Privacy : What's in a word?
De bescherming van de ruimtelijke en informationele levenssfeer in commerciële relaties.

Click hier om de tekst als rft te downloaden

Michel Walrave


Situering van de problematiek

Een groeiend aantal organisaties uit zowel de profit als de non-profit sector communiceren met hun doelpublieken langs directe en interactieve media. Daarbij worden soms persoonsgegevens verzameld en verwerkt om een beter inzicht te krijgen in kenmerken en (koop)gewoonten van het doelpubliek. Verscheidene tendensen liggen aan de basis van het intensieve gebruik van directe communicatiemedia en databasetechnieken. In de profit sector, bijvoorbeeld, hebben ontwikkelingen als individualisering, een geringer onderscheid tussen producten, merkverwarring en een overload aan massamediale reclame ertoe geleid dat klanten minder trouw worden aan fabrikanten of distributeurs
1. Daarom probeert de bedrijfswereld niet alleen om zijn producten- en dienstenaanbod te individualiseren, maar ook hun communicatiepogingen te personaliseren. Die tendens kunnen we omschrijven als een evolutie naar het steeds meer inzetten van directe en interactieve media (eventueel in combinatie met massamedia) voor commerciële communicatie tussen bedrijven en consumenten. Het kan gaan om verkoopsbrieven (direct mailing) en telemarketing, maar ook om 'nieuwe' interactieve media zoals CD-I en CD-rom, Internet en interactieve teletekst of interactieve televisie. Daarbij komt dat bedrijven en organisaties door middel van directe communicatie en databasetechnieken de gewonnen klanten of leden proberen te behouden. Door fideliseringstechnieken, promoties en elektronische klantenkaarten ('smartcards'), wil men de trouw van de klanten stimuleren. Die technieken worden bovendien voor consumentenonderzoek ingezet. Door het snel en accuraat verzamelen en verwerken van persoonsgegevens komt men tot steeds gedetailleerdere consumenten- of ledenprofielen en consumptiehistorieken die noodzakelijk zijn om de volgende communicatiepogingen preciezer te richten naar de juiste doelgroepen.


Uit de voorgaande situatieschets volgt dat de commerciële toepassingen van directe en interactieve media voor het individu en de samenleving belangrijke implicaties hebben. De bovengenoemde evolutie heeft eveneens gevolgen voor het communicatiedenken en de reclamepraktijk en daarnaast voor de overlevingskansen van kleine en middelgrote ondernemingen en verenigingen die zich die technieken financieel niet kunnen veroorloven of de knowhow (nog) niet beschikken. Niet het minst roept deze ontwikkeling echter vragen op omtrent de consequenties ervan voor de privacy van de consument. In verscheidene Amerikaanse en Europese wetenschappelijke onderzoeken werd al verwezen naar respondenten die direct marketeers verwijten "inbreuk op hun privacy" te plegen. Direct marketing-acties kunnen in welbepaalde gevallen als dusdanig aangevoeld worden omdat, hoe scherper de direct marketeer wil segmenteren, hoe meer informatie hij over individuele consumenten nodig heeft. Sommige persoonsgegevens kunnen daarbij bijzonder gevoelig liggen bij bepaalde mensen. Bovendien worden steeds meer directe media (mailing, telefoon, email) gebruikt tijdens de verzameling en het gebruik van persoonsgegevens. Dat communicatieproces, dat soms ongevraagd is, wordt door bepaalde respondenten ook als een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer ervaren.


