|
Maarten De Gendt
Wanneer we het hebben over democratie, moeten we ons natuurlijk eerst afvragen wat
we moeten verstaan onder die term. En verder: is onze huidige democratie voor verbetering
vatbaar? Wat zijn netwerkmedia voor iets nieuws? Kunnen netwerkmedia, zoals het Internet,
een belangrijke bijdrage leveren tot de verbetering van de democratie? En op welke
manieren kan dit gebeuren? Op deze vragen tracht dit artikel, in al zijn beperktheid,
een antwoord te geven. Ik ben ervan overtuigd dat de democratie inderdaad aanzienlijk
verbeterd kan worden, en dat netwerkmedia daarin een essentiële rol kunnen spelen.
Meer nog, netwerkmedia openen nooit eerder geziene perspectieven voor een democratie
die democratischer zal zijn dan ooit tevoren.
Democratie
Wat moeten we eigenlijk verstaan onder democratie? Wat zijn de kenmerken van een
democratie, wat zijn de voorwaarden waaraan een regime moet voldoen om democratisch
genoemd te worden? 1
Democratie is, om te beginnen, een politieke orde. Elke samenleving heeft een geheel
van procedures en instellingen nodig om bepaalde bindende beslissingen te nemen;
dat geheel vormt de politieke orde en het politiek proces van een samenleving. Het
besluitvormingsproces kent minstens drie fasen. De fase van agenda-setting gebeurt
wanneer men bepaalt over welke aangelegenheden al dan niet een beslissing moet genomen
worden. Gedurende de informatieve fase wordt de nodige informatie ingewonnen, wordt
de aangelegenheid bediscussieerd, worden tussentijdse akkoorden gesloten, enzovoort.
De definitieve of beslissende fase is die waarin de bindende beslissing genomen wordt.
De vijf criteria van democratie
Er zijn vijf criteria of voorwaarden die
moeten vervuld zijn opdat dit besluitvormingsproces democratisch zou zijn. Die criteria
vormen tevens de basiskenmerken van democratie: effectieve participatie, gelijkheid
van stemmen in de beslissende fase, voldoende informatie en geëduceerde beoordeling,
controle over de agenda, en inclusiviteit.
Effectieve participatie betekent dat alle burgers op substantiële wijze kunnen
deelnemen aan het besluitvormingsproces. Daartoe moet elke burger over voldoende
en gelijke mogelijkheden beschikken om zijn eigen visie en voorkeur uiteen te zetten.
Iedereen moet dus voldoende en gelijke mogelijkheden bezitten om bepaalde aangelegenheden
aan te kaarten en om de redenen uiteen te zetten waarom ze de ene beslissing verkiezen
boven de andere.
Gelijkheid van stemmen in de beslissende fase houdt in dat iedereen dezelfde kans
krijgt om zijn keuze te uiten, en dat ieders keuze even zwaar doorweegt wanneer de
definitieve beslissing genomen wordt. Omdat keuzes gewoonlijk duidelijk gemaakt worden
door middel van stemming, kan men dit criterium omschrijven als gelijkheid van stemmen:
elke stem weegt even zwaar door.
Voldoende informatie en geëduceerde beoordeling is een draak van een omschrijving
om het volgende duidelijk te maken. De procedure om tot beslissingen te komen moet
aan de mensen de kans bieden om de aangelegenheden in al hun aspecten voldoende te
begrijpen en doorgronden. Dat omvat middelen, doelstellingen, belangen, verwachte
gevolgen en uitkomsten van een bepaalde beslissing voor zichzelf en voor alle andere
betrokkenen. Uit dat criterium kunnen we een aantal belangrijke voorwaarden puren
voor een goed functionerende democratie: alle relevante informatie moet aan bod komen,
iedereen moet even gemakkelijk toegang krijgen tot die informatie, iedereen moet
voldoende opvoeding en onderwijs genieten om redelijk en kritisch te kunnen nadenken,
er moet voldoende ruimte zijn voor (publieke) discussie,... Kortom, een beslissing
mag niet onbezonnen of willekeurig genomen worden, maar moet steeds 'het beste voor
allen' trachten te bereiken.
Controle over de agenda betekent dat de bevolking de volledige en exclusieve controle
moet krijgen over de agenda. Enkel zij kan beslissen wat er op de politieke agenda
kan verschijnen en hoe dat gebeurt. In zijn uiterste consequentie kan dat criterium
betekenen dat iedere burger aangelegenheden op de agenda kan plaatsen.
