|
Jo Deferme
Op het eerste gezicht hebben postmodernisme
en fin de siècle misschien niet zoveel met elkaar te maken. Postmodernisme is
immers een vrij recente term die (onder andere) een moreel en artistiek alles-kan-gevoel
weergeeft. Fin de siècle (einde van een eeuw) daarentegen wordt meestal gebruikt
om het klimaat van verval en machteloosheid aan het einde van de negentiende eeuw
te typeren. Maar nu het einde van de twintigste eeuw nadert, leven ook wij in een
soort van ‘fin de siècle’, en dus kon een eigentijdse invulling van dat begrip
natuurlijk niet uitblijven.
Soms wordt in dat verband aan het postmodernisme gedacht 1.
Door de terminologische onduidelijkheid die zowel fin de siècle als postmodernisme
kenmerkt, valt echter moeilijk te bepalen in welke mate er een band tussen beide
kan zijn. Vast staat wel dat het postmodernisme de voorbije jaren meer dan eens onder
vuur kwam te liggen, zodat de vraag rijst of het fin de siècle van deze eeuw
ook niet het einde zal inluiden van één van haar meest recente modefilosofieën,
het postmodernisme.
In dit artikel worden twee aspecten van het postmodernisme behandeld. Ten eerste
worden evolutie en kenmerken geschetst, zodat deze tekst ook fungeert als een soort
van inleiding op de andere artikels over postmodernisme in dit dossier. Daarna volgt
een bespreking van twee recente kritieken op het postmoderne gedachtengoed.
Hoe het groeide: William Shakespeare meets Ginger Spice
De term ‘postmodern’ vond zijn oorsprong in de jaren ‘30 van deze eeuw. Hij werd
in 1934 gebruikt door Frederico de Oniz, in 1942 door Dudley Fitts en in 1947 door
Arnold Toynbee. Maar telkens ging het om een betekenis die niets te maken had met
de actuele interpretatie van ‘postmodernisme’ 2.
Eén van de eerste broeihaarden van het eigenlijke postmodernisme ontwikkelde
zich in de jaren ‘60 in de literatuurwetenschap van figuren als Leslie Fiedler en
Susan Sontag. Vanaf de jaren ‘70 verspreidde het postmoderne zich ook naar andere
domeinen van de cultuur. Zo kon je het label postmodern stilaan ook aantreffen in
de wereld van dans en architectuur, en later ook in de sociale wetenschappen 3.
Uiteindelijk bleef zelfs de fysica van de kleinste deeltjes (kwantumfysica) geen
onontgonnen terrein voor de postmodernistische denkers.
Wat houdt de term postmodernisme dan precies in? Hoewel het bijzonder moeilijk is
om daarover algemene bepalingen te geven, is één van de meest fundamentele
filosofische kenmerken waarschijnlijk het relativisme. Volgens het relativisme is
alles wat we weten relatief. Geen enkele kennis of waarde mag nog als absoluut beschouwd
worden. Fundamentele waarden of ideologieën die ooit houvast boden, worden in
vraag gesteld. Het postmodernisme wordt gekenmerkt door een diep wantrouwen in de
grote ordenende principes als religie, politiek, wetenschap, kunst en door een radicale
twijfel aan de kenbaarheid van alles wat is 4.
De positie waarin de mens zich dan bevindt, noemt men met Lyotard de ‘condition postmoderne’.
Er wordt geen geloof meer gehecht aan de zogenaamde meta-vertellingen 5,
elementen zoals bijvoorbeeld het christendom die ons leven en denken zijn fundamentele
structuur of verantwoording geven. Ook wordt er gebroken met de rationalistische
traditie van de Verlichting. Typisch westerse opvattingen over rede en rationaliteit
worden van hun voetstuk gehaald.
Andere beschavingen of culturen moeten beoordeeld worden op hun eigen waarde, en
niet volgens de traditioneel superieur geachte westerse normen. Iedereen kan van
iedereen leren. Dat geldt niet alleen voor culturen, maar ook voor kunstvormen en
wetenschapsbeoefening. In verband met die laatste twee huldigen postmodernisten vaak
een zogenaamd interdisciplinaire aanpak. Dat betekent dat verschillende kunstvormen
met elkaar gecombineerd kunnen worden en dat verschillende takken van de wetenschap
(bijvoorbeeld filosofie en fysica) van elkaar dienen te leren.