Op het moment dat een marketeer persoonlijke informatie verzamelt, verwerkt en gaat gebruiken treedt hij in het mistige domein van de persoonlijke levenssfeer. De privacy als concept is namelijk moeilijk te omvatten omdat ieder individu het anders beleeft. Voor sommigen is het een heel eng begrip, voor anderen echter heel breed. Dat bepaalt dan ook of individuen een benadering als een inbreuk of geen inbreuk op hun individuele privéleven aanvoelen. Het is dan ook uitermate moeilijk om dit concept in een juridische vorm te gieten. Herhaaldelijk werd dan ook in de rechtsleer gepoogd om het begrip te omschrijven. De bezorgdheid omtrent de 'persoonlijke levenssfeer' is in een stroomversnelling gekomen met de toename van de mogelijkheden van computers voor gegevensverwerking. De elektronica en telematica hebben het wrijvingsveld tussen privacy en persoonsregistratie blootgelegd, waardoor de nood aan reglementering duidelijk werd. Door de snelle verspreiding van computers in alle sectoren van onze maatschappij en de toename van verbindingen tussen computers, zijn duizelingwekkende mogelijkheden ontstaan. De verleiding om die technieken maximaal te benutten voor de verwerking en koppeling van persoonsgegevens is bijzonder groot. Want, vanaf (of reeds voor) de geboorte tot het overlijden kan door koppeling van gegevens uit diverse databanken een gedetailleerd profiel geschetst worden van een persoon op een bepaald moment of van zijn levensloop
2. Dat is echter geen reden om verwerking van persoonsgegevens zomaar te verbieden. Men kan het een fietsenverhuurder niet kwalijk nemen dat hij je adres en paspoortnummer noteert, anders zou hij wellicht weinig fietsen terugzien. Ook het kopen van een wagen of het aangaan van een verzekering vraagt enkele persoonsgegevens. Vandaag teren bepaalde bedrijven op persoonsgegevens die ze zelf direct voor commerciële doeleinden gebruiken of ten dienste stellen van andere bedrijven. Lokale en nationale besturen, ziekenhuizen, rechtbanken en dergelijke functioneren ook grotendeels op basis van persoonsgegevens. Het is duidelijk dat bepaalde van die organisaties omgaan met bijzonder delicate gegevens, die een respectvol beheer verdienen. Anderzijds lijken naam en adres soms triviale gegevens, maar ze kunnen ook in delicate registers terecht komen. Dat zij opgemerkt om het gladde pad naar de privacybescherming even in beeld te brengen.


Het recht op een eerbiediging van zijn privé-leven.

De Belgische wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens definieert het begrip 'persoonlijke levenssfeer' niet (Baeteman, 1993 : 8). Ook in de rechtsleer bestaat er geen algemeen aanvaarde definitie of omschrijving. De meeste auteurs beperken zich tot het geven van een aantal elementen die tot de privé-sfeer zouden behoren 3. Bovendien worden de begrippen 'persoonlijke levenssfeer', 'privacy', 'privé-leven', 'private levenssfeer' als synoniemen behandeld. Guldix bekritiseert dat en maakt een onderscheid tussen enerzijds 'privacy', 'privé-leven', 'private levenssfeer', die ze als synoniemen beschouwt, en anderzijds het door haar ruimer opgevatte 'persoonlijke levenssfeer'. Deze auteur heeft een 'sferentheorie' uitgebouwd waarbij ze de bescherming van de persoonlijkheid situeert volgens drie concentrische cirkels rond het individu. De kleinste concentrische cirkel, 'la vie intime' of de intieme sfeer, omvat gegevens die enkel het individu zelf kent en wenst te onttrekken aan de aandacht van derden. Uitzonderlijk kunnen derden op de hoogte gebracht worden van één of meerdere van deze gegevens, enkel wanneer de betrokkene ze dus zelf meedeelt. De privé-sfeer vormt de middelste concentrische cirkel en verzamelt aspecten van de persoonlijkheid die minder afgeschermd zijn van de buitenwereld maar toch nog een privé-karakter hebben. Het gaat niet alleen om feiten, maar ook meningen, gevoelens, attitudes die mits nauw, bestendig en herhaaldelijk contact met de betrokkene gekend kunnen worden door derden. Tenslotte bevat de openbaarheidssfeer alle overige levensuitingen die door iedereen gekend kunnen worden omdat ze zich in de publieke sfeer afspelen. De persoonlijke levenssfeer is in die optiek een overkoepelende benaming voor de drie sferen rond een individu. Ze omvat zowel de intieme geheimen (de kleinste concentrische cirkel) als alle andere persoonswaarden die al dan niet door het recht beschermd worden. Het privé-leven is dan volgens Guldix de door het recht beschermde private zone in en rond een mens gelegen, niet noodzakelijk geografisch van aard, die het individu selectief toegankelijk kan stellen voor derden en die essentieel is voor de ontplooiing van de persoonlijkheid.
Deze definitie is op zich natuurlijk mooi, maar de verwerking van deze theoretische omschrijving in concrete wetteksten stoot op diverse hinderpalen : (1) de betrekkelijkheid van het privacybegrip (onderscheid naargelang tijd, plaats, cultuur, individu), (2) het conflict met andere rechten (bijvoorbeeld het recht op informatie, het recht van vrije handel), (3) belangen en aanspraken en de samenschakeling met andere.