Inclusiviteit tenslotte is redelijk duidelijk. Het betekent gewoon dat ieder volwassen
lid van de samenleving mag deelnemen aan het democratische proces. Iedereen heeft
het recht om ten volle deel te nemen aan besluitvorming, vooral wie de gevolgen kan
ondervinden van een bepaalde beslissing.
Polyarchie
Wanneer een politiek regime niet voldoet
aan één of meer van deze vijf criteria, dan is dat regime niet democratisch.
Elk regime dat aan elk van deze criteria in zekere mate voldoet, is een democratie.
Helaas blijkt het onmogelijk om aan alle criteria voor honderd procent te voldoen.
Met andere woorden, de ideale democratie bestaat niet. Geen enkel regime kan volledig
democratisch werken, want elke samenleving heeft haar beperkingen.
Ook de huidige democratie voldoet niet volledig aan de vijf democratische criteria.
In feite staat ze zelfs zo ver af van het democratische ideaal dat sommigen ons huidig
politiek regime een andere naam geven: zij spreken niet van democratie, maar van
polyarchie (naar analogie van de termen monarchie en oligarchie). 2
De meesten begrijpen deze term misschien beter wanneer ze spreken over vertegenwoordigende
democratie: het volk kiest vertegenwoordigers, die dan de beslissingen nemen in naam
van hun kiezers.
Polyarchieën worden gekenmerkt door volgende instellingen en gebruiken. De controle
over regeringsbeslissingen ligt grondwettelijk bij gekozen regeerders. Die regeerders
moeten verkozen worden in eerlijke en regelmatige verkiezingen, waarin dwang en geweld
niet mogen voorkomen. Vrijwel alle volwassenen hebben het recht hun stem uit te brengen
in deze verkiezingen, en bovendien hebben ze het recht zich verkiesbaar te stellen.
Er bestaat ook vrijheid van meningsuiting over een brede waaier van politieke aangelegenheden.
De burgers hebben ook het recht om andere dan officiële informatiebronnen te
raadplegen. Deze alternatieve bronnen bestaan ook effectief (bv. kranten van verschillende
strekkingen) en zijn bij wet beschermd. Om deze en andere rechten te kunnen bereiken,
bestaat er vrijheid van vereniging: burgers hebben het recht om relatief onafhankelijke
verenigingen en organisaties op te richten, onder meer onafhankelijke politieke partijen
en belangengroepen.
Een betere democratie?
Wanneer we polyarchie vergelijken met alle
andere regimes die vandaag bestaan of vroeger bestaan hebben, dan blijkt polyarchie
het democratische ideaal dichter te benaderen dan om het even welk ander regime.
Maar toch staat polyarchie nog mijlenver verwijderd van de ideale democratie, omdat
ze aan geen enkel van de vijf democratische criteria voldoet. Indien de participatie
beperkt blijft tot het verkiezen van vertegenwoordigers af en toe, en verder de vrijblijvende
meningsuiting (zonder de garantie dat die mening ook de besluitvormers bereikt),
dan is het wel erg pover gesteld met de effectieve participatie van alle burgers.
Ik nodig de lezer uit om ook voor de vier andere democratische criteria na te gaan
in hoeverre polyarchie eraan voldoet.
Is de huidige democratie, die we polyarchie genoemd hebben, het beste wat we kunnen
bereiken? Of kan men de democratie nog aanzienlijk verbeteren, zodat de vijf democratische
criteria veel beter worden ingevuld? Netwerkmedia zoals het Internet kunnen mijns
inziens een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de democratie - al moeten
we voor ogen houden dat netwerkmedia niet alle onvolkomenheden van de democratie
kunnen oplossen. Maar eerst moet het begrip netwerkmedia verklaard worden.
Netwerkmedia
De term 'netwerkmedia' slaat op een geheel nieuwe soort van media, die zich pas de
laatste tijd begonnen te ontwikkelen. Netwerkmedia verschillen op vele punten volledig
van de huidige massamedia. Vooral computernetwerken, het Internet in het bijzonder,
vormen de pioniers van deze nieuwe mediavorm.
