|
David Geerts
Er zijn zoveel nieuwe ontwikkelingen in het domein van de nieuwe media, dat het een
heuse krachttoer wordt om ze allemaal bij te houden. Net nu de cd-rom ingeburgerd
is, is er al een opvolger klaar, de DVD. Internet is een algemeen begrip geworden,
maar ook hier volgt de ene evolutie de andere op. En wat dan te denken van nieuwe
technologieën zoals virtual reality of teleconferencing die voor de meesten
nog toekomstmuziek lijken, maar voor sommigen al dagelijkse kost zijn. Het is dus
af en toe nodig om alles eens op een rijtje te zetten. Wat bestaat er nu allemaal,
en belangrijker nog, wat kunnen we ermee doen ? In dit artikel overlopen we de bestaande
nieuwe media en hun toepassingsgebieden, en staan we vooral stil bij de nieuwste
ontwikkelingen. Belangrijk om te weten is dat al deze nieuwe media- en communicatietechnologieën
deel uitmaken van de informatiesnelweg. Deze (metaforische) snelweg is een combinatie
van middelen (media) om informatie te verzamelen (bv. cd-rom’s), te verwerken (bv.
pc’s) en te versturen (bv. Internet). Iedereen die op de informatiesnelweg kan, heeft
dus toegang tot enorme hoeveelheden informatie en kan zelf ook informatie verspreiden
naar andere gebruikers. Het is echter niet zo dat, als we het hebben over de informatiesnelweg,
we alleen maar spreken over Internet. Dat laatste is weliswaar een belangrijk deel
ervan, maar multimedia, virtual reality of teleconferencing zijn even belangrijk.
Wie van de informatiesnelweg gebruik wil maken, maakt meestal een keuze uit de vele
nieuwe media- en communicatietechnologieën die er deel van uitmaken.
MULTIMEDIA
Het samengaan van computertechnologie en audiovisuele media heeft geleid tot het
ontstaan van multimedia. De term verwijst naar een combinatie van tekst, tekeningen,
foto’s, geluid en bewegende beelden op één toestel, waarbij interactiviteit
mogelijk is. Dat betekent dat een gebruiker niet alleen kan kijken of luisteren naar
de informatie, maar dat hij zelf ook keuzes kan maken of zelf informatie kan toevoegen.
Toepassingen en voordelen
Vooreerst zijn er een aantal specifieke multimediatoepassingen. De multimedia-pc
is het meest duidelijke voorbeeld, maar ook cd-i, cd-rom en recent de DVD zijn typische
voorbeelden van multimedia. De toepassingsgebieden ervan zijn zeer uiteenlopend :
spelletjes, bedrijfspresentaties, opleidingen, … Er is één gemeenschappelijk
kenmerk, en dat is dat voor elk van deze gebieden de voordelen van multimedia belangrijk
zijn. Multimedia is heel aantrekkelijk want ze maken gebruik van beelden, tekeningen
en geluid: dingen die de aandacht beter vasthouden dan enkel tekst. Maar multimedia
zijn ook heel efficiënt : alle informatie, zowel de tekst, het geluid, de beelden,
bevinden zich op één plaats. Men hoeft dus niet naar andere media zoals
video of cassette te gaan zoeken als ondersteuning van een boek. Als laatste, niet
onbelangrijk, voordeel is er de interactiviteit. De gebruiker kan zelf bepalen welke
informatie hij wil lezen, bekijken of beluisteren, en welke hij wil overslaan. Hij
kan m.a.w. zijn eigen weg zoeken in de informatie. Maar multimedia is meer : naast
de specifieke toepassingen wordt ook door andere media gebruik gemaakt van multimedia.
Binnen het Internet maakt het World Wide Web bijvoorbeeld veel gebruik van multimedia
: op vele websites worden immers naast tekst ook tekeningen en video getoond en zijn
er geluidsfragmenten te beluisteren. Ook bij virtual reality of teleconferencing
is er sprake van multimedia, omdat hier gebruik wordt gemaakt van een combinatie
van bewegende (video)beelden en geluid.