In plaats van een positieve definiëring te geven van privacy, proberen enkele auteurs de omschrijvingsmoeilijkheden op te lossen door een a contrario begripsbepaling. Ze trachten dan het privé-leven af te bakenen door het tegenover het openbaar leven te stellen. Maar ook die pogingen slagen er niet in een nauwkeurige grens te trekken tussen het private en het publieke, omdat de auteurs voor dezelfde moeilijkheden staan wanneer ze de publieke sfeer moeten definiëren.

Ten slotte wijzen we op een andere invalshoek om het privacybegrip te benaderen. Wanneer we spreken over persoonlijke levenssfeer, kunnen we ook twee dimensies onderscheiden, namelijk de ruimtelijke en de informationele privacy. Met ruimtelijke of relationele privacy wordt, in deze context, bedoeld het zelfbeschikkingsrecht van een individu met betrekking tot de vraag met wie, wanneer, waar, hoe en waarover hij of zij (tele-) communiceert
4. Informationele privacy verleent de burger het recht om zelf te beslissen aan wie hij of zij persoonsgegevens vrij geeft en voor welke doelstelling (Holvast, 1989:4). In de direct marketingpraktijk hangen beide dimensies van de persoonlijke levenssfeer van consumenten zeer nauw samen.
De Belgische wet op de privacy in de praktijk.