Netwerkmedia versus massamedia
De massamedia kent iedereen: het zijn de
televisie, de radio, de film, de kranten en tijdschriften, de affiches langs de straat,
zelfs het boek in de boekhandel. De massamedia brachten grote veranderingen in de
communicatie tussen mensen. Tevoren bestond enkel face-to-face communicatie, waarbij
één zender en één ontvanger tegenover elkaar stonden bij het
communiceren. 3 Bij massamedia is er niet één ontvanger,
maar vele; de ontvangers zijn bovendien ruimtelijk en geografisch van elkaar gescheiden.
Er is echter maar één of slechts enkele zenders. Daarom spreekt men vaak
over one-to-many communicatie. De zender is meestal een professionele communicator,
en heeft een monopolie in handen over de boodschap: hij bepaalt wat de mensen te
zien, horen of lezen krijgen, hij bepaalt welke informatie verspreidt wordt en welke
achterwege blijft. Omdat de boodschap bestemd is voor een groot en verspreid publiek,
wordt ze zoveel mogelijk gestandaardiseerd: iedereen krijgt precies dezelfde 'eenheidsworst'
voorgeschoteld. De ontvangers kunnen gewoonlijk geen feedback geven, en zitten dus
voortdurend in de rol van passieve ontvanger. Massamedia zijn bijzonder bruikbaar
voor manipulatie.
Tegenover deze massamedia ontwikkelt zich nu een andere mediavorm: de netwerkmedia.
Net zoals massamedia zijn netwerkmedia wijd verspreid over een grote groep mensen.
Er zijn dus vele ontvangers. Maar netwerkmedia hebben niet één zender (one-to-many
communicatie), maar zeer vele zenders (many-to-many communicatie). Meer nog: elke
zender is ook ontvanger, en elke ontvanger is tevens zender. Aangezien iedereen nu
zender kan zijn, zijn netwerkmedia in wezen gedecentraliseerde media. Bovendien is
de boodschap, die via netwerkmedia verspreid wordt, niet meer eenzijdig en gestandaardiseerd,
maar juist enorm gediversifieerd, omdat ieder zijn eigen informatie en visie kan
aanbrengen; het monopolie dat de zender heeft over de boodschap, vervalt. En bovenal:
het many-to-many principe brengt de mogelijkheid tot voortdurende feedback en dus
interactiviteit.
De kenmerken van netwerkmedia 4
Interactiviteit betekent dat de verschillende
actoren kunnen inter-ageren, dat wil zeggen actief deelnemen aan en ingrijpen in
de loop van de gebeurtenissen. Massamedia bieden geen mogelijkheid tot interactiviteit:
een televisieprogramma wordt van script tot uitzendsignaal samengesteld door één
instituut, de kijker blijft volledig passief. Sommige media worden interactief genoemd,
terwijl ze dat helemaal niet zijn: video-on-demand laat de kijker toe zelf het programma
en het uitzenduur te bepalen, maar voor de rest blijft hij een passieve ontvanger
van iets wat volledig elders is ineengeknutseld. Surfen op Internet of grasduinen
op een CD-ROM is al wat interactiever, omdat elke gebruiker zijn eigen weg kan banen
doorheen de informatie; maar men blijft nog steeds afhankelijk van wat de maker van
een website of CD aan informatie aanbiedt, en wat niet. Volledige interactiviteit
bestaat pas wanneer iedereen die deelneemt aan de communicatie evenveel kan bijdragen
als elke andere deelnemer. Bovendien moet iedereen vrij kunnen reageren en voortbouwen
op de inbreng van elke andere deelnemer. Elke ontvanger is dus evenzeer een zender.
De zuiverste vorm van interactieve communicatie is een discussie of debat.
Interactiviteit is één van de belangrijkste kenmerken van netwerkmedia,
maar er zijn er nog andere. Netwerkmedia moeten ook mobiel zijn, mobiel in ruimte
en mobiel in tijd. Mobiliteit in ruimte houdt in dat men niet langer gebonden is
aan een welbepaalde plaats om gebruik te kunnen maken van een bepaald medium. Men
hoeft zich niet in dezelfde ruimte te bevinden om een discussie te houden, of men
hoeft niet naar het VDAB-kantoor om de jobaanbiedingen te raadplegen. Mobiliteit
in tijd betekent dat men niet langer gebonden is aan een bepaald tijdstip om van
een medium gebruik te maken. Correspondentieschakers schaken per brief, en zijn dus
niet aan een plaats of tijdstip gebonden om hun spelletje te spelen.
