Openbaarheid van bestuur en elektronische toegankelijkheid van overheidsinformatie in de netwerkmaatschappij.

Click hier om de tekst als rft te downloaden

Jo Steyaert


Inleiding

In verscheidene artikels in dit nummer rond politiek, samenleving en nieuwe media wordt ingegaan op het belang van informatie voor de gewone man in de straat of voor het bedrijfsleven. Michel Walrave gaat dieper in op de informatieverzameling door profit en non-profit organisaties betreffende de persoonlijke levenssfeer van de burger-consument en schets de gevolgen voor u en ik. Jan Govaerts gaat in op sniffing een manier om de privacy makkelijk te schenden Maarten De Gendt schetst het belang van informatie voor een goedwerkende democratie. Er zijn, zoals Michel Walrave stelt, verscheidene belangrijke informatie eigenaars in deze samenleving en vele dienen gesitueerd te worden in de profit sector. Een van de belangrijkste eigenaars en verzamelaars van informatie over de burger is evenwel de overheid. “De overheid genereert bij het uitoefenen van haar taken een schat aan informatie die dikwijls wordt gecreëerd om het eigen functioneren mogelijk te maken. Die informatie kan ook van belang zijn voor derden, bijvoorbeeld om democratische rechten uit te oefenen, maar ook om betreffende informatie commercieel te exploiteren.”
1. Dit laatste wordt ook door Maarten De Gendt aangetoond in het artikel ‘Democratie en netwerkmedia’. Volgens hem, en daarvoor steunt hij op Robert Dahl (hyperlink naar zijn artikel: de vijf criteria van democratie), zijn er vijf wezenlijke kenmerken van democratie: effectieve participatie, gelijkheid van stemmen in de beslissende fase, voldoende informatie en onderbouwde beoordeling, controle over de agenda en inclusiviteit. Het is vooral het derde kenmerk dat nauw aansluit met de problematiek die we hier willen behandelen. In dit artikel zal de openbaarheid van bestuur centraal staan en vooral één aspect hiervan: de openbaarheid van overheidsinformatie en de mogelijkheden die nieuwe media hierbij kunnen bieden.

Openbaarheid van bestuur en elektronische overheidsinformatie

Openbaarheid van informatie wijst op het openstaan van informatie. Openbaarmaking is het openstellen / beschikbaar stellen van informatie. Beide hebben tot doel het raadplegen of bestuderen van informatie mogelijk te maken
2. Inzake openbaarheid wordt meestal een onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve openbaarheid. Onder passieve openbaarheid verstaat men dan dat de overheid informatie verschaft nadat iemand vraagt om de informatie te mogen inzien, verkrijgen,…. Met andere woorden de overheid is op dat ogenblik niet de initiatiefnemer, maar willigt een aanvraag tot informatie in. Bij actieve openbaarheid wordt dit principe omgedraaid: het is de overheid zelf die actief informatie naar buiten brengt, die uit eigen beweging informatie verschaft.

Overheidsinformatie wordt hier verstaan als: gegevens die zijn vastgelegd in een document dat berust bij de regering, bij een bestuursorgaan van de Staat of van een ander openbaar lichaam, bij een rechterlijk orgaan dan wel bij een instelling, dienst of bedrijf, werkzaam onder verantwoordelijkheid van zo’n orgaan, en die betrekking hebben op een parlementaire, een bestuurlijke of een rechterlijke aangelegenheid
3. We hanteren hier een zeer brede definitie van overheidsinformatie en dat is ook bewust gedaan. Zoals Maarten De Gendt aantoont in zijn artikel kunnen we immers, wat het democratiebegrip betreft, niet uitgaan van een gerealiseerd iets, maar van een ideale toestand. In deze zin is ook het gebruik van deze ruime definitie in de context van dit artikel te vatten: als een streven naar een ideale situatie waarin de overheid eigen overheidsinformatie, in de ruime zin zoals hierboven beschreven, ter beschikking van zijn burgers stelt, en dat zowel actief als passief.