Bij het reglementeren van verzameling, verwerking en gebruik van persoonsgegevens liggen dus verschillende wegen open : bepaalde gegevens of doeleinden viseren en toelaten of verbieden, of, een algemene reglementering invoeren. België heeft voor de laatste optie gekozen. Onze wetgeving is dus van toepassing op de verwerking van gegevens die betrekking hebben op een natuurlijke persoon. Een eerste conclusie is dat rechtspersonen daar niet onder vallen. De tweede conclusie is dat de wet die men 'wet op de privacy' noemt, eigenlijk maar één dimensie van de persoonlijke levenssfeer reglementeert, namelijk de informationele privacy. Een persoonsgegeven is dan 'iets' dat waargenomen kan worden (geschreven woord, beeld, geluid) en waaruit informatie geput of afgeleid kan worden over een identificeerbaar individu. Om in het toepassingsgebied van de wetgeving te vallen moet er sprake zijn van een 'verwerking'. In de wettekst heeft dat een niet onbelangrijke dubbele betekenis : 'geautomatiseerde (computer) verwerking' en 'het houden van manuele bestanden'. De omschrijving 'manueel bestand' heeft betrekking op zowel de klassieke fiches als op lijsten, voor zover de gegevens volgens een logica gestructureerd zijn met het doel om later systematisch geconsulteerd te worden. Een fichebak met kaartjes, waarop persoonsgegevens aangebracht zijn, die alfabetisch gerangschikt zijn, volstaat al om onder de wet te vallen. De 'geautomatiseerde verwerking' is een ander paar mouwen. Vallen onder de wet : persoonsgegevens waarop men een aantal bewerkingen (behandelingen) gedaan heeft of doet (zoals registreren, bewaren, wijzigen, uitwissen, raadplegen, verspreiden) en dat "geheel of gedeeltelijk langs geautomatiseerde weg". Spontaan verstaat men daaronder de rangschikking en andere bewerkingen van gegevens die de computertechnologie ons toelaat. Dat kan onder 'geautomatiseerde verwerking' verstaan worden, maar de discussie woedt nog voort (wat met een microfiche, een muziekcassette, een videoband, en dergelijke ?). Eén van de uitzondering vormen de persoonsgegevens die we voor privé-gebruik benutten. Ons adressen- en telefoonboekje is niet geviseerd totdat we het verwerken voor professionele doeleinden.
De hierboven gegeven definities van de kernbegrippen van de privacywet zijn niet zo vanzelfsprekend. Zoals wellicht gebleken is, zijn juristen het nog niet eens over de interpretatie die ze moeten geven aan bepaalde cruciale termen die het toepassingsgebied van de wet eigenlijk bepalen. Ietwat duidelijker zijn de verplichtingen die de Belgische wet oplegt aan iedereen die persoonsgegevens verzamelt en/of verwerkt. Nu komen we dus tot de praktijktoepassing van deze wetgeving. Als belangrijkste norm bij het verzamelen van persoonsgegegevens, geldt dat: - De persoon waarvan gegevens verzameld worden, geïnformeerd dient te worden over de bedoeling en bestemming van die gegevens en over zijn recht van toegang en correctie. - De betrokkene waarvan gegevens voor het eerst verzameld worden moet ingelicht worden van de identiteit en het adres van de houder van het bestand, zijn eventuele vertegenwoordiger in België en in voorkomend geval van de bewerker van de gegevens. - De betrokkene waarvan gegevens worden verzameld moet ook in kennis gesteld worden van de doeleinden waarvoor de verzamelde gegevens gebruikt zullen worden. - Hij moet ingelicht worden van de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen te bekomen bij het Openbaar Register, gehouden door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (wanneer het om een geautomatiseerde verwerking gaat). - Tenslotte moet de betrokkene gewezen worden op zijn recht van toegang tot de gegevens, zijn recht om de verbetering ervan aan te vragen. Maar de wet preciseert niet hoe die informatie juist verstrekt moet worden.
Bij het verwerken van die persoonsgegevens geldt dat :
- De houder van een bestand persoonsgegevens slechts mag verwerken voor een duidelijk omschreven en wettige finaliteiten en mag hij ze niet gebruiken op een manier die onverenigbaar is met deze doeleinden. De finaliteit van het gebruik van persoonsgegevens mag dus niet vaag zijn (zg. 'carte blanche finaliteiten' ) maar moeten in een concrete formulering gegoten worden
- Een persoon die voor het eerst in een verwerking geregistreerd wordt moet daarvan onverwijld in kennis gesteld worden. Deze verplichting geldt niet indien de betrokkene al tijdens de verzameling van de gegevens ingelicht werd of indien er een contractuele relatie met de betrokkene is. Ook hier moet het finaliteitsbeginsel gerespecteerd worden : de verwerking van de persoonsgegevens die niet relevant zijn in het kader van de specifieke contractuele relatie valt niet onder de uitzondering van de plicht de betrokkene op de hoogte te brengen van de verwerking.
Naast de vier bovengenoemde verplichtingen, nl. respect van het finaliteitsbeginsel, het verbod van verwerking van gevoelige gegevens, de kennisgeving bij verzameling en verwerking en het verlenen van toegang voor inzage of correctie, komen nog enkele verplichtingen bij voor geautomatiseerde verwerkingen. Bovendien zal de Belgische wet zich ten laatste op 23 oktober 1998 moeten aanpassen aan de (strengere) Europese Richtlijn en zal de consument onder meer ook een schrappingsrecht krijgen. De wetgever heeft ook terzelfder tijd aan deze plichten van de houder een aantal rechten van de geregistreerde persoon verankerd. Die rechten hangen eerst en vooral af van het basisartikel waarin staat dat iedere natuurlijke persoon bij de verwerking van persoonsgegevens, die op hem betrekking hebben, recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. Hoe wordt dat nu verder uitgewerkt?
- Al wie voor het eerst in een verwerking is opgenomen, heeft recht op een aantal inlichtingen. De kennisgeving moet de identiteit van de houder (zijn vertegenwoordiger en eventueel de bewerker) inhouden, het doel van de verwerking, maar ook moet hem meegedeeld worden dat hij recht heeft op toegang tot en verbetering van de gegevens die op hem of haar betrekking hebben. - Het individu waarvan men gegevens gestockeerd heeft, moet men daar ook daadwerkelijk toegang tot verlenen.
- Wanneer de geregistreerde persoon fouten ontdekt in zijn gegevens heeft hij het recht om (kosteloos) verbeteringen daarvan te eisen, wanneer gegevens onvolledig zijn mag hij ze aanvullen. Evenzeer geldt het recht om gegevens te laten verwijderen, "indien ze een niet ter zake doend doel dienen, gegevens waarvan de verwerking verboden is of die na verloop van de toegestane duur bewaard zijn" (art. 12).
- Indien een gegeven door de betrokkene als foutief ervaren wordt, maar het een appreciatie betreft wordt niet deze appreciatie in de plaats gesteld van het gegeven, maar wel dat het gegeven betwist is
5. Eigenlijk blijkt dus dat een individu niet het recht heeft om zich te verzetten tegen een opname in een bestand, hij heeft ook maar in een heel beperkt aantal gevallen een schrappingsrecht ! Hier wijkt de Belgische wet heel erg af van zijn Frans voorbeeld 6. De 'nieuwe' Belgische wet op de privacy, dus aangepast aan de Europese richtlijn, zal wel een schrappingsrecht voorzien alsook het recht om zich als consument te verzetten tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden. - De houder moet ook de personen aan wie hij deze gegevens in de voorbije twaalf maand geleverd heeft, informeren van de aan te brengen correcties.