Nog twee kenmerken van netwerkmedia zijn converteerbaarheid en onderlinge aansluitbaarheid.
Converteerbaarheid duidt op het vermogen om informatie van het ene medium om te zetten
in informatie voor een ander. Een scanner zet manuele beelden om in digitale data,
een modem zet digitale informatie om in analoge geluidssignalen en omgekeerd. Ook
spraakherkenning en automatische vertaling zijn voorbeelden van converteerbaarheid.
Onderlinge aansluitbaarheid betekent dat elk apparaat kan aangesloten worden op elk
ander apparaat. Die aansluiting kan rechtstreeks zijn, of verlopen via een netwerk
- bijvoorbeeld het Internet.
Netwerkmedia zijn ook alomtegenwoordig en wereldomvattend. Alomtegenwoordigheid betekent
de systematische verspreiding van netwerkmedia in alle lagen van de bevolking. Wereldomvattendheid
houdt in dat de netwerkmedia een verspreiding kennen over de gehele wereld, en dat
alle delen van de wereld via deze netwerkmedia met elkaar verbonden zijn.
Tenslotte maken netwerkmedia ook volop gebruik van multimedia, hypertext en hypermedia.
Met de term multimedia bedoelt men tegenwoordig het samen gebruiken van tekst, grafische
afbeeldingen en foto's, en vaak ook animatiefilmpjes en bewegende videobeelden, gewoonlijk
in kleur en met geluid. 5
Hypertext is een zeer recente uitvinding, maar voor Internetgebruikers vormt het
een vertrouwd gegeven. Bij hypertext worden stukken informatie (meestal alleen tekst,
maar gewoonlijk gaat men ervan uit dat ook stilstaande afbeeldingen en foto's onder
de noemer hypertext vallen) op een niet-hiërarchische en gedecentraliseerde
manier aan elkaar gelinkt, als in een spinnenweb. De informatieblokken vormen als
het ware knooppunten binnen het hypertextsysteem, en worden met elkaar verbonden
via links. 6 Dat lijkt een ingewikkelde constructie, maar wie
enkele uren surft op het WWW zal begrijpen waar het om draait. Hypermedia ontstaan
wanneer multimedia en hypertext worden samengevoegd: niet alleen stilstaande beelden,
maar ook geluid, muziek, bewegende beelden, driedimensionele beelden kunnen dan opgeroepen
worden in een hypertextsysteem.
Het Internet als netwerkmedium
Netwerkmedia zijn nu beschreven op een theoretische
manier. Maar bestaat er in de praktijk wel een communicatiemedium dat aan de kenmerken
van netwerkmedia voldoet? Wie als denkoefening probeert de kenmerken van netwerkmedia
toe te passen op het Internet, zal tot het besluit komen dat het Internet een bijna
volwaardig netwerkmedium is.
Interactiviteit is alvast een basiskenmerk van het Internet. Surfen op het WWW biedt
een matige vorm van interactiviteit aan, andere toepassingen zoals e-mail, IRC 1, Usenet 2
of MUDs 3 laten zelfs volledige interactiviteit toe. Het Internet
is ook erg mobiel: om gesprekken te voeren of discussies te houden hoeft men niet
langer in dezelfde ruimte te zitten, een terminal met een modem en een telefoonaansluiting
volstaan, waar men zich ook bevindt. Bovendien is het Internet uitermate mobiel in
tijd. De informatie op het WWW is elk uur van de dag beschikbaar; e-mailberichten
kan men lezen wanneer men er zin en tijd voor heeft, hetzelfde geldt voor de discussies
op Usenet. Bovendien hoeft men niet meteen te antwoorden, maar kan men dat op elk
tijdstip dat men daarvoor geschikt acht.
Converteerbaarheid vinden we in beperkte mate terug, bijvoorbeeld in het gebruik
van een modem, of bij eenvoudige conversies van een gewone tekst naar een voor het
WWW geschikt HTML-bestand. Op het vlak van onderlinge aansluitbaarheid scoort het
Internet opvallend goed. Het Internet is een platformonafhankelijk netwerk, zodat
de meeste informatie van het Internet op alle computersystemen kan geraadpleegd worden.
En het zal voor iedereen wel duidelijk zijn dat hypertekst en hypermedia de logica
zelve zijn op het Internet.
