Hoe postmodern is de postmoderne mediacultuur?
Over reality-televisie en de mediabiecht

Click hier om de tekst als rft te downloaden


Prof. Dr. Gust De Meyer



In 'een woord vooraf' bij zijn artikel in het 'Liber Amicorum James Stappers' maakt Fauconnier (1996) enkele bedenkingen bij de wetenschappelijke plicht tot publiceren. Hij wijst er op hoe citeren en voetnoten plaatsen voor sommigen gaat boven de inhoud van hun wetenschappelijke gewrochten en eigenlijk alleen maar dient om indruk (en carrière) te maken. 'Ouder geworden en wijzer, zo wordt mij gezegd, en een tikkeltje cynischer' komt hij tot de vaststelling dat 'het orthodoxe wetenschappelijke discours, naast vele voordelen, ook schaduwkanten heeft. Vandaar dat deze tekst ... in essay-vorm gesteld is. Dat heet, zonder voetnoten, zonder empirisch-statistisch materiaal, zonder literatuurlijst en met veel 'kleurwoorden'. Kortom: het plezier van de doodzonde ...
In deze bedenking worden attitudes aangewezen die voor typisch postmodern doorgaan: vorm boven inhoud, plagiëren en citeren, vermenging van genres. De nu volgende tekst zou eveneens postmodern genoemd kunnen worden - ook al zullen er juist vraagtekens gezet worden bij het postmoderne karakter van de hedendaagse beeldcultuur - in die zin dat ook deze tekst geschreven is in de schemerzone tussen essay en wetenschappelijk artikel.

POSTMODERN

Tot voor kort diende iedere zichzelf respecterende wetenschapper, trendbewuste journalist of intellectuele tooghanger regelmatig de term 'postmodern' te laten vallen ten einde serieus te worden genomen. Niet dat de genoemde wetenschapper, journalist of tooghanger altijd precies wist wat dat trendy modewoord dan wel betekende. Ze waren zo’n beetje gewend er hun eigen betekenissen aan te geven. Zo dachten ze het allemaal over hetzelfde te hebben terwijl ze in feite totaal langs elkaar heen aan het praten waren. Misschien was deze eensluidende kakofonie nog wel het enige dat de term postmodern echt verdiende. Wie tegenwoordig nog voor de dag komt met de term, dreigt als een beetje passé over te komen. Sterker nog, op dit moment zou het postmodernisme al op zijn retour zijn. Dat heeft niet alleen te maken met de natuurlijke slijtage die inherent is aan trendy begrippen, maar misschien ook met het inzicht dat veel van wat voor postmodern moet doorgaan, in feite heel gewoon modern is. Ik zal dat proberen aan te tonen voor wat betreft onze hedendaagse mediacultuur.

Volgens Strinati (1995) zijn vooral de volgende betekenisclusters relevant bij de definitie van postmodernisme: het opheffen van het onderscheid tussen cultuur en maatschappij, de nadruk op stijl ten koste van inhoud, het verdwijnen van het onderscheid tussen hoge en lage cultuur, de vervaging van tijd en ruimte en de teloorgang van de metaverhalen. Met uitzondering van de laatste betekeniscluster, waarop ik naar het einde toe evenwel nog terugkom, zal ik dit alles proberen toe te passen op de media. Ik voeg aan de vier genoemde betekenissen meteen nog een vijfde toe, namelijk de vermenging van programma's en genres.