De multimedia-pc
De multimedia-pc (MPC) is een personal computer waarop je niet alleen tekst kan lezen
en bewerken (zoals op de allereerste pc’s), maar ook tekeningen, foto’s en bewegende
beelden kan bekijken en geluid beluisteren. Daarvoor moet je computer wel speciaal
uitgerust zijn met de juiste hardware. Niet alleen moet er voldoende geheugen aanwezig
zijn, de pc moet ook snel genoeg zijn. Beeld en geluid slorpen immers enorm veel
geheugen op wat de pc aanzienlijk vertraagt. Vervolgens moet er in de p.c. een geluidskaart
en een videokaart aanwezig zijn, waarvan de toepassingen gebruik maken om de beelden
en het geluid correct door te sturen naar de juiste apparatuur. Die apparatuur is
dan de laatste vereiste voor de multimedia-pc: het scherm moet (kleuren)videobeelden
kunnen vertonen, liefst groot genoeg zijn en er moeten luidsprekers worden aangesloten
op de pc. Wil je nu multimediasoftware kunnen gebruiken, dan is er ook een cd-romspeler
bij nodig omdat de meeste multimediatoepassingen op cd-rom verschijnen. Beeld en
geluid vragen immers om veel geheugen. Gelukkig wordt tegenwoordig zo’n MPC in de
winkels verkocht met alles erop en eraan, zodat je niet meer zelf alles in elkaar
hoeft te steken. Met deze computer kan je dan aan de slag met multimediatoepassingen.
Natuurlijk heb je daarvoor software nodig: dat kunnen spelletjes zijn, encyclopedieën,
educatieve programma’s, … (zoals gezegd, dikwijls op cd-rom). Je kan ook op Internet
op zoek naar videobeelden of geluidsfragmenten om op je computer te bekijken en te
beluisteren. Maar het voordeel van een MPC is dat je ook zelf multimedia kan gaan
maken: er bestaan auteursprogramma’s waarmee je zelf muziek kan maken, foto’s bewerken
of zelfs filmpjes monteren. Dikwijls moet je dan wel extra apparatuur aan je computer
schakelen, zoals een keyboard of een digitale camera, maar voor je MPC is dat geen
enkel probleem.
Cd-rom
In het begin van de jaren tachtig kwam de compact disc op de markt. Al snel bleek
dat naast muziek ook andere media konden worden opgeslagen op een cd, zoals tekst,
tekeningen, foto's en bewegende beelden. In combinatie met de computer werd de cd-rom
(compact disc read only memory) ontwikkeld. De cd-rom werd eerst, en nog steeds,
gebruikt voor het opslaan van grote hoeveelheden tekst zoals woordenboeken, databestanden
en encyclopedieën. Maar toen de MPC werd ontwikkeld werd al gauw duidelijk dat
de cd-rom het beste middel was om beeld en geluid op te slaan. Gewone diskettes hebben
immers veel te weinig geheugen en op een cd-rom kan men enorm veel gegevens opslaan.
De toepassingen die voor de MPC op cd-rom worden gezet zijn spelletjes, encyclopedieën
en educatieve toepassingen. In het algemeen spreekt men meestal over edutainment,
een combinatie van educatie en entertainment. Tegenwoordig worden ook gewone programma’s
op cd-rom gezet, dikwijls met een heleboel tekeningen, foto’s en geluidsfragmenten
erbij. Het voordeel van het cd-formaat is dat de geheugencapaciteit heel groot is:
650 megabyte. Dat zijn ongeveer 400 diskettes, 200.000 pagina's tekst, 4 uur digitaal
geluid of 2000 kleurenbeelden. Naast de grote geheugencapaciteit zijn er voordelen
als het handige formaat, de onverslijtbaarheid en de superieure digitale kwaliteit.
Het nadeel is dan weer dat de gebruiker er zelf geen gegevens kan opzetten. Hiervoor
is er een cd-formaat ontwikkeld dat wel beschrijfbaar is: de cd-recordable (cd-r).
Je hebt hiervoor een speciale cd-writer nodig en een cd-r-schijfje. Tot voor kort
waren zulke apparaten enorm duur (tot 100.000 frank), maar die prijs is zeer recent
gedaald en betaalbaar geworden (20.000 frank). Nadeel van de cd-r is echter weer
dat eens je er gegevens opzet, je ze niet meer kan wissen. Daarom is ook een herbeschrijfbare
cd ontwikkeld, de cd-rewritable (cd-rw). Ook deze toestellen zijn tegenwoordig betaalbaar
geworden.
Digital Versatile Disc
Het allernieuwste cd-formaat is de Digital Versatile Disc (DVD). De DVD werd ontwikkeld
omdat de cd-rom alweer te klein bleek te zijn voor de steeds groter wordende multimedia-toepassingen.
Sinds de cd-rom werd geïntroduceerd, is de geheugencapaciteit van computers
en hun harde schijven immers exponentieel gestegen van 1Mb tot 4000Mb (=4Gb) en meer.