Alleen wat de alomtegenwoordigheid en de wereldomvattendheid betreft, schiet het
Internet nog flink tekort. Er bestaat een grote kloof tussen have's en have-not's,
tussen rijken en armen enerzijds en tussen het geïndustrialiseerde Westen en
de Derde Wereld anderzijds. Het Internet is dus zeker niet het ideale netwerkmedium,
maar geen enkel ander medium draagt reeds zovele kenmerken van netwerkmedia in zich.
We kunnen dus stellen dat het Internet de voorlopige exponent vormt van alle netwerkmedia.
Democratie en netwerkmedia
Keren we nu terug naar de vijf democratische criteria uit het begin van dit artikel:
effectieve participatie, gelijkheid van stemmen in de beslissende fase, voldoende
informatie en geëduceerde beoordeling, controle over de agenda en inclusiviteit.
Nu we hebben beschreven wat netwerkmedia precies zijn, gaan we voor elk van de vijf
criteria na hoe netwerkmedia kunnen helpen om ze in de praktijk te brengen of te
verbeteren.
Effectieve participatie
Effectieve participatie houdt onder meer
in dat iedereen over voldoende en gelijke mogelijkheden beschikt om de eigen visie
en de eigen voorkeur uiteen te zetten. In een systeem van vertegenwoordiging, zoals
polyarchie, houdt dat op de eerste plaats in dat de vertegenwoordigers een goed contact
onderhouden met hun kiezers, ook buiten de verkiezingsperiodes. Netwerkmedia kunnen
daarbij helpen: de politicus kan via het Internet zijn kiezers met informatie en
propaganda bestoken tegen een veel lagere kostprijs en op een veel efficiëntere
manier, door middel van gerichte e-mail. Maar de relatie is, dankzij de interactiviteit
van de netwerkmedia, tweeweegs: ook de burgers kunnen nu op een veel eenvoudiger
en goedkopere manier de politici vragen stellen over hun beleid en hun ongenoegen
en opinies kenbaar maken, via e-mail, op discussielijsten (zoals Usenet), of zelfs
op rechtstreekse chat-kanalen (zoals IRC). Opiniepeilingen, die vooral in de VS een
belangrijk politiek wapen vormen, worden veel gemakkelijker en goedkoper via netwerkmedia.
Het wordt voor politici ook veel gemakkelijker om via de netwerkmedia fondsen te
verzamelen of mensen te mobiliseren voor een bepaalde zaak, als ze maar de juiste
discussiegroep of het juiste babbelkanaal vinden; zo kan de burger ook veel gemakkelijker
gelijkgezinden vinden rond een bepaald onderwerp, om een actiegroep op poten te zetten
of wat dan ook.
Maar netwerkmedia bieden méér. Zij laten toe dat de burgers hun eigen stem
kunnen laten horen in het besluitvormingsproces. Netwerkmedia maken vormen van directe
democratie mogelijk. De many-to-many communicatie van netwerkmedia bieden aan iedereen
een gelijk forum om de eigen mening in het openbaar te uiten. Iedereen heeft dus
de volledige mogelijkheid zijn eigen opinie uiteen te zetten en toe te lichten; iedereen
kan in discussie treden met elk ander over om het even welk onderwerp dat aan de
orde is. Op Usenet kan iedereen een posting plaatsen in een nieuwsgroep. Op het WWW
kan iedereen zijn eigen webpagina's aanmaken, om via zijn webpagina zijn eigen ideeën
rond een bepaald thema te verspreiden.
Vrije uitwisseling van feitenkennis, standpunten en voorkeuren wordt nu mogelijk
via het Internet. Maar elke burger moet ook kunnen participeren op het moment dat
de definitieve beslissing genomen wordt. Een elektronisch referendum, als het ware.
Gelijkheid van stemmen in de beslissende fase
Een referendum geeft aan de burgers de kans
om hun keuze rechtstreeks te uiten: elke burger één stem, zonder omwegen
via vertegenwoordigers. De organisatorische problemen die zich tot vandaag stellen
bij het houden van een referendum, stellen zich amper wanneer referenda via netwerkmedia
zouden gehouden worden. Men kan nu naar elke burger een oproep mailen en een stembrief
verspreiden zonder papier- en drukkosten. Desgewenst kan men een bestand met meer
toelichting bijvoegen of ergens op het WWW plaatsen, nieuwsgroepen of andere discussiefora
omtrent het referendum-onderwerp openen,...