Om de term ‘postmodernisme’ goed te begrijpen, is het nodig een idee te krijgen van
zijn relatie met het ‘modernisme’. Het voorzetsel ‘post’ lijkt immers te suggereren
dat het hier gaat om iets wat nà het modernisme komt. Vaak wordt er eindeloos
gediscussieerd over de vraag of het postmodernisme een vervolmaking van het modernisme
is, dan wel een verwerping ervan. Sommigen, zoals ‘godfather’ Lyotard, drijven het
terminologische spel zelfs zo ver dat ze het postmodernisme laten voorafgaan aan
het modernisme 6. Dat debat zou ons echter veel te ver leiden.
Het verschil tussen modernisme en postmodernisme kan geïllustreerd worden aan
de hand van twee voorbeelden. Ten eerste is het in postmoderne kringen erg ‘in’ om
modernisme en postmodernisme te vergelijken aan de hand van begrippenparen. Rationalisme/emotie
vormt bijvoorbeeld zo’n begrippenpaar, waarbij het modernisme gekenmerkt wordt door
rationalisme en het postmodernisme door emotionaliteit. Traditioneel citeert men
dan meestal de termen van Ihab Hassan, maar die blinken niet altijd uit in helderheid.
De volgende tegenstellingen, gebaseerd op een begrippenlijst van Gust de Meyer, kunnen
meer duidelijkheid brengen. In het algemeen plaatste het modernisme rationaliteit
boven emotie, terwijl in het postmodernisme emotionaliteit en plezier juist meer
gewaardeerd worden dan rationaliteit. Wat de zogenaamde levensbeschouwing betreft,
geloofde het modernisme nog in de grote ideologieën (in de politiek bijvoorbeeld
liberalisme en socialisme), terwijl het postmodernisme meer waarde hecht aan kleine,
individuele verhalen. In verband met morele aangelegenheden aanvaardden de modernisten
opgelegde waarden, terwijl de postmodernisten inzake waarden meer heil zien in de
persoonlijke beslissingsvrijheid. In de culturele wereld maakte het modernisme nog
een onderscheid tussen hoge en lage cultuur; het postmodernisme weigert een hiërarchie
te aanvaarden en vermengt de beide zelfs 7.
Voor postmodernisten hoeven de Spice Girls niet onder te doen voor William Shakespeare.
Ten tweede kunnen de opvattingen van enkele twintigste-eeuwse kunstvormen wat meer
duidelijkheid brengen. Modernistische stromingen als futurisme en surrealisme drukten
een gevoel van chaos en onzekerheid uit. De kunstenaar worstelde met zijn eigen bestaan
en zijn kunst. Toch probeerden modernisten nog tot een zekere zingeving te komen.
Men deed met andere woorden nog moeite om technieken te vinden om aan de onzekerheid
en het chaosgevoel te ontsnappen. Dat gebeurde respectievelijk door het opwaarderen
van de moderne techniek (futurisme) of van de wereld van droom en fantasie (surrealisme).
Postmoderne kunstenaars verzetten zich niet meer tegen de chaos, maar laten zich
gretig overspoelen door de veelzijdigheid die ze biedt 8.
Talloze auteurs uit heel verschillende disciplines zijn als postmodernistisch bestempeld,
maar die vlag kan een heel erg verschillende lading dekken. Door die veelzijdigheid
zou het misschien beter zijn om niet te spreken over ‘het’ postmodernisme. Ook met
de evolutie die het begrip heeft doorgemaakt, moet rekening gehouden worden. Toch
zijn er kritieken geformuleerd die een aantal gemeenschappelijke kenmerken meenden
te kunnen aanklagen.
Babelse spraakverwarring
Wanneer de zogenaamd postmoderne theoretici aangevallen worden, kan dat onder
andere te maken hebben met hun bijzonder ingewikkeld taalgebruik enerzijds, en hun
verregaande voorkeur voor filosofisch relativisme en wetenschappelijk interdisciplinarisme
anderzijds. Ter illustratie daarvan zullen hier twee kritieken behandeld worden:
een ludieke parodie van Stephen Katz op het taalgebruik van de postmodernisten en
een ophefmakend boek van Bricmont en Sokal over postmoderne denkers en de (natuur)wetenschap.