Conclusies en bedenkingen.

Om de betrokkenen toe te laten zich op de wet op de privacy voor te bereiden, werd geopteerd voor een gefaseerde inwerkingtreding van de wet. Bovendien geeft deze wet op een aantal punten een ruime delegatie aan de Koning die bepalingen verder kan preciseren of uitzonderingsregelingen kan vaststellen. Bijkomende KB's probeerden de wet iets meer praktisch uitvoerbaar te maken, onder meer in diverse sectoren die leven van het verwerken (en eventueel verhandelen) van persoonsgegevens. Tenslotte kan men sceptisch zijn over de controlemogelijkheden op de naleving van de wet. Stel dat bepaalde gevoelige gegevens onwettig verwerkt werden en dat op bevel van de rechter uitgewist werd (of althans beweerd wordt dat dat gebeurde) kan men moeilijk nagaan of er (in binnen- of buitenland) een back-up van overblijft 7. Kortom, men kan besluiten dat er in verband met de bescherming van de privacy in de commerciële sector
wel degelijk veel afhangt van de wil en daad van de overheid, maar ook van de goede wil van de bedrijven en andere instellingen en niet het minst van de individuele burger die zijn rechten moet uitoefenen, wat slechts kan gebeuren indien hij op een eenvoudige manier geïnformeerd én gesensibiliseerd wordt omtrent deze nieuwe rechten.

1 Hoekstra, 1995:7
2 Dumortier : 1993, 5
3 Masson : 1990, Vandenberghe : 1969, De Jonge : 1976 , Jamoulle : 1984
4 Sciarone-Gorgels, 1994:72
5 Baeteman: 1993, 39
6 'Informatique, fichiers et libertés, 1978
7 Baeteman: 1993, 106



Bibliografie
DUMORTIER, J., Privacybescherming en gegevensverwerking, Aantekeningen bij de Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer t.o.v. de verwerking van persoonsgegevens, in: Vlaamse Jurist Vandaag, Kluwer Rechtswetenschappen, 1e kwartaal, 1993, p.4-14.
HOLVAST, J., Privacy doorgelicht, SWOKA, 1989, 46p. SCIARONE-GORGELS, G. (red.), Telefonie- en nummer-identificatie, privacy-
aspecten belicht, Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1994, 78p. WALRAVE, M., Telemarketing : Storing op de lijn ? Acco Leuven/Amersfoort, 1995, 335p. WALRAVE, M., Na techno-roes ook techno-kater ? De informatietechnologie : Uitdaging of bedreiging, hoop of hype ? in : CUYVERS, R., VAN DER HERTEN, B (red.), Van Tamtam naar Virtuele Realiteit, Davidsfonds/Leuven, 1995, 147p.

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home