De geheugencapaciteit van een cd-rom bleef echter gelijk op 650 Mb. Wat men op een
computer kon aanmaken kon dus niet meer op een cd-rom. Op de nieuwe DVD, die er hetzelfde
uitziet als een gewone cd, kunnen van 4Gb tot 17 Gb gegevens. Dat werd mogelijk door
de gaatjes in het oppervlak, die de gegevens weergeven, veel smaller te maken dan
die op een gewone cd. Bovendien kan men niet alleen op één kant informatie
zetten, maar ook op beide kanten. Men kan zelfs twee lagen informatie over elkaar
zetten op één kant. Men heeft uiteraard een DVD-speler nodig om de schijfjes
te kunnen lezen. Dit apparaat kan nog wel steeds cd-rom’s lezen. De DVD is daarom
de ideale vervanger van cd-rom. De voordelen van de DVD zijn nog beter dan die van
de cd-rom. Naast de immense geheugencapaciteit is de kwaliteit van beeld en geluid
nog veel beter en kan men nog interactiever gaan werken, omdat er meer mogelijkheden
op één schijfje kunnen gezet worden. Er zullen verschillende versies van
de DVD op de markt gebracht worden. De DVD-video zal gebruikt worden voor films met
een heel goede beeldkwaliteit, ondertiteld in meerdere talen waaruit men kan kiezen.
Hiervoor wordt een DVD-video-speler aangesloten op de televisie. De DVD-rom is de
vervanger van de cd-rom, en werkt enkel met een computer. En hoewel het helemaal
niet eenvoudig is, wordt er reeds gewerkt aan een beschrijfbare versie (DVD-r) en
een herbeschrijfbare versie (DVD-ram of DVD-rw).
Photo CD en cd-i
Terwijl de cd-rom eigenlijk wordt bestuurd door een pc, en zonder deze pc dus onbruikbaar
is, zijn er ook multimediatoepassingen op cd met een eigen speler, aan te sluiten
op een gewoon tv-toestel, net als de DVD-video. Er is bijvoorbeeld de Photo CD, af
te spelen op een Photo CD-speler. Op dit schijfje worden foto's digitaal opgeslagen
en kunnen ze via de speler op het tv-scherm worden bekeken. Bovendien is er een beperkte
interactiviteit: men kan inzoomen, foto's draaien, en een kleine presentatie programmeren,
soms zelfs met begeleidende muziek. Naast deze gebruiksvriendelijkheid is het voordeel
van de Photo CD dat de foto’s tevens met een cd-rom-speler of een cd-i-speler kunnen
worden bekeken. De cd-i is een tweede zelfstandige toepassing van multimedia. Vergelijkbaar
met de cd-rom bevat een cd-i ook tekst, tekeningen, geluid en bewegende beelden,
maar hij wordt via een eigen cd-i-speler op het tv-toestel aangesloten en bestuurd
met een afstandsbediening. Dat heeft als gevolg dat er minder tekst per scherm kan
worden getoond, omdat men bij een televisie verder van het scherm zit dan bij een
pc en men dikwijls ook met meerdere personen kijkt. Omdat een televisie dan weer
veel beter met beelden overweg kan dan een computer, bevat een cd-i meer videobeelden.
De toepassingen zijn ook vergelijkbaar met een cd-rom: interactieve encyclopedieën
met beeld en geluid, leerprogramma's voor zelfstudie en spelletjes. Omdat er geen
ervaring met een computer vereist is, is de cd-i wel veel gemakkelijker te gebruiken.
In het algemeen hebben deze toepassingen weliswaar veel minder succes maar binnen
bedrijven heeft cd-i dan weer wel succes, ter vervanging van bedrijfspresentaties
op video. Cd-i biedt voordelen t.o.v. video zoals een betere beeldkwaliteit en interactiviteit:
een presentatie kan in meerdere talen worden ingesproken en bovendien kan de presentator
het programma eenvoudig aanpassen aan de wensen van het publiek. Een cd-i kan niet
op een cd-rom-speler worden afgespeeld en omgekeerd. Wel kan men gewone muziek-cd’s
en Photo CD’s afspelen op zowel een cd-i-speler als een cd-rom-speler. De komst van
de DVD zal langzaamaan zowel de cd-i als de cd-rom doen verdwijnen. Daardoor zal
er nog slechts één formaat overblijven.
Digitale fotografie
Met het succes van de multimedia-pc zijn er steeds meer mogelijkheden gekomen om
apparaten aan de computer te koppelen en zelf multimedia te maken. Wat het meest
tot de verbeelding spreekt, is het bewerken van foto’s. Er zijn verschillende mogelijkheden
om je foto in de computer te zetten en vervolgens te bewerken: je kan bij de fotograaf
foto’s op Photo CD laten zetten of je kan via een scanner foto’s inscannen. Een derde
mogelijkheid vertrekt niet van een gewone foto, maar van een digitale fotocamera.