Elektronische overheidsinformatie is informatie die elektronisch is opgeslagen en via een floppydisk of Cd-rom, of online te raadplegen is.
Als we naar de openbaarheid van elektronische overheidsinformatie kijken en de actieve en de passieve openbaarheid, dan vervaagt het onderscheid een beetje tussen actief en passief, zeker wat de online media betreft. De inspanning die moet geleverd worden om elektronische informatie actief of passief ter beschikking te stellen verschilt in wezen niet sterk van mekaar. Het actief of passief openbaar stellen van elektronische overheidsinformatie betreft bij wijze van spreken allebei slechts een klik met de muis. Niettemin blijft het een belangrijk onderscheid naar inhoud toe: het duidt op het initiatief van de overheid. Een overheid die meer aan actieve openbaarheid doet, zorgt er, volgens de bovenstaande kenmerken van democratie, meer voor dat haar burgers voldoende over informatie kunnen beschikken om het reilen en zeilen van de Staat, de overheid of bepaalde diensten (om maar enkele voorbeelden te geven) op te volgen en te controleren. Een actieve openbaarheid van bestuur draagt er m.i. meer toe bij dat we het ideaaltype van de democratie meer benaderen.

Het bestaan van elektronische overheidsinformatie op zich en de (on)wil van de overheid om de informatie actief dan wel passief openbaar te maken, is evenwel niet het einde van het verhaal. De informatie moet er niet alleen zijn, ze moet niet alleen actief dan wel passief beschikbaar zijn gesteld; ze moet ook toegankelijk zijn voor de burger. Om het eenvoudig voor te stellen: het actief openbaar maken van overheidsinformatie bij alle burgers via bijv. een videocassette of een Cd-rom is enkel werkelijk openbaar als die burgers ook over de nodige media beschikken (i.c. een videorecorder of een pc met Cd-rom lezer) om deze informatie ook werkelijk openbaar te maken.


Toegankelijkheid van overheidsinformatie

Beers
3 geeft vijf facetten weer die samen de elektronische toegankelijkheid van overheidsinformatie bepalen: 1) de toegang tot het medium waarop de informatie wordt verstrekt; 2) de vindbaarheid van de informatie: weten dat de informatie er is, weten waar de informatie is, weten hoe die informatie te vinden is; 3) de begrijpelijkheid van de inhoud; 4) een begrijpelijke wijze van presentatie van de inhoud; 5) de prijs voor het raadplegen van de informatie 4.
Wij gaan die facetten even uitwerken wat de Vlaamse situatie betreft.