HET OPHEFFEN VAN HET ONDERSCHEID TUSSEN CULTUUR EN MAATSCHAPPIJ

Postmodernisme zou wijzen op de opkomst van een sociale orde waarin de media alle andere vormen van sociale relaties kneden. De media zouden ons realiteitsbewustzijn domineren en ook de manier waarop we onszelf daarin definiëren. Ooit is gezegd dat de media de werkelijkheid weerspiegelden. Nu zou die werkelijkheid nog enkel gereflecteerd worden door de oppervlakteweerspiegelingen van de spiegel. Vroeger werd aangenomen dat de mediamieke spiegel van de realiteit wel eens verstoord kon worden, dat de realiteit niet altijd correct weerspiegeld werd in de media. Nu zegt men dat dit niet eens meer aan de orde is: wanneer men vroeger sprak van vervormde weerspiegeling, dan impliceerde zulks tenminste dat er nog een realiteit buiten de media bestond. De spiegel zelf zou nu de enige realiteit zijn die nog rest. Men zegt dat de maatschappij is opgegaan in de media. De band tussen media en de werkelijkheid is teloorgegaan. De media zouden alleen nog maar een realiteit simuleren. De werkelijkheid zou geïmplodeerd zijn in de media.
Maar is dat wel zo? Afgezien van het BRT-programma Schalkse Ruiters dat rond de thematiek van het nog moeilijk te onderscheiden gebied van realiteit en fictie is opgebouwd, moeten we ons afvragen of de ‘echte’ realiteit dan inderdaad een fictie is geworden. Als de werkelijkheid opgezogen zou zijn door de media, hoe zouden we dan nog kunnen weten dat die implosie heeft plaatsgevonden? In elk geval niet meer door de media, want die zouden de realiteit vervangen hebben door een simulacrum. De media zijn, met andere woorden, belangrijk, maar nu ook weer niet zo belangrijk. Er is ook nog altijd gezin en opvoeding, school en werk, en ook religie als bemiddelaars van de realiteit. Net als al deze laatste bemiddelt televisie trouwens de realiteit zonder ze tussen haakjes te zetten. Het gaat nog altijd om televisie, slechts televisie. Gelukkig maar. De kijker weet heus nog wel goed wat reëel is en wat niet.
Er wordt wel eens gezegd dat televisie alleen nog maar dienst doet als vlucht-mogelijkheid of vergeetmachine van de realiteit. Waar niets op tegen kan zijn: mensen hebben altijd al middelen gezocht om even - voor een tijdje - aan de realiteit te ontsnappen. Maar het is goed te bedenken dat in de televisievlucht nooit de band met de realiteit helemaal wordt losgelaten. Zelfs in het fictieaanbod dat het verst van de realiteit staat, weet de kijker voortdurend terug te koppelen naar zijn eigen leven en de wetten die het leven dicteren van alle mensen in alle tijden.
Tegenover de opheffing van het onderscheid tussen cultuur en maatschappij, tegenover de idee dat de realiteit vervangen zou zijn door een simulacrum van die realiteit, moeten we daarentegen constateren dat de realiteit meer en meer rechtstreeks aanwezig is op televisie, in zogeheten realityshows en emotionele televisie. Wat is hier aan de hand? Gaat het hier om een paradox? Ondanks de toenemende simulering van de realiteit, wordt er steeds meer 'uit het leven gegrepen'. Of gaat het hier om een schijnbare paradox? Het zogenaamde echt getoonde leven zou dan ook maar een simulatie zijn van wat het leven echt betekent. Het echt getoonde leven is immers, net als een film, geënsceneerd. Inmiddels is duidelijk dat zelfs de meest documentaristische camerahandeling en montage manipulatie impliceert. Eveneens is duidelijk dat openbare biechtprogramma's geënsceneerd zijn: men zou immers de biechteling en de biechthoorders reeds in de schminkkamers tot een verzoening kunnen laten komen in plaats van op het scherm. Sinds dat allemaal duidelijk is, weten wij dat zelfs de meest realistische televisie geen exacte weerspiegeling meer is van de realiteit, maar voor een stuk illusie. De kritiek zegt dan : 'zelfs als het echt is, is het nog niet echt'. Maar waar slaat deze kritiek op? Wellicht moeten we ons niet blijven blindstaren op de enscenering van de realiteit, zoals die ook bij emotionele televisie plaatsvindt. Wellicht is deze geënsceneerde realiteit in staat het leven, vooral de emotionele kant ervan, te weerspiegelen. Net als puur geënsceneerde fictionele beelden. Toegegeven: net zoals de filmregisseur ons leidt naar een emotioneel hoogtepunt, leidt de regisseur van openbare biechtprogramma's ons naar een niet te onlopen ontlading. Maar er is meer aan de hand. Bij de emotelevisie gaat het niet om acteurs en een min of meer kunstzinnige producten die ons via een omweggetje moeten ontroeren waar overigens niets op tegen is, integendeel maar om echte mensen in reële situaties. En dat voelt onwennig aan voor wie al lang niet meer gewend is met echte emoties te leven.