Hiermee kan je een foto maken en rechtstreeks naar je computer verplaatsen, zonder
dat die foto eerst ontwikkeld moet worden. Vervolgens kan je dan allerlei bewerkingen
gaan uitvoeren op de foto met fotobewerkingsprogramma’s: de scherpte aanpassen, kleuren
veranderen, voorwerpen uitknippen en vervangen door andere voorwerpen, je kan het
zo gek niet bedenken. Vervolgens kan je dan de mogelijkheden van je multimedia-pc
gebruiken om met deze foto’s prentkaarten te maken, een eigen krantje of een website
die op Internet kan worden gezet. Uiteraard houdt het niet op met foto’s alleen.
Indien je beschikt over een videorecorder of videocamera, dan kan je ook videobeelden
in je computer zetten en bewerken. Heb je een keyboard, dan kan je dat aansluiten
op je computer om een eigen soundtrack te maken. Zo kan je je multimedia-pc uitbreiden
tot een heuse multimedia-studio.
INTERNET
Als je met een pc programma's gebruikt of cd-rom’s raadpleegt, dan spreekt men van
een off line toepassing. Als je echter verbonden bent met een computernetwerk zoals
Internet dan ben je on line aan het werken op je pc. Je maakt immers gebruik van
je telefoonlijn om via je computer gegevens op te vragen of door te sturen. Internet,
een on line toepassing dus, is de laatste jaren enorm populair geworden. Via dit
wereldwijde computernetwerk kan je gegevens van over heel de wereld raadplegen, of
zelf gegevens doorsturen over heel de wereld met een gewone computer en een modem.
In totaal zijn er miljoenen mensen op aangesloten.
Geschiedenis
Aan het einde van de jaren zestig ontwikkelde het Amerikaanse leger het ARPANET,
een netwerk van met elkaar verbonden computers die gegevens konden doorsturen naar
elkaar. Het netwerk was zo gemaakt dat, als één computer door een bom zou
worden uitgeschakeld, de andere computers met elkaar in verbinding bleven, en zo
gegevens over de vijand konden blijven uitwisselen. Begin jaren tachtig werd dit
netwerk, ondertussen omgedoopt tot NSFNET, uitgebreid naar computers van wetenschappelijke
instellingen zoals universiteiten, eerst binnen Amerika, vervolgens ook in Europa
en de rest van de wereld. Onderzoeken en rapporten konden zo tussen verschillende
universiteiten worden uitgewisseld. Begin jaren negentig werd dit wereldwijd netwerk,
nu Internet genoemd, eveneens toegankelijk gemaakt voor privé-personen en bedrijven.
Het grootste probleem bij het verbinden van verschillende computers is dat ze niet
dezelfde signalen doorsturen. Daarom werd internationaal een protocol ontwikkeld,
een geheel van afspraken, zodat alle soorten computers mekaar kunnen verstaan en
gegevens kunnen doorsturen naar elkaar.
Aansluiting op Internet
Er zijn tegenwoordig verschillende mogelijkheden om je computer op Internet aan te
sluiten. De meest gebruikte werkt via een computer en een modem die is aangesloten
op een telefoonlijn. De modem dient om de digitale signalen van je computer (gegevens
weergegeven met 0 en 1) om te zetten naar de analoge signalen van een telefoonlijn
(golven). Je moet een abonnement nemen bij een provider, die je dan een telefoonnummer
en een paswoord geeft. Met je computer en je modem bel je dan naar de modem van je
provider, die verbonden is met een server, een krachtige computer. Via deze server
kan dan Internet worden geraadpleegd. Belangrijk is dat dit telefoonnummer binnen
je eigen of naburige telefoonzone ligt en dat je in de daluren belt, op die manier
worden de telefoonkosten zo laag mogelijk gehouden. Vermits er echter enorm veel
gegevens worden doorgestuurd via Internet, en gewone telefoonlijnen een beperkte
capaciteit hebben, ontstaan er al snel vertragingen. Het binnenhalen of versturen
van informatie kan dan lang duren. Een snellere manier om op Internet te gaan, is
via een ISDN-modem. Ook via die modem moet je bellen naar een provider, maar hierbij
moet je een speciaal (en duurder) ISDN abonnement hebben, en een ISDN-lijn (een digitale
telefoonlijn) bij Belgacom. Het voordeel van ISDN is niet alleen dat het veel sneller
gaat, maar ook dat je over twee telefoonlijnen beschikt zodat iemand anders nog steeds
kan telefoneren terwijl je op Internet iets aan het opzoeken bent. De allersnelste