Stephen Katz, sociologieprofessor in Ontario, plaatst het postmodernisme in de context
van consumptiemaatschappij en globale media. Anderzijds erkent hij ook de veelzijdigheid
van het fenomeen en spreekt over de verschillende routes die postmodernisten kunnen
kiezen naar het volgende millennium. Toch is Katz de mening toegedaan dat de vernieuwingen
van het postmodernisme niet zozeer inhoudelijk, maar veeleer louter linguïstisch
zijn. Om zijn stelling op een ludieke manier kracht bij te zetten, geeft hij op zijn
site een blitzcursus in postmodern taalgebruik. De basis houdt in dat je moet proberen
zo ingewikkeld en onduidelijk mogelijk te spreken. Om dat doel te bereiken, vormt
het gebruik van zoveel mogelijk voorvoegsels, achtervoegsels en liggende streepjes
een middel dat je al een heel eind op weg helpt. Op die manier komt Katz tot de meest
potsierlijke zinswendingen om heel eenvoudige gedachten uit te drukken. Wanneer een
doorwinterd postmodernistisch spreker het antwoord op een vraag moet schuldig blijven,
zal hij volgens Katz niet gewoon zeggen "I don’t know". De kans is veel
groter dat hij het volgende juweeltje tevoorschijn tovert - om het effect niet te
laten verwateren, is de tekst niet vertaald.
"The instability of your question leaves me with several contradictorily layered
responses whose interconnectivity cannot express the logocentric coherency you seek.
I can only say that reality is more uneven and its (mis)representations more untrustworthy
than we have time here to explore" 9
Natuurlijk vormt Katz‘ tekst niet veel meer dan een parodie op de moeilijkdoenerij
die hij aan vele postmodernisten toeschrijft. Een moeilijkdoenerij die dan moet verhullen
dat zogenaamd postmodernistische vernieuwingen eigenlijk het niveau van een taalspel
niet overstijgen. Dat postmodernistische opvattingen wel degelijk bestaan en zelfs
ernstige gevolgen kunnen hebben, is geopperd en bediscussieerd in wat de affaire-Sokal
is gaan heten.
Intellectueel bedrog
De hele zaak barstte los in de lente van 1996, met de publicatie van het artikel
"Transgressing the Boundaries: Toward a Transformative Hermeneutics of quantum
gravity". De auteur, New Yorks fysicaprofessor Alan Sokal, was niet alleen geïrriteerd
door de moeilijkdoenerij en het verregaande relativisme dat de humane wetenschappen
in Amerika domineerde, maar vooral door de neiging van vele humane wetenschappers
om ook de natuurwetenschappen bij hun filosofieën te betrekken.
Aanleiding voor Sokals artikel was de postmodernistische stelling dat de sociale
realiteit niets meer was dan een sociale of zelfs maar linguïstische constructie.
Daarop voortbouwend, stelde Sokal dat ook de fysische realiteit gewoon een sociale
en linguïstische constructie was. Met andere woorden, de manier waarop we ons
de fysieke wereld voorstellen, wordt niet zozeer bepaald door die fysieke wereld
zelf, maar wordt in hoge mate beïnvloed door de maatschappij waarin we leven
of door de taal die we spreken. Sokals uiteindelijke conclusie luidde dat principes
als Euclides’ ‘pi’ en Newtons ‘G’, die algemeen als constant en universeel
aanvaard werden, ook in hun historiciteit bekeken moesten worden. Ze waren met andere
woorden vergankelijk 10.
Het artikel was als parodie bedoeld, maar werd toch aanvaard en gepubliceerd door
de redactie van het gerespecteerd wetenschappelijk tijdschrift Social Text.
Volgens Sokal zelf is dat vooral belachelijk als je de inhoud van de tekst aandachtig
bekijkt. Zijn betoog vormde immers niet veel meer dan een aaneenrijging van citaten
van gerespecteerde postmodernisten. Hijzelf diende naar eigen zeggen alleen wat cement
toe te voegen 11. Met andere woorden, om aan te tonen hoe belachelijk
de natuurkundige opvattingen van enkele postmodernisten waren, volstond het die ideeën
gewoon op een rijtje te zetten.