Dat televisie niets dan simulatie zou zijn, maar dat we desalniettemin geconfronteerd worden met reële mensen en situaties, is dus niet alleen geen schijnparadox maar evenmin gewoon een paradox. Men zou de zaken ook kunnen omkeren door te stellen dat televisie wellicht veel minder simuleert dan de kritiek wil doen geloven, dat, zelfs als ze niets te maken schijnt te hebben met de realiteit, ze toch wel degelijk zeer reële emoties kan vertolken. In die zin slaat de kritiek 'de wereld van de televisie is helemaal niet de echte wereld' de bal mis. Wellicht gaat onder deze irreële televisiewereld van de oppervlakte een realiteit schuil die op het dieperliggende, emotionele vlak wel zeer reëel kan zijn voor de kijkers. Televisie, ook al lijkt zij irreëel, is altijd bezig met reële waarden en emoties. Ook al verschilt de televisiewereld van de reële wereld - denk aan de soaps met de mooie vrouwen en de snelle wagens, die voor de gewone sterveling wel altijd 'een droom zullen blijven' - op dieperliggende betekenislagen kaart zij de problemen aan waar ieder van ons mee te maken heeft. Ook al verschilt emotietelevisie van de reële wereld - de gewone sterveling wordt in zijn reële leven wellicht niet met zo'n hoop ellende of ontroering geconfronteerd in zo korte tijd en op zoveel vlakken - op dieperliggende betekenislagen raakt ze eens temeer ons aller emotieleven. En ze doet dat bovendien op een zeer socialiserende, soms bijna educatieve manier. Televisie in het algemeen en emotietelevisie in het bijzonder herinnert ons er, bijvoorbeeld, aan dat wij ons in het dagelijks leven moeten gedragen als kind met eerbied voor zijn ouders, als een trouwe echtgenoot, als een solidair mens, een goede buur ... confronteert ons met het feit dat we ons in het dagelijks leven misschien niet meer op die manier gedragen of er niet meer toe komen te zeggen 'het spijt mij'.
Men zou de stelling kunnen verdedigen dat televisie wellicht nog niet ver genoeg is gegaan in haar prille belangstelling voor emotie, echte emotie. Wat de kijker op het scherm ziet, is geen simulatie van emotie; wat hij ervaart, is werkelijke emotie in een parasociale interactie met de mensen op het scherm, mogelijk ook door zich te identificeren met hen of met de situaties waarin ze beland zijn. Het gaat om authentieke gevoelens op het scherm, maar ook bij de kijkers. En dat is nieuw. Vroeger moesten die authentieke gevoelens altijd eerst vertaald worden in een fictioneel programma of in een film, om van daaruit weer te kunnen worden opgepikt door de kijker. Nu kan de kijker ze rechtstreeks plukken van het scherm. Maar waarom zouden nietverzonnen gevoelens niet even authentieke reacties kunnen oproepen? Mogen de kijkers eindelijk niet eens zelf beslissen of ze zich laten ontroeren, en niet meer door een ingreep van een regisseur (waar overigens evenmin iets op tegen is)?
Men zegt wel eens dat biechtelingen tegen zichzelf beschermd moeten worden. En critici beweren plaatsvervangende schaamte te voelen wanneer ze hun biecht aanhoren. Maar de biechtelingen zelf voelen zich doorgaans niet onheus behandeld. Misschien zijn het dus de critici zelf die opnieuw moeten leren leven met emotie. In het pretelevisie tijdperk, in de dorpsgemeenschappen rond de kerktoren, wist, bij wijze van spreken, iedereen alles over iedereen. Misschien fungeert het televisiescherm tegenwoordig als kerktoren waaromheen de gemeenschap zich verzamelt om elkaar te aanhoren, te berispen, te vergeven, op te voeden tot de waarden van het leven.
Wat betreft het eerste kenmerk van de zogeheten postmoderne beeldcultuur, namelijk dat het onderscheid tussen cultuur en maatschappij zou zijn opgeheven, kunnen we het volgende concluderen: televisie simuleert niet de realiteit, maar heeft het voortdurend over de realiteit, nu eens in een meer fictionele vorm (soaps, bijvoorbeeld), dan weer in een meer realistische vorm als emotietelevisie.