manier om op Internet te gaan is via een kabelmodem. Hierbij moet je niet meer telefoneren
naar een provider, maar neem je gewoon een kabelabonnement bij een provider. Niet
alleen blijft je telefoonlijn daardoor vrij, je hebt ook helemaal geen telefoonkosten
meer. Hoe veel je ook van het Internet gebruik maakt, je betaalt steeds enkel je
abonnement. En hoewel je met het Internet verbonden bent via dezelfde kabel als die
waarlangs je televisiebeelden binnenkomen, heeft dat geen invloed op mekaar: je huisgenoten
kunnen rustig verder televisie kijken terwijl jij op Internet surft. Internet via
de kabel is nog niet overal beschikbaar, maar tegen 2002 zou heel Vlaanderen op deze
manier op Internet moeten kunnen. Het is ook mogelijk om via een cd-i-speler en een
aangepaste modem op Internet te gaan, maar door het geringe succes van cd-i bij thuisgebruikers
is dat geen veelgebruikte mogelijkheid. Daar surf je op het Internet met je televisie,
maar wel via de gewone telefoonlijn. Het nadeel van Internet op een televisie is
dat de toepassingen van Internet waar met tekst wordt gewerkt minder toegankelijk
zijn. Je kan immers moeilijker tekst intikken dan op een computer. Hetzelfde probleem
doet zich voor bij de nieuwe Web-tv’s die worden ontwikkeld. Dit zijn toestellen
die ingebouwd zijn in een televisie waarbij je met een aangepaste afstandsbediening
de Internettoepassingen kan besturen. Het succes ervan valt echter nog af te wachten.
Deze mogelijkheden zijn eigenlijk maar interessant als je enkel het World Wide Web
wilt bekijken.
Het World Wide Web
Het World Wide Web (WWW) is één van de populairste toepassingen van het
Internet. Het is hier dat zich de vele homepages en websites bevinden. Een website
is een verzameling van verschillende pagina’s die met elkaar verbonden zijn via hyperlinks.
Deze kun je aanklikken en dan word je automatisch naar een andere pagina gebracht.
Al die pagina’s staan op krachtige computers, webservers, die verspreid staan over
heel de wereld. Wil je één van die pagina’s bezoeken, dan moet je het adres
van die computer intikken in de browser, het bladerprogramma waarmee je de pagina’s
kan bekijken (‘surfen’). Het adres van het Mediacentrum bijvoorbeeld is http://www.kuleuven.ac.be/mediacentrum/.
De meeste websites zijn een combinatie van tekst, tekeningen, foto’s, geluidsfragmenten,
beeldfragmenten, enz. Het WWW is dan ook het multimedia-gedeelte van Internet. De
meeste nieuwe evoluties van Internet gebeuren ook binnen het WWW. Wat kan je nu vinden
op al deze pagina’s? Wel, zo goed als alles. Onderandere informatie over universiteiten,
bedrijven, en overheidsinstellingen (bijvoorbeeld de Belgische regering, maar ook
buitenlandse regeringen en zelfs de CIA en de FBI). Er zijn echter ook een heleboel
pagina’s van gewone personen, want wie een aansluiting heeft op Internet krijgt ook
een plaatsje op het WWW. Deze mensen kunnen alles op het web zetten: van hun collectie
munten tot een hele filmbibliotheek of originele recepten. Ook de meeste verenigingen
hebben ondertussen een website. Dat betekent dat er voor alles waar een vereniging
van bestaat ook wel een website is: skaters, ouderen, computerfanaten, koks, natuurvrienden,
enz. Er is dus letterlijk "voor elk wat wils"!
Electronic mail
Eén van de eerste toepassingen, die nog steeds heel veel gebruikt wordt, is
electronic mail of e-mail. Als je een aansluiting hebt op Internet krijg je ook een
e-mailadres. Daarmee kan je dan berichten ontvangen van en berichten sturen naar
iedereen die op Internet is aangesloten. Dat kan met een e-mailprogramma. Als iemand
een e-mail naar jou stuurt wordt dit via verschillende computers en mailservers doorgestuurd
en tenslotte bijgehouden op de mailserver van je provider. Zodra je een verbinding
legt met Internet kan je met een paswoord op die mailserver gaan kijken of er voor
jou berichten zijn toegekomen. Zo hoef je niet thuis te zijn om een berichtje te
kunnen ontvangen, de mailserver van je provider staat immers dag en nacht aan. Naast
eenvoudige berichtjes kunnen ook bestanden en documenten via e-mail worden doorgestuurd.