Toegang tot het medium inzake elektronische overheidsinformatie veronderstelt dat men moet beschikken over de noodzakelijke apparatuur, i.e. een computer. Er zijn voor België weinig cijfers voorhanden. Deze cijfers zijn gebaseerd op European Survey of Information Society
5. Maar dit is eigenlijk geen echte survey, eerder een samenvoegen van informatie die elders wordt gegeven. Wat België betreft spreekt men van een totaal van 2,2 miljoen PC’s waarvan er naar schatting tussen de 500 000 en 1 miljoen thuis PC’s bij de gebruikers staan (1995). Bij de thuisgebruikers wordt geschat dat er ongeveer 2% over een modem beschikken. In de werkomgeving stijgt dit naar 10% (1996). Wat Internet betreft is de schatting voor 1995 dat zo’n 150 000 Belgen een Internet acces hebben. 1,48 per 100 inwoners zou over Internet beschikken. Er is een jaarlijkse groei van 172% (sinds 1993, voor 1993 had Belnet bijna geen gebruikers). Om er voor te zorgen dat de bevolking in grotere mate aan deze ‘informatiesamenleving’ kan participeren kunnen verschillende pistes worden bewandeld. Ten eerste kan de overheid er zorg voor trachten te dragen dat de burger kan beschikken over deze media in ‘publieke plaatsen’ (bibliotheken, gemeente- of stadhuizen,…). Dit heeft als voordeel dat er op die plaatsen meestal ook andere informatie aanwezig is en dat er mensen aanwezig kunnen zijn die de burgers in hun zoektocht kunnen bijstaan. Een tweede oplossing kan er in bestaan om een zogenaamd Universal Service Obligation (USO) te gaan invoeren als extra principe bij de inrichting van de openbare dienst telefonie (of in de toekomst: kabeldistributie). Dit principe is populair geworden in het begin van deze eeuw. De Amerikaanse telefoonoperator AT&T zocht naar een manier om zijn groeiende macht over de telefonie in de VS te rechtvaardigen. De oplossing werd gevonden in een voorstel dat AT&T deed aan de Amerikaanse overheid: in ruil voor een monopolierecht op de telefoniemarkt zou AT&T de plicht op zich nemen om telefoondiensten aan te bieden aan iedereen binnen een bepaald gebied, en dit tegen een gemiddelde kost voor dat gebied. Met andere woorden : iedereen die binnen een bepaalde zone woont heeft recht op een aansluiting op het telefoonnet tegen een tarief die niet bepaald wordt door de werkelijke connectiekosten + winst voor de individuele aansluiting, maar wel tegen een tarief dat bepaald wordt door de gemiddelde connectiekost voor de zone plus winst. Op deze wijze wordt het principe van een openbare dienst dan uitgebreid met het principe van de betaalbaarheid. Indien de telefoonmaatschappijen of de kabelmaatschappijen in ruil voor zekere rechten in de toekomst ook verplicht zouden worden om in het pakket van vaste dienstverlening ook bijvoorbeeld aansluitingen op internet op te nemen, dan beschikt, zeker in België, het grootste deel van de bevolking over de mogelijkheid om van deze dienstverlening gebruik te gaan maken. Vlaanderen heeft vooralsnog voor de eerste oplossing gekozen en de Vlaamse bibliotheken beschikken sinds kort met BIBNET allemaal over een aansluiting met het internet.

De vindbaarheid van informatie veronderstelt drie aspecten: je moet weten dat de informatie bestaat, je moet weten waar, wanneer en hoe de informatie te vinden is, en je moet je weg kunnen vinden in de informatie. De eerste taak is in belangrijke mate weggelegd voor de overheid zelf. Dit veronderstelt een actieve ingesteldheid van de overheid om kenbaar te maken bij de burger over welke informatie ze allemaal beschikt. Ook dit is een taak die is weggelegd voor de overheid en die ze bijv. via haar bibliotheken kan laten uitvoeren. Zoals reeds gezegd is een eerste (materiële) aanzet hiertoe reeds gegeven in Vlaanderen. Ook de stad Antwerpen bijv. richt cursussen in voor haar burgers om te leren omgaan met nieuwe media enerzijds en met de informatie die beschikbaar is op haar DMA
6 (Digitale Metropool Antwerpen) anderzijds. Het laatste aspect is moeilijker te behandelen. Langs de ene kant is dit voor een stuk weggelegd voor de vrije markt: dit is het terrein van intelligent agents (gebruikersgebonden zoekinstrumenten), en van navigatiesystemen. In klassieke media vinden we dit terug bij uitgeverijen zoals bijv. Kluwer, die verduidelijkingen uitbrengen van bijv. wetteksten. Aan de andere kant heeft de overheid hier wel een toezichthoudende taak te vervullen: ze moet er immers zorg voor dragen dat deze informatie, geleverd door private leveranciers, toegankelijk blijft voor de burgers volgens de andere criteria die hier worden uiteengezet, waarvan vooral de betaalbaarheid belangrijk is, gezien het gevaar van monopolievorming in zulke kleine markten (zie bijv. de recente fusie tussen Kluwer en Elsevier).