Om zijn stelling kracht bij te zetten, bracht Sokal in oktober 1997 samen met zijn
Belgische collega Jean Bricmont een boek uit. Het kreeg de veelzeggende titel Impostures
intellectuelles mee en diende als uitwerking van de kritiek op grote postmodernistische
namen als Jacques Lacan, Julia Kristeva en Jean Baudrillard. Het precieze doel van
het boek bestond erin enkele welbepaalde misbruiken aan te klagen. Ten eerste kon
het volgens de auteurs niet door de beugel dat sommige postmodernisten er niet voor
terugschrikken wetenschappelijke theorieën aan te wenden waarvan ze absoluut
geen kaas gegeten hebben. Verder klaagden ze aan dat er vaak noties uit de exacte
wetenschappen zomaar toegepast worden in de humane wetenschappen, zonder dat daarvoor
ook maar de minste rechtvaardiging gegeven wordt. Daarnaast wezen ze erop dat postmodernisten
soms een enorme intellectuele ontwikkeling veinzen, terwijl ze eigenlijk niets meer
doen dan de lezer bestoken met zoveel mogelijk (liefst moeilijke) woorden. Een gelijkaardige
kritiek hebben we overigens al aangetroffen in de tekst van Stephen Katz. Ten slotte
vonden Bricmont en Sokal ook dat postmodernisten vaak ernstige discussies herleiden
tot taalspelletjes zonder inhoud 12.
Belangrijk is wel dat men zich ervan bewust is dat de kritiek van Bricmont en Sokal
niet alleen van toepassing is op het schaamteloos mengen van exacte en humane wetenschappen,
maar ook op het relativisme als algemene theorie. Sokal en Bricmont willen uiteindelijk
de rede in ere herstellen als waardevol instrument, al was het maar omdat een doorgedreven
relativisme tot absurde situaties kan leiden. Het meest frappante voorbeeld dat in
het boek wordt aangehaald, behandelt de gevolgen die het relativisme kan hebben in
politieke aangelegenheden, meer bepaald in de zaak-Dutroux. Nadat magistrate Doutrèwe
en rijkswachter Lesage elkaar flagrant hadden tegengesproken, legde een journalist
aan Luiks communicatie-antropoloog Winkin de vraag voor of de waarheid eigenlijk
wel bestaat. Daarop vatte de hoogleraar een bijzonder geleerd betoog aan, waaruit
duidelijk af te leiden viel dat men ook in deze zaak niet te gauw over een absolute
waarheid mocht spreken 13. Een bizarre aanfluiting van het gezond verstand
in deze toch al zo gevoelige zaak.
Eerlijkheidshalve moet aan dat alles wel toegevoegd worden dat Sokal en Bricmont
de postmodernisten nu ook weer niet willen beladen met alle zonden van Israël.
Het boek vermeldt immers ook auteurs die dezelfde fouten als de postmodernisten maakten,
maar dan vele jaren eerder. Zo zou ook de filosoof Bergson al in het eerste kwart
van deze eeuw gedweept hebben met Einsteins relativiteitstheorie, zonder daarbij
gehinderd te worden door een goed begrip van die theorie 14.
Daarnaast gunnen Bricmont en Sokal de postmodernisten zelfs enkele verdiensten, bijvoorbeeld
het feit dat ze komaf gemaakt hebben met het meerderwaardigheidsgevoel van de Europeanen
(eurocentrisme). De auteurs verzetten zich in de eerste plaats tegen doorgedreven
varianten van postmoderne opvattingen 15.
Onnodig te vermelden dat het boek heel wat stof deed opwaaien. Een recensie in de
Standaard der Letteren droeg niet voor niets de titel ‘Bom op Parijs’ 16.
Parijs werd doorgaans immers beschouwd als het intellectuele mekka van het postmodernisme.
Toch bleef de affaire-Sokal niet louter academisch. Elk zichzelf respecterend tijdschrift
wijdde een recensie aan het boek en elke zichzelf respecterende krant gaf commentaar
op de hele zaak. Ook op het Internet werd uitgebreid over de zaak bericht 17.
Herfsttij?
Net zoals het postmodernisme een veelzijdig fenomeen vormt, heeft ook de kritiek
erop vele gezichten. Katz zag in de postmoderne vernieuwingen nauwelijks meer dan
een taalspelletje voor intellectuelen. Bricmont en Sokal daarentegen hadden meer
problemen met de zogenaamde postmodernisten en hun opvattingen. Ten eerste zetten
ze zich af tegen een ongebreideld interdisciplinarisme. Met andere woorden, theorieën
uit de exacte wetenschappen mag je niet zomaar mag aanwenden in de humane wetenschappen.