De stemming kan gebeuren gedurende een voorafbepaalde periode vanop elk aan het netwerk
aangesloten toestel, en de uitgebrachte stem kan in een mum van tijd het telkantoor
(of de telcomputer) bereiken, die even snel de uitslag kan berekenen. Het hoeven
niet eens ja-nee-vragen te zijn: de computer kan met amper enkele seconden extra
even gemakkelijk rangschikkingsvragen verwerken. 7
Het gemak voor de burger, die nu vanuit zijn zetel kan stemmen in plaats van aan
het stemlokaal aan te schuiven, helpt misschien het probleem van de (te) lage opkomst
op te lossen. Wanneer de lage opkomst echter veroorzaakt wordt door pure desinteresse,
bieden netwerkmedia geen oplossing.
Voldoende informatie
In een goed functionerende democratie mag
niemand verstoken blijven van relevante informatie en moet de toegang tot die informatie
voor iedereen even gemakkelijk te verkrijgen zijn. In een polyarchie slaat het criterium
van voldoende informatie onder meer op de informatieverstrekking vanwege de overheid
naar de burger toe. Openbaarheid van informatie, evenals de beschikbaarheid van alle
wetteksten, kan dankzij netwerkmedia een kwantitatieve en kwalitatieve sprong voorwaarts
nemen. Zo zou het gebruik van hypertext om het doolhof van wetten toegankelijker
te maken, een revolutionaire verandering teweegbrengen. 8
(Meer daarover in een ander artikel in deze editie van Interaxis).
Maar de informatieverstrekking strekt verder dan de overheid. Velen definiëren
het Internet als de grootste bibliotheek ter wereld. En dat klopt ook: nergens kan
men zoveel informatie terugvinden als op het WWW. Uiteraard staat nog lang niet alles
on line, maar het informatieaanbod groeit tegen een onvoorstelbaar tempo. Bovendien
kan elke gebruiker via het Internet alle informatie verspreiden die hij aan de wereld
kwijt wil. Netwerkmedia maken elke ontvanger ook tot een potentiële zender.
Het aantal alternatieve informatiebronnen via het Internet is dus schier eindeloos.
Het WWW is de bekendste informatiebron van het Internet, maar er zijn er nog andere.
Usenet is één van de meest gebruikte toepassingen waar men naar informatie
kan vragen. Wie op het WWW niet gevonden heeft wat hij zoekt, kan in één
of meerdere relevante nieuwsgroepen een bericht achterlaten met de vraag of iemand
de gewenste informatie kan verschaffen. Dat kan gaan van het exacte bedrag van het
kijk- en luistergeld tot de wetenschappelijk vastgestelde symptomen van BSE. Ook
de babbelkanalen van IRC, die meestal louter recreatief gebruikt worden, kunnen een
alternatieve informatiebron vormen. Zo brachten Israeli's en Koeweiti's tijdens de
Golfoorlog op bepaalde kanalen rechtstreeks verslag uit vanop de oorlogsterreinen.
9
...en geëduceerde beoordeling
Om een weloverwogen beslissing te nemen,
moet men over alle relevante informatie beschikken, maar dat alleen volstaat niet.
De burger moet die informatie ook kunnen verwerken, analyseren, interpreteren en
in een ruimer kader plaatsen; hij moet kritisch kunnen nadenken. Bovendien vergt
een goede beslissing voldoende (publieke) discussie, opdat men eenieders standpunt
en belangen zou begrijpen en kan afwegen.
Het vermogen om kritisch te kunnen nadenken kan niet zomaar door een nieuwe technologie
veranderd of verbeterd worden. De mogelijkheid tot discussie en publieke discussie
kan dat wel. Netwerkmedia kenmerken zich door many-to-many communicatie. Dat maakt
de wederzijdse uitwisseling van ideeën en discussie, die door de massamedia
verdrongen zijn, weer mogelijk.
Op het Internet zijn vele vormen van discussie mogelijk: via e-mail, via mailing
lists, via webchats. Maar de bekendste vormen zijn de nooit ophoudende stroom van
gesprekken op de IRC-kanalen en de duizenden discussielijsten van Usenet.