NADRUK OP STIJL IN PLAATS VAN OP INHOUD

We consumeren vandaag de dag, zo stellen critici van het postmodernisme, beelden en tekens omwille van deze symbolen zelf en niet meer vanwege hun bruikbaarheid of vanwege de diepere waarden die ze zouden symboliseren. Het zou gaan om een speurtocht naar de oppervlakteprikkels, het opgaan in een spektakelbombardement van betekenaars zonder betekenisinhoud. De zappende tv-kijker, op zoek naar instant stimulatie, daarbij niet meer bereid tot de ingespannen aandacht voor een diepzinnig verhaal, wordt dan opgevoerd als prototype van de verglijding van inhoud naar vorm. Zelfs wat één en al boodschap lijkt, is gedegradeerd tot spektakel: Greenpeace wordt verweten dat haar boodschap verloren gaat achter de spectaculaire acties die alleen maar worden opgezet omdat het tv-nieuws mooie plaatjes niet kan weerstaan. Een film als 9 1/2 Weeks wordt wel eens voorgesteld als postmodern in zijn belangstelling voor stijl, het oppervlakkige modieuze ten koste van inhoud, van een uitgewerkte verhaallijn en eventueel van een 'boodschapperig' element.
Zelfs onze elementaire behoeften zouden opgenomen zijn in de tekenwereld. Wij zouden niet meer eten, drinken, ons ontspannen ... omwille van de intrinsieke gebruikswaarde van de goederen die we ons aanschaffen, maar alleen omdat die goederen een tekenwaarde hebben. Dit wordt vandaag de dag vaak geïllustreerd aan de hand van de notie ‘lifestyle’. In tegenstelling tot de socio-demografische verankering van vroeger is het mogelijk dat individuen verschillende levensstijlen na elkaar of zelfs tegelijk aanhangen: deftige burger op kantoor en Harley Davidsonrijder in het weekend. Consumptie-objecten worden aangewend als indicators, markers van een levensstijl.
Kortom: ons hele leven, het voedsel dat we eten, de auto die we kopen, de tv-programma's die we kijken: het zou allemaal slechts om ‘fake’ gaan, niet echt, schone schijn, vorm boven inhoud. Maar is dat wel zo? Net zoals we wel degelijk nog consumeren omwille van de gebruiks-waarde van de goederen - hoe beladen ook met tekens, kleding dient nog altijd om zich te beschermen tegen koude en regen - kunnen we televisie om haar nuttigheidswaarde consumeren, zowel voor wat betreft de praktische als de emotionele aspecten in het reële leven.
Bovendien moet het duidelijk zijn dat mensen niet zonder stijl kunnen. Iedereen camoufleert inhoud onder een laagje schone schijn. Net zoals het onmogelijk is niet te communiceren - wie niet communiceert, communiceert in feite dat hij niet wil communiceren - is het onmogelijk zich niet een zekere pose aan te meten. Waar het om gaat, is het gevecht om de legitimiteit van een bepaalde stijl. Is het niet zo dat een bepaalde elite nog steeds denkt dat haar stijl de enige legitieme is? Ze presenteert zich dan graag als verheven boven elke vorm van stijl en alleen maar bekommerd om de inhoud. Maar is dit wellicht geen dubbelzinnige pose, die alleen maar als doel heeft zichzelf af te schermen van de levensstijl van het plebs, in plaats van open te staan voor wat zich werkelijk afspeelt in datgene dat zij zelf tot slechte smaak heeft gedegradeerd?
Het is bij dit alles duidelijk dat, net zoals de mogelijkheid tot goederenconsumptie tot op zekere hoogte afhankelijk blijft van economisch kapitaal, de consumptie van de media een kwestie van cultureel kapitaal blijft. Wie slechts over een karig maandloon beschikt, kan zich geen haute couture of dure auto’s permitteren; wie slechts over een beperkte verwerkingscapaciteit beschikt, beleeft geen genoegen aan media-programma's die deze verwerkingscapaciteit overstijgen.
Gaat er geen visie achter schuil met betrekking tot wat goedkoop vermaak is en wat de goede smaak zou moeten zijn? Zou het niet kunnen dat mensen vandaag de dag hun identiteit zinvol opbouwen met de bouwstenen die door de media aangereikt worden? En het feit dat mensen van de ene in de andere identiteit kunnen stappen, is dat geen pluspunt in vergelijking met vroeger toen mensen op grond van hun afkomst en klasse opgesloten werden in een mogelijk verstikkende identiteit?