Zo kan dus iedereen met een internetaansluiting heel eenvoudig gegevens uitwisselen
met iemand anders op Internet. Een e-mailadres heeft altijd dezelfde structuur. Eerst
komt de naam van de persoon. Dat kan enkel zijn voornaam of familienaam zijn, een
combinatie van de twee of enkel initialen, maar het kan ook een fictieve naam zijn.
Vervolgens komt in het e-mailadres een apenstaartje (@). Na dat apenstaartje staat
de naam van de provider van die persoon, gevolgd door het land waar die provider
zich bevindt. Een voorbeeld daarvan is ‘davidg@provider.be’, maar het kan evengoed
‘david.geerts@kuleuven.ac.be’ zijn, waarbij de universiteit van Leuven dan de provider
is.
Internet Relay Chat
De gemakkelijkste manier om iemand te leren kennen via Internet is via babbelkanalen,
Internet Relay Chat (IRC) genaamd. Met een IRC-programma kan je duizenden kanalen
bezoeken. Zo’n kanaal is te vergelijken met een praatcafé, waar je meestal wel
een aantal mensen vindt om een praatje mee te beginnen: je typt een zinnetje in en
iedereen die op dat moment mee in het kanaal zit, kan lezen wat je te zeggen hebt.
Het verschil met een praatcafé is dat je in meerdere kanalen tegelijk kan ‘chatten’.
Bovendien doet het er niet toe waar je gesprekspartners zich bevinden. De communicatie
verloopt immers via IRC-servers die zich over heel de wereld kunnen bevinden. Een
praatje slaan met onze tegenvoeters in Australië, en een politieke discussie
aanknopen met een Rus, is dus even gemakkelijk als een Vlaming tegenkomen op het
Net. Je kan zelfs een eigen kanaal openen op IRC. Uiteraard moet je dan wel bezoekers
hebben. Een afspraak maken met enkele vrienden om tegelijkertijd jouw kanaal te bezoeken
kan bijvoorbeeld een stimulans zijn voor onbekenden om ook eens een kijkje te komen
nemen.
Usenet
Een andere manier om te communiceren met gebruikers van Internet is via Usenet. Dat
is een netwerk van nieuwsgroepen. Je kan het vergelijken met thematische discussiegroepen
waarbij je een vraag op een briefje schrijft en dat aan een publiek prikbord hangt.
Iedereen die dat prikbord bekijkt kan je vraag lezen en beantwoorden. Het schrijven,
versturen en lezen van die berichtjes doe je via een usenetprogramma. Als je je berichtje
verstuurt, gaat dat programma het op een nieuwsserver zetten, waardoor mensen uit
de hele wereld je vraag kunnen lezen. Wil je zelf boodschappen van anderen lezen,
dan open je een nieuwsgroep met je programma, en dan krijg je alle berichtjes van
de laatste dagen te zien. Een voorbeeld van een naam van een nieuwsgroep is "alt.tv.simpsons"
of "rec.humor". Aan de naam van de nieuwsgroep zie je dus het onderwerp
van de discussies. Zowat elk onderwerp komt aan bod, van fans van bepaalde acteurs
tot gespecialiseerde computernieuwsgroepen.
File Transfer Protocol
Op Internet vind je niet alleen duizenden pagina’s met informatie, je kan ook programma’s
vinden die je naar je eigen computer kan kopiëren met behulp van het File Transfer
Protocol (FTP). Naast webservers, mailservers, irc-servers en nieuwsservers staan
er immers ook FTP-servers verspreid over heel de wereld. Daarop staan vele programma’s
en bestanden die je kan downloaden (kopiëren naar je eigen computer). Een aantal
van deze programma’s kan je gratis gebruiken, dan spreekt men van freeware. Een groot
deel kan je echter maar voor een aantal dagen gratis gebruiken (om te evalueren),
en moet je daarna laten registreren en dus betalen. In dat geval spreekt men van
shareware. Sommige programma’s die je downloadt moet je sowieso betalen. In plaats
van naar de winkel te gaan, kan je deze software dus op Internet kopen en dowloaden.
Via FTP kan je niet alleen bestanden kopiëren van een server naar jouw computer,
maar ook omgekeerd. Als je bijvoorbeeld een website hebt gemaakt, dan mag je die
op de webserver van je provider zetten. Dat doe je door de verschillende pagina’s
te uploaden naar deze webserver. Vervolgens kan heel de wereld jouw pagina’s bezoeken.