Er bestaan twee verschillende discussiewijzen: de rechtstreekse discussie (bv. IRC),
en discussie 'in uitgesteld relais' (bv. Usenet). Bij beide zijn de deelnemers geografisch
verspreid, en beide zorgen dus voor mobiliteit in ruimte. Maar bij de eerste zijn
alle discussiepartners gelijktijdig aangesloten, en verloopt de discussie als was
het een gwoon gesprek. Deze rechtstreekse communicatie is niet echt geschikt voor
een diepgaande discussie, aangezien iedereen maar wat door mekaar kan zitten praten.
Bij de tweede vorm, die we asynchrone communicatie kunnen noemen, moeten de deelnemers
niet op hetzelfde ogenblik aangesloten zijn, maar kunnen ze de discussie volgen en
eraan deelnemen op het moment dat het hen het beste uitkomt, zonder dat ze daardoor
een deel van de discussie hoeven te missen. Ze kunnen de discussie elk op een ander
tijdstip volgen, en bovendien moet men niet onmiddellijk een antwoord of reactie
geven, waardoor men de feiten beter op een rijtje kan zetten en de materie grondiger
overwegen vooraleer te reageren. Dat kan een kritische discussie enkel ten goede
komen.
De aloude problemen van ruimte (iedereen op eenzelfde plaats kunnen verzamelen opdat
men met elkaar in discussie zou kunnen treden) en tijd (iedereen op hetzelfde tijdstip
bijeenkrijgen) zijn opgelost, omdat netwerkmedia de mobiliteit in ruimte en tijd
hebben mogelijk gemaakt. Die mobiliteit laat bovendien toe dat een veel groter aantal
mensen aan een discussie deelnemen, zonder dat de discussie ontaardt in chaos.
Controle over de agenda
Controle over de agenda bestaat slechts
voor honderd procent wanneer iedereen zaken kan aanbrengen waarover een beslissing
moet genomen worden.Tegenwoordig bestaat er hier en daar petitierecht en de mogelijkheid
om een referendum of volksraadpleging bijeen te roepen. We wezen reeds op de grote
hulp die netwerkmedia bieden bij het mobiliseren van gelijkgezinden, bijvoorbeeld
om de nodige handtekeningen te verzamelen om een volksraadpleging te eisen. Het feit
dat netwerkmedia gedecentraliseerd zijn, vergemakkelijkt het voor elke burger om
een bepaalde zaak naar voor te brengen en op de agenda te krijgen. Het aanbrengen
van een discussie-onderwerp op een nieuwsgroep kan door iedereen gebeuren; 10
het aanbrengen van een agendapunt op de democratische agenda hoeft niet moeilijker
te verlopen.
Inclusiviteit
Elk lid van een samenleving heeft evenveel
recht op deelname aan het besluitvormingsproces. In onze huidige democratie gebeurt
dat door algemene verkiezingen, maar echte inclusiviteit houdt in dat iedere burger
over elke aangelegenheid afzonderlijk kan meebeslissen. Alle hierboven vermelde toepassingen
van netwerkmedia op democratie dragen daartoe bij.
Er rest slechts één probleem: als niemand mag uitgesloten worden van deelname
aan de democratische besluitvorming, dan moet ook iedereen gelijke toegang hebben
tot de netwerkmedia. Helaas is dit niet het geval. Het Internet is nog lang niet
alomtegenwoordig en wereldomvattend, maar blijft een speeltje van de rijkeren en
van de intellectuelen. Zolang niet iedereen gelijke toegang heeft tot het medium,
zal het verbeteren van de democratie door netwerkmedia slechts een droom blijven.
Eindnoten
1 Voor de bespreking van de betekenis van de term
‘democratie’ baseer ik mij vooral op DAHL, Robert A., Democracy and it’s critics.
New Haven, Yale university Press, 1989. Zie voor een korte samenvatting ook DAHL,
Robert A., A preface to economic democracy. Berkeley and Los Angeles, University
of California Press, 1985, pp.56-62.
2 Zie bijvoorbeeld DAHL, Robert A., Polyarchy. Participation
and opposition. New Haven and London, Yale University Press, 1971.
3 'Zender' en 'ontvanger' zijn vaktermen uit de communicatiewetenschappen.