VERDWIJNEN VAN HET ONDERSCHEID TUSSEN HOGE EN LAGE CULTUUR

In tegenstelling tot weleer, toen noties als originaliteit, genialiteit, het unieke ... centraal stonden in de hoge cultuur, wordt vandaag de dag naar hartelust gekopieerd, gerecycleerd, geïroniseerd, en niet enkel met creaties van de hoge cultuur maar ook met producten uit de populaire cultuur. Eclecticisme is troef. Er zouden niet langer algemeen aanvaarde criteria bestaan om hoge cultuur te scheiden van lage cultuur. Geheel in de lijn van de vroegere massacultuurcritici wordt dat door velen betreurd, maar door sommigen ook bejubeld: eindelijk zou de onoverbrugbare kloof tussen kunst en kitsch overbrugd zijn.
Maar is dat wel zo? Staat de overbrugging van de kloof tussen hoog en laag niet slechts op de agenda van de ‘happy few’? Het feit dat men blijft spreken over een vermenging van hoog en laag, wijst er op zich al op dat er zoiets als een lagere soort cultuur, een minderwaardiger ook - althans in de ogen van sommigen - blijft bestaan. De lage cultuur mag wel opgeslokt worden door de hoge - en dan slechts tot op een bepaald niveau - maar omgekeerd wordt minder geapprecieerd. Pop art maakt gebruik van populaire items uit het dagelijks leven, maar het wordt wel 'art' genoemd.
Voorts: men kan slechts een postmoderne cultuur omschrijven door deze te onderscheiden van andere vormen van cultuur en daarom zullen de criteria om een oordeel te vellen over culturele producten niet verdwijnen. Ook al wordt dat wel eens gesuggereerd. Er is, met andere woorden, een nieuw vakje bijgecreëerd in plaats van dat er twee - het vakje van de hoge cultuur en het vakje van de lage cultuur - afgeschaft zouden zijn. In plaats van de traditionele hiërarchieën van kunstzinnigheid en goede smaak te ontmantelen, creëert het postmodernisme een nieuwe en plaatst zichzelf bovendien aan de top ervan.
Ook al wordt het vandaag de dag aanvaard dat de elite al eens neerdaalt tot bij het gewone volk, de omgekeerde weg blijft zeldzaam. En misschien hoeven we dat niet eens erg te vinden. In de vermenging van hoog en laag weerklinkt opnieuw het democratiseringsproject van de cultuur. 'Closing the gap' is, zoals gebleken, hopeloos mislukt, alleen al omdat de elite haar cultuur eenzijdig aan de massa heeft willen opdringen. In plaats daarvan doet men er beter aan te onderzoeken hoe het komt dat mensen aan de waardeloze rommel zo'n immens plezier schijnen te beleven. Misschien komen we er dan achter dat dit plezier zeer authentiek kan zijn.
In tegenstelling tot de visie dat we opnieuw in een soort middeleeuws cultuurlandschap zijn beland, kan men de stelling verdedigen dat er opnieuw zoiets bestaat als een gemeenschappelijke cultuur, maar dan één zoals die, althans volgens romantische nostalgici, bestaan moet hebben in de primitieve gemeenschappen. Iedereen is nu ondergedompeld in een gemeenschappelijke populaire cultuur en beleeft er op zijn manier plezier aan. Alleen een hardnekkige minderheid wil dat nog niet zien, of niet toegeven. Want televisie kijken doen ze natuurlijk allemaal.