Evoluties op Internet
Het Internet staat natuurlijk niet stil. Niet alleen komen er dagelijks nieuwe gebruikers
bij, de toepassingen worden ook steeds uitgebreider. Het is vooral op en rond het
WWW dat de meeste nieuwe evoluties plaatsvinden. Eén van die evoluties is de
komst van pushtechnologie. In plaats van de gebruiker te laten zoeken op het WWW
(soms urenlang), stuurt de server zelf op maat gesneden informatie naar de gebruiker
toe. Je hebt een webcast-programma nodig waarin je invult welke soort informatie
je wilt ontvangen. Dat kan nieuws zijn, muziekbesprekingen, horoscopen, weersvoorspellingen,
enz. Vervolgens druk je op een knop, waarna het programma zelf de juiste server contacteert
en enkel die informatie over de onderwerpen die jij gekozen hebt op je computer zet.
Even later kan je eenvoudig en snel de informatie opvragen. Dat bespaart je de tijd
die je anders nodig hebt om al die websites afzonderlijk te gaan bezoeken. Een andere
evolutie op het WWW is elektronische handel. Meer en meer winkels hebben websites
waar je producten of diensten kan kopen. Naast de computerprogramma’s die je via
FTP kan downloaden, gaat het ook om gewone producten zoals cd’s, boeken, bloemen,
computers, … Je moet dan op de website van die winkel een formulier invullen waar
je behalve je adresgegevens ook nog het nummer van je kredietkaart (als je die hebt)
moet opgeven. Het product wordt je dan opgestuurd en het geld wordt van je rekening
gehaald. Een andere, iets veiligere, manier van betalen is de protonkaart. Die kaart,
waarmee je in vele winkels kleine uitgaven mee kan doen, wordt via een protonkastje
aangesloten op je computer. Bij een aankoop wordt het geld dan van je kaart gehaald.
Die manier van betalen via Internet is nog volop in ontwikkeling. Het zal dus nog
een tijdje duren voor ze wordt toegepast en websites deze mogelijkheid voorzien.
NIEUWE TECHNOLOGIEËN
1. Virtual Reality
Het laatste nieuwe snufje binnen de nieuwe media- en communicatietechnologieën
is virtual reality (VR). Hoewel de technologie nog in zijn kinderschoenen staat,
komen er al meer en meer praktische toepassingen. En zoals met elke nieuwe technologie
zijn het ook hier de spelletjes die het eerst het meest succesvol zijn. Over Virtual
Reality doen de wildste verhalen de ronde. Zo spectaculair als de media het voorstellen
is het echter allemaal niet, maar de mogelijkheden zijn wel zeer groot.
De technologie
Virtual reality is een door de computer gecreëerde driedimensionele omgeving.
In deze kunstmatige wereld kan de gebruiker rondwandelen, dingen vastgrijpen en verplaatsen.
Om de indruk te krijgen echt deel uit te maken van deze computeromgeving werden speciale
toestellen ontwikkeld. Allereerst moet je op je computer een HMD aangesloten, de
virtual reality helm. Omdat je voor elk oog een schermpje hebt, krijg je een driedimensioneel
beeld te zien. Als je je hoofd beweegt, beweegt het beeld mee, waardoor je rond kan
kijken in de virtuele, dus niet echt bestaande wereld. Daardoor verhoogt het gevoel
dat je je midden in die wereld bevindt. Aan de helm bevinden zich ook luidsprekers
die alle geluiden uit de juiste richting doen komen. Om dingen vast te kunnen nemen
in die computeromgeving is een speciaal toestel ontwikkeld. Hoewel je ook gebruik
kan maken van een joystick of gelijkaardig toestel, werd voor Virtual Reality een
dataglove ontwikkeld: een handschoen waarmee alle bewegingen van je hand in de computerwereld
te zien zijn. Met deze dataglove kan je virtuele deuren openen, dingen opnemen en
terug neerzetten, maar ook voortbewegen. Bovendien voel je alle dingen die je vastneemt
met deze dataglove. Naast deze basistoestellen bestaan nog veel meer toestellen:
een loopband, een stemherkenner en een bodysuit waarmee de bewegingen van het hele
lichaam worden verwerkt in de computerwereld. Deze toestellen worden meestal gebruikt
voor specifieke toepassingen van VR. Het is echter ook mogelijk om Virtual Reality
op een scherm te bekijken, zonder de HMD, een dataglove of andere toestellen. In
dat geval spreekt men van desktop VR. Uiteraard is dan het gevoel deel uit te maken
van een computerwereld veel minder sterk.
