the cycle of violence."
London, Minority Rights Group, 1996 (updated version).
15 Een recent onderzoek, "Burundi : un apartheid
qui ne dit pas son nom", uitgevoerd door het Frodebu, het Front pour la démocratie
au Burundi zelf, geeft aan dat slechts 11 % van de kaderfuncties in de centrale administraties
bezet wordt door Hutu, terwijl 93 % tot Tutsi-partijen behoort. In De Standaard,
25 september 1997, p. 8.
Bibliografie
C. ANDRE, "Burundi : évolution macro-économique" In F. Reyntjens
en S. Marysse (dir.), "L'Afrique des Grands Lacs. Annuaire 1996-1997. Paris,
L'Harmattan, 1997.
S. CALMEYN, "De uitzichtloosheid van het Burundese conflict als uitdaging :
nieuwe denkpistes voor een zinvollere interventiecultuur", in voorbereiding
als Cahier van het Centrum voor Vredesonderzoek, KU Leuven, 1998.
T. LAELY, "Les destins du Bushingantahe. Transformations d'une structure locale
d'autorité au Burundi" In Genève-Afrique, 1992, n°2, pp. 75-98.
R. LEMARCHAND, "Burundi. Ethnocide as discourse and practice". Woodrow
Wilson Center Press and Cambridge University Press, 1994.
J-P PEEMANS, "Crise de la modernisation et pratiques populaires au Zaïre
et en Afrique." Paris, L'Harmattan, 1996
F. REYNTJENS, "Breaking the cycle of violence." London, Minority Rights
Group, 1996 (updated version).
F. REYNTJENS, "L'Afrique des grands lacs en crise. Rwanda, Burundi : 1988-1994".
Paris, Karthala, 1994.
E. VERHAEGEN, "Des racines paysannes à la violence au Burundi ?" In
"Verslagboek symposium "De wortels van het geweld in de regio van de Grote
Meren"." De Groenen in het Europees Parlement, januari 1995.
US DEPARTMENT OF STATE, Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, "Burundi
Country Report on Human Rights Practicies for 1996." Washington, 1997.
|