VERMENGING VAN PROGRAMMA’S EN GENRES

Niet alleen zouden de grenzen tussen hoog en laag vervagen - Helmut Lotti goes classic en Pavarotti maakt een plaatje met U2 en Brian Eno - ook die tussen programma's en genres binnen de al met al goed bewaakte grenzen tussen hoog en laag moeten er aan geloven, aldus de postmoderne kritiek. Een recent voorbeeld van de vermenging van genres op het audiovisuele vlak is het televisiefeuilleton Wild Palms dat een mengeling is van soap, science fiction, strips, Internet en cyberspace en virtuele realiteit. In de film is momenteel het menggenre van de erotische thriller in volle bloei. En dan is er natuurlijk ook nog Pulp Fiction: de titel zelf verwijst al naar het andere kenmerk, namelijk de vermenging van hoog en laag, maar zit bovendien vol citaten uit de filmgeschiedenis en zelfs uit de bijbel; hij speelt met de tijd.
Er zou een vermenging ontstaan zijn tussen informatie en entertainment (infotainment), educatie en entertainment (edutainment). Er is sprake van een spectacularisering van de informatie, van een dramatisering van het nieuws. Naast deze entertainisering van de informatie de zakelijke journalistieke boodschap wordt verpakt in een suggestieve, dramatiserende beeldtaal - is er ook zoiets als de newsification van het amuse-ment: entertainment gebracht in de vorm van informatie in de zogenaamde infotainmentshows, beter bekend als talkshows. Deze lenen journalistieke conventies, als woord en wederwoord in het interview, evenwel niet zozeer om de kijkers te informeren dan wel om anekdotisch de kijkers een tijdje aangenaam bezig te houden, tegelijk een intieme band tussen kijker en studiogasten suggererend.
De klassieke leer van de functies van massacommunicatie (Fauconnier, 1996) kan wellicht enige duidelijkheid brengen. Men kan massacommunicatie indelen op basis van (1) de intenties van de zender en (2) de manier waarop hij die intentie probeert waar te maken (cognitief dan wel affectief). Het laatste wordt, zoals straks aangetoond, steeds minder relevant.
Op basis van de twee genoemde criteria werd dan traditioneel het onderscheid gemaakt tussen: informatie (feitelijke gegevens ter beschikking stellen, kennisvermeerdering, vanuit een factuele, cognitieve gerichtheid), voorlichting (meningen, houdingen, gedragingen beïnvloeden vanuit een hoofdzakelijk rationele, argumenterende, cognitieve benadering), reclame (meningen, houdingen of gedragingen beïnvloeden vanuit een hoofdzakelijk suggestiefemotionele, affectieve benadering in de sector van commerciële goederen en diensten) en propaganda (idem als reclame, maar dan in sector van politiek, overtuigingen, waarden ...).
In dezelfde zin zou men de overige klassieke inhouden van de media (educatie, cultuuroverdracht, ontspanning) kunnen koppelen aan cognitieve dan wel affectieve benaderingen: educatie zou dan opvoeden zijn vanuit een factuele gerichtheid; idem voor cultuuroverdracht; (fictieve) ontspanning zou dan vanuit een emotioneel-affectieve benadering geschieden.
De termen die doorgaans gebruikt worden om vermengingen tussen intenties te suggereren, duiden meestal echter op de verschuivingen in nieuwe benaderingen ten opzichte van de traditionele. Zo is infotainment niet echt een vermenging van informatie en entertainment, maar eerder met behulp van cognitieve technieken gebrachte entertainment, terwijl realityshows dan weer feiten zijn die op affectieve manier worden gebracht. En edutainment is niet meer vorming op een cognitieve leest, maar via ontspanning.
Dat vermeniging als strategie in de media aanvaard is, blijkt uit de inflatie van termen (Fauconnier, 1966) als advertainment (reclame en entertainment), advertorial (advertising en editorial), en verder: infomercial, infoducation, promotainment, public reducation, realitainment, promoplay, educasting, edupersuasion, eduplay ... Voor de mengeling van biografie en fictie is al de term biografictie opgedoken. En toen begin 1996 aan het licht kwam dat een fakejournalist jarenlang vervalste tv-reportages had verkocht aan Duitse zenders, dook de term infofiction op.
De vervaging van de grenzen tussen programma's en genres gaat gepaard met en wordt wellicht mede gestimuleerd door een synergie tussen media. De grenzen tussen print, broadcast, telecommunicatie, personal computer ... vervagen en multimedia treden in de plaats. Op een PC kan men nu alles doen waarvoor men destijds afzonderlijke media nodig had: zich ontspannen, leren, zich informeren. Tegelijk wordt zelfs de scheiding tussen arbeid en vrije tijd, een scheiding die het leven van de moderne mens lange tijd in duidelijk afbakenbare domeinen heeft ingedeeld, meer en meer weggewist. De virtuele school, het virtuele kantoor en het virtuele spel zijn toegankelijk via hetzelfde scherm.
Ditmaal heeft de postmoderne kritiek het wellicht bij het rechte eind: er wordt gemengd dat het niet mooi meer is. Maar men kan zich afvragen of dat niet altijd al zo geweest is. En mocht dat niet het geval blijken, dan kan men zich de vraag stellen welke ijzeren natuurwet voorschrijft dat programma's en genres niet vermengd mogen worden.
Mocht de cultuur zich in het verleden ontwikkeld hebben volgens een soort actiereactieschema (het moderne scenario) en niet via een kopieerplagieervermengschema (het postmoderne scenario), dan moet men niettemin bedenken dat een reactie tenminste de actie impliceert. Men kan niet reageren als er niets geïmpliceerd is om op te reageren.
Anderzijds is het duidelijk dat nieuwe programma's hun intrede doen die 'zuiver op de graat zijn'. In emotietelevisie worden niet alleen emoties getoond, maar ook nog op een zeer emotionele wijze. Dat is nieuw. Wanneer vroeger op tv emotie getoond werd, dan kon dat niet anders dan onder het mom van een informatieprogramma en resulteerde dat in een tweeslachtig genre. Dat was pas vermenging. Vandaag de dag wordt de kraan ongebreideld opengezet door een medevoelende, ja bijna meehuilende presentator.