“Ook in een elektronische omgeving staat de overheid bij het begrijpelijk maken van haar informatie voor een dilemma: doet zij er te weinig aan, dan volgt de kritiek dat de informatie ontoegankelijk, onleesbaar en onbegrijpelijk is. Maakt de overheid haar informatie begrijpelijker zoals in het geval van voorlichting, dan is snel het verwijt van ongewenste beïnvloeding te horen”
7. Deze situatie is niet zo denkbeeldig als ze wel lijkt en het gevaar schuilt hem in kleine hoekjes. Zo worden op verscheidene sites van Vlaamse steden of gemeenten verslagen weergegeven van de gemeenteraadsvergaderingen 8. De stad Antwerpen echter geeft bijvoorbeeld niet de volledige verslagen van de gemeenteraad weer op haar website omdat ‘deze te zeer in het ambtenarees zijn geschreven” en “voor de gewone burger niet verstaanbaar zouden zijn” 9. In plaats van de volledige verslagen, geeft zij slechts een verkorte en vertaalde versie weer van de ‘voornaamste’ besluiten van de vergadering. Het gevaar is op deze wijze echter reëel dat enkel een verslag wordt gedaan van de voor de regeerders gunstige besluiten en dat mogelijke opvattingen en meningen van de oppositie op deze wijze nooit de burger ter ore komen.

Onder de begrijpelijke presentatie verstaan we de presentatievorm van de informatie en de vorm van toegang (zie punt 1.). Inzake elektronische presentatie staan we nog in de kinderschoenen wat betreft de ontwikkeling van de interfaces (presentatiewijzen van de informatie). Dit is echter een probleem dat niet voor meer problemen zorgt als gevolg van het elektronisch zijn van de gegevens. Wel is het zo dat elektronische gegevens toelaten dat ze op meer verschillende manieren worden gepresenteerd. Zoals Negroponte zij: bits zijn maar bits
10: je kan dezelfde data op verschillende manieren presenteren door gebruik te maken van dezelfde bits: alleen de presentatie van de gegevens worden veranderd, de databestanden van waaruit de gegevens worden gehaald blijven dezelfde.

De prijs voor het raadplegen van de informatie is een laatste punt, maar geen onbelangrijk punt. Er zijn verschillende facetten verbonden aan dit prijsaspect. Allereerst is er de prijsbepaling. Het is moeilijk om een prijskaartje te koppelen aan overheidsinformatie. Het verband tussen produktiekost en de informatie zelf is moeilijk te bepalen. Daarnaast is het ook zo dat, eens de informatie online is, de bijkomende kost (de zogenaamde marginale kosten) om de informatie ter beschikking te stellen voor een volgende afnemer, quasi nihil is. Het tweede probleem dat zich stelt is dat de overheid een monopolie inneemt op haar informatie. Dit staat een prijsontwikkeling via een marktmechanisme in de weg. Daarnaast is het ook vaak zo dat de overheid haar informatie exclusief aan één informatieleverancier uit de profitsector geeft om deze openbaar te maken. Ook dit staat een prijsontwikkeling via een marktmechanisme in de weg. Een derde probleem gekoppeld aan de pogingen om de prijs van overheidsinformatie te bepalen is verbonden met het profijtbeginsel. Dit profijtbeginsel is moeilijk te bepalen omdat er verschillende soorten profijt bestaan: maatschappelijk (bijv. bijdrage aan de verbetering van het leefmilieu of de arbeidsomstandigheden), individueel of economisch. De overheid zal het dus moeilijk hebben om aan dit profijtbeginsel een bepaalde prijs voor haar informatie te koppelen. Ten vierde zijn er ook morele bezwaren te uiten. De overheid heeft haar informatie reeds verzameld op kosten van de burgers, immers de overheid werkt met belastingsgelden. Het zou volgens deze redenering dus ondenkbaar zijn dat ze geld zou vragen voor raadplegingen van deze informatie door de burgers. Dit geldt des te meer voor informatie die de burger verplicht is om aan de overheid mede te delen. Niettemin wordt er aanvaard dat de overheid best wel iets mag terugverdienen voor haar arbeid, zeker wordt aanvaard dat de overheid extra kosten, verbonden aan het verschaffen van de informatie moet kunnen doorrekenen. Deze discussie wordt echter interessanter in het licht van de nieuwe media. Immers, in het papieren tijdperk stond de kost voor het verstrekken van informatie door de overheid in relatie met haar eigen intenties. Actieve verspreiding van informatie was meestal gratis, gezien de overheid zelf deze informatie bekend wou maken. Passieve informatie diende betaald te worden, aangezien hiervoor extra kosten dienden gemaakt te worden om de informatie op te zoeken en om ze te reproduceren (kopieren, overpennen, …). In het digitale tijdperk evenwel bestaat het verschil tussen beide handelingen steeds minder, dus ook de prijs kan op deze basis moeilijker bepaald worden.