Verder verwierpen ze het (kennis)relativisme, en bevestigden ze opnieuw de waarde
van rede en rationaliteit.
Voor anderen blijft het postmodernisme een filosofie die het huidige geestesklimaat
uitstekend verklaart en weerspiegelt. Aan de vooravond van de millenniumwende blijft
het debat over het postmodernisme in elk geval levendig.
Eindnoten
1 S.W. Couwenberg, "Fin de siècle. (Post)moderne
tijdgeest op de drempel van de 21e eeuw".
2 Hans Bertens, "The Postmodern Weltanschauung
and its Relation with Modernism: An Introductory Survey", p.11.
3 Noëll Carroll, "The Concept of Postmodernism
from a Philosophical Point of View", p.92.
4 Hendrik Van Gorp e.a., Lexicon van literaire termen,
p.322.
5 Jean-François Lyotard, La condition postmoderne:
Rapport sur le savoir, p.26.
6 Noëll Carroll, "The Concept of Postmodernism
from a Philosophical Point of View," p.92.
7 Gust de Meyer, Grensgevallen in media, wetenschap
en cultuur, p.69.
8 Hans Bertens, "The Postmodern Weltanschauung
and its Relation with Modernism: An Introductory Survey", p.28.
9 http://physserv1.physics.wisc.edu/shalizi/how-to-talk-postmodern.html
10 Alan Sokal en Jean Bricmont, Impostures intellectuelles,
p.12.
11 id., p.13.
12 id., p.14-15.
13 id., p.95.
14 id., p.165.
15 id., p.186.
16 Peter Graller, Bom op Parijs, p.1.
17 voor een overzicht zie: http://www.physics.nyu.edu/faculty/sokal
Literatuurlijst
Bertens, Hans, "The Postmodern Weltanschauung and its Relation with Modernism:
An Introductory Survey", in: Hans Bertens, Douwe Fokkema (eds.), Approaching
Postmodernism, Amsterdam, John Benjamins Publishing Company, 1986, p.9-51.
Bertens, Hans, "The Sociology of Postmodernity", in: Hans Bertens, Douwe
Fokkema (eds.), International Postmodernism. Theory and Literary Practice, Amsterdam,
John Benjamins Publishing Company, 1997, p.103-118.
Carroll, Noëll, "The Concept of Postmodernism from a Philosophical Point
of View", in: Hans Bertens, Douwe Fokkema (eds.), International Postmodernism.
Theory and Literary Practice, Amsterdam, John Benjamins Publishing Company, 1997,
p.89-102.
Couwenberg, S.W., "Fin de siècle. (Post)moderne tijdgeest op de drempel
van de 21e eeuw", in: Civis Mundi, 37e jg, nummer 2 (april 1998), p.51-59.
De Meyer, Gust, Grensgevallen in media, wetenschap en cultuur, Leuven, Garant, 1998.
Den Hollander, Jaap en Tity de Vries, "De vervagende contouren van de moderne
cultuur", in: Doeko Bosscher e.a. (eds.), De wereld na 1945, Utrecht, Het Spectrum,
1996, p.137-180.
Graller, Peter, "Bom op Parijs", in: De Standaard der Letteren, 27 november
1997, p.1-3.
Jameson, Fredric, "Postmodernism and Consumer Society", in: E. Ann Kaplan,
Postmodernism and its Discontents. Theories, Practices, Londen, Verso, 1988, p.13-29.
Lyotard, Jean-François, La condition postmoderne: Rapport sur le savoir, Parijs,
Editions de Minuit, 1979.
Janssens, Marcel, "Hoe word je postmodern?", in: De Standaard der Letteren,
zaterdag 28, zondag 29 mei 1994, p.4.
Katz, Stephen, "How to speak and write postmodern", http://physserv1.physics.wisc.edu/shalizi/how-to-talk-postmodern.html
Sokal, Alan, Jean Bricmont, Impostures intellectuelles, Parijs, Editions Odile Jacob,
1997.
Van Gorp, Hendrik e.a., Lexicon van literaire termen, Leuven, Wolters, 1986.
http://www.physics.nyu.edu/faculty/sokal
|