Toepassingen
De (nu nog beperkte) toepassingen van Virtual Reality zijn enorm verscheiden. Voor
ontspanning zijn er bijvoorbeeld spelletjes, maar virtuele films behoren ook tot
de mogelijkheden. Naast die consumentgerichte toepassingen zijn er meerdere professionele
toepassingen. Chirurgen kunnen een moeilijke operatie voorbereiden op een virtuele
patiënt, psychologen kunnen reacties van proefpersonen testen op verschillende
situaties (medische toepassingen); men kan door een huis wandelen om een ontwerp
te testen voordat het gebouwd wordt (architectuur); studenten kunnen ingewikkelde
cursussen zoals chemie of vliegtuigbouw op een visuele en interactieve manier leren
(opleiding). Verder kunnen prototypes van auto's of vliegtuigen worden getest, of
kan een levendige reclamebrochure worden gemaakt waarbij de klant bijvoorbeeld een
korte virtuele reis kan maken.
Televirtualiteit
Net zoals men een gewone computer kan verbinden met een netwerk (van off line naar
on line) kan men ook computers met Virtual Reality verbinden met een netwerk. Deze
televirtualiteit (VR op afstand) kan vergeleken worden met een driedimensioneel Internet,
waarbij men in virtuele winkels kan rondwandelen, met z'n vieren DOOM spelen, vergaderen
in éénzelfde virtuele ruimte met mensen die in het buitenland zijn, enz.
2. Teleconferencing
Met de internationalisering van de bedrijfswereld en de educatieve wereld wordt veel
tijd en geld besteed aan reizen. Grote multinationals en internationaal gerichte
bedrijven moeten wekelijks vergaderen in het buitenland. Bekende professoren worden
gevraagd om te spreken op congressen en universiteiten in verschillende landen. Af
en toe een reisje maken zal niemand afslaan, maar wekelijkse reisjes zijn een te
grote kost voor de meeste instellingen. Door middel van teleconferencing, vergaderen
op afstand, kunnen bedrijfsleiders in hun eigen bedrijf blijven en toch vergaderen
met collega's uit het buitenland. Professoren kunnen een les geven die tegelijkertijd
aan verschillende universiteiten in heel de wereld gevolgd wordt. Het enige wat ze
nodig hebben, is een teleconferencingsysteem aan beide kanten.
Videoconferencing
Als twee mensen of groepen willen televergaderen, dan zetten ze zich elk in een speciaal
daarvoor uitgeruste kamer. Deze kamer is een soort studio waarin zich enkele camera's
en een groot scherm bevinden. De apparaten in deze studio zijn verbonden met de apparaten
in de studio van de andere deelnemers aan de vergadering door middel van een zender
en antenne, een kabel of een satellietverbinding. Dat systeem van teleconferencing
wordt videoconferencing genoemd omdat gebruik wordt gemaakt van een videoscherm.
Als de verbinding en dus ook de vergadering wordt gestart, kunnen de deelnemers elkaar
zien op het grote scherm, en elkaar horen via bijhorende luidsprekers. Hoe de deelnemers
elkaar zien hangt af van de opstelling van de camera's. Als er één enkele
camera is, ziet men meestal de hele kamer, als er een camera per persoon is, kan
het scherm telkens de persoon tonen die aan het woord is. Vermits de verzending van
de beelden en het geluid meestal digitaal is, is de kwaliteit heel goed. Reeds genoemde
toepassingen hiervan zijn bedrijfsvergaderingen, of studenten die bijvoorbeeld op
afstand les volgen aan een buitenlandse universiteit.
Desktop videoconferencing
Als je niet per groep maar individueel aan teleconferencing wil doen, kan je ook
een pc gebruiken. Die moet daar dan speciaal voor uitgerust zijn: een grafische kaart
om de beelden op het scherm te krijgen, een camera die op het scherm wordt geplaatst
om de deelnemer te filmen, een microfoon en luidsprekers om het geluid op te nemen
en af te spelen en speciale programma's om het geheel te sturen. Die toepassing noemt
men desktop videoconferencing. De deelnemers die tegelijkertijd vergaderen, zien
elkaar in kleur op het scherm, en kunnen zelfs op een apart deel van het scherm,
in een venster, informatie uitwisselen (tekeningen, foto's, teksten, ...). De verbinding
moet wel gebeuren via ISDN, een digitale telefoonlijn, omdat de beelden voldoende
snel moeten worden doorgestuurd en zo niet schokkerig over komen.
http://www.kuleuven.ac.be/mediacentrum
|