Conclusies en bedenkingen

Het elektronisch toegankelijk maken van overheidsinformatie is een van de wezenlijke uitdagingen van het toekomstige bestuur. Het kan een middel worden om in de toekomst een meer democratische samenleving te organiseren. In het artikel ‘Democratie en netwerkmedia’ stelt Maarten De Gendt zich optimistisch op wat betreft de mogelijkheden van de nieuwe media. Het probleem situeert zich echter niet op het vlak van de mogelijkheden. Het is de concrete realisatie van deze mogelijkheden die in Vlaanderen en België op zich laat wachten. Clément en Blondeel
11 stellen dan ook dat “Nuttig (leren) omgaan met informatie veronderstelt niet alleen een lage drempel voor de toegang, maar in eerste instantie een communicatiebereidheid, de openheid om informatie te zoeken en ze uit te wisselen, en de bekwaamheid om er in een besef van tegensprekelijkheid mee om te gaan. Dat is geen kwestie meer van techniek. Dat heeft met mentaliteit te maken, het is een kwestie van cultuur”. De Vlaamse en federale overheden hebben op dit terrein al enig initiatief laten blijken. Zo hebben beide hun websites op het internet 12 en verspreidt de Vlaamse regering haar besluiten van de ministerraad sinds enige tijd via een mailinglist 13. Niettemin kunnen de Vlaamse en Federale overheid op dit terrein nog een enorme vooruitgang boeken en moeten ze de wil tonen om een werkelijke openbaarheid van bestuur te realiseren.


Noten
1 Baten, I & G., van der Starre. Elektronische toegankelijkheid van overheidsinformatie. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1996, p.5
2 Baten, I & G., van der Starre Elektronische toegankelijkheid van overheidsinformatie. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1996, p.20
3 Zie Beers, A.A.L. Informatica Publica. Publieke toegankelijkheid van elektronische overheidsinformatie. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1996.
4 Baten, I & G., van der Starre. o.c. p.21
5 http://www.ispo.cec.be/ESIS/
6 http://www.dma.be/
7 Baten, I & G., van der Starre. o.c. p.35
8 Zie bijv http://www.leuven.be/ of http://www.dma.be/ of http://www.stniklaas.be/
9 Freddy Vandekerckhove, Adjunct Stadssecretaris Antwerpen, e-dag, 25 februari 1997, Telepolis Antwerpen
10 Negroponte, N. Being digital, Hodder & Stoughton, London, 1995, p. 19, p. 61
11 Clément, B. & W. Blondeel. “De informatiesamenleving tussen vrijheid en sturing”. In: Communicatie. In : Tijdschrift voor Massamedia en cultuur” 25, 4, 1996, p. 44-59, pag. 55
12 http://www.fgov.be/ en http://www.vlaanderen.be/
13 http://www.vlaanderen.be/ned/sites/nieuws_f.htm

Bibliografie

Baten, I & G., van der Starre Elektronische toegankelijkheid van overheidsinformatie. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1996.
Beers, A.A.L. Informatica Publica. Publieke toegankelijkheid van elektronische overheidsinformatie. Otto Cramwinckel Uitgever, Amsterdam, 1996.
Negroponte, N. Being digital, Hodder & Stoughton, London, 1995.
Clément, B. & W. Blondeel. “De informatiesamenleving tussen vrijheid en sturing”. In: Communicatie. In : Tijdschrift voor Massamedia en cultuur” 25, 4, 1996, p. 44-59.

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home