Met zender bedoelt men degene die bij het communiceren een boodschap overbrengt,
met ontvanger duidt men degene aan die de boodschap opvangt. De boodschap omvat alles
wat de zender verzendt, in tekst, tekeningen of andere signalen (bv. mimiek, body-language,
kledij). Een zender kan bijvoorbeeld slaan op een journaallezer, een priester op
de preekstoel, een vader die zijn zoon berispt, de ontwerper van een reclame-affiche,
of zelfs een schaars geklede jongedame die de aandacht van de jongens trekt. Een
ontvanger is dan respectievelijk een televisiekijker, een gelovige in de kerk, een
stoute zoon, een automobilist in de file, en een bende jongens die kwijlend toekijkt.
De boodschap bestaat in die gevallen uit een verkiezingsuitslag in Belgrado, een
parabel van de verloren zoon, ongenoegen over een gebroken vaas, de heerlijke smaak
van een flesje alcohol, en een diepe decolleté.
4 Een aantal van deze kenmerken heb ik overgenomen
uit TOFFLER, Alvin, De nieuwe machtselite. Wie krijgen in onze veranderende wereld
de macht? Antwerpen, L.J.Veen, pp.363-368.
5 CAWKELL, Tony, The multimedia handbook. London and
New York, Routledge, 1996, p.3.
6 Voor een duidelijke beschrijving van hypertext,
zie o.a. RADA, Roy, Interactive media. New York, Springer-verlag, 1995, pp.21-47;
en LANDOW, George P., “What’s a critic to do? Critical theory in the age of hypertext”,
in: LANDOW, George P., (ed.), Hypertext theory. Baltimore and London, The Johns Hopkins
Press, 1994, pp.1-48.
7 Zie ook McLEAN, Iain, Democracy and new technology.
Cambridge, Polity Press, 1989.
8 Een prachtig voorbeeld wordt geleverd door Dirk
Deckx met Het verkeersreglement in België, http://www.club.innet.be/~mon00466/verkeer/
9 Sommige van deze gesprekken zijn gelogd en kan men
nog steeds terug vinden op http://sunsite.unc.edu/pub/academic/communications/logs/Gulf-War/
10 Meer informatie over het oprichten van nieuwsgroepen
is te vinden bij Usenet Volunteer Votetakers, http://www.uvv.org/
Woordenlijst
IRC: Internet relay Chat, een soort van virtuele ontmoetingsplaatsen
waar mensen uit de hele wereld live met mekaar kunnen communiceren via getypte tekst.
De kanalen hebben allemaal een naam die een aanduiding geeft over de inhoud van wat
er besproken wordt.
Usenet wordt gevormd door een netwerk van nieuwsgroepen.
Usenet bestaat uit een wereldwijde uitwisseling van e-mail naar nieuwsgroepen die
allemaal over een bepaald onderwerp gaan.
MUD staat voor Multiple User Dungeons. Dat zijn virtuele
werelden die volledig gebaseerd zijn op tekst. Een MUD is een computerprogramma waarin
tekstueel een wereld wordt beschreven en waarin je je kan bewegen via commando’s
als ‘ga naar’ en ‘kijk’ en waar je met de aanwezige personen kan spreken via het
toetsenbord. Een soort van geavanceerd IRCwereldje. Meer informatie vindt u op http://zoomoo.dma.be/~zoo
Verdere literatuur
Wie meer wil te weten komen over democratie, netwerkmedia, en hun onderlinge relatie,
verwijs ik graag door naar DE GENDT, Maarten, Netwerkmedia: een nieuwe impuls voor
politieke democratie? http://studwww.rug.ac.be/~mdegendt/scriptie/
CAWKELL, Tony, The multimedia handbook, London and New York, Routledge, 1996.
DAHL, Robert A., Democracy and it’s critics, New Haven, Yale university Press, 1989.
DAHL, Robert A., A preface to economic democracy, Berkeley and Los Angeles, University
of California Press, 1985.
DAHL, Robert A., Polyarchy. Participation and opposition, New Haven and London, Yale
University Press, 1971.
LANDOW, George P., (ed.), Hypertext theory, Baltimore and London, The Johns Hopkins
Press, 1994.
McLEAN, Iain, Democracy and new technology, Cambridge, Polity Press, 1989.
RADA, Roy, Interactive media, New York, Springer-verlag, 1995.
TOFFLER, Alvin, De nieuwe machtselite. Wie krijgen in onze veranderende wereld de
macht?, Antwerpen, L.J.Veen.
|