VERVAGING VAN TIJD EN RUIMTE

De groeiende ogenblikkelijkheid van de globale ruimte en tijd is een feit: we worden op elk moment simultaan vanuit elke plaats ter wereld geïnformeerd en geamuseerd. Tegelijkertijd zijn steeds meer mediaproducten uit het verleden steeds directer toegankelijk. En de toekomst is als het ware al aanwezig in ons huidig gebruik van media en computers. De evoluties volgen elkaar ook razendsnel op: Internet is in enkele maanden tijd uit het niets opgedoken. Onze veranderde houding tegenover tijd en ruimte wordt treffend geïllustreerd door de Back to the Futurefilms: terug naar de toekomst. Maar ook door een film als Blade Runner, waarin we zowel in het verleden als in het heden en de toekomst schijnen te zijn (en waarin bovendien ook nog een vermenging van filmgenres aanwezig is, namelijk van science fiction, detective en film noire). De meest tot de verbeelding sprekende wijziging in tijdruimtelijk perspectief wordt wellicht nog uitgedrukt in termen als teleworking, teleshopping (virtuele winkel), telebanking, afstandsonderwijs (virtuele school) en telefun.
Dit alles zou ertoe kunnen leiden dat de vroegere lineaire tijdsindeling en de vastgelegde afstanden in de ruimte verbroken worden. De opvatting van de geschiedenis als een duidelijke opeenvolging van gebeurtenissen zou terrein verliezen. Postmoderne cultuur staat buiten de geschiedenis.
Wat de ruimte betreft: de lokale culturele identiteiten zouden worden verschraald tot een globaliserende cultuur. Terwijl vroeger een uitwisseling zou hebben plaatsgevonden van zeer eigenzinnige culturele producten, zou er nu een eenheidsworst worden gefabriceerd die zoveel mogelijk mensen transnationaal kan aanspreken over de hele wereld. De techniek maakt het weliswaar mogelijk dat er meer wordt geproduceerd maar het is 'more of the same'. Om aan te duiden dat die eenheidsworst vooral vanuit de Verenigde Staten aan de rest van de wereld wordt opgedrongen, worden dan termen als Dallasificatie gelanceerd.
Maar is dat wel zo? Is de lokale cultuur verdrukt door de Amerikaanse? Zeer zeker niet, als we kijken naar de meest bekeken programma's op tv of naar de top van bestsellers in de populaire muziek. In plaats van 'more of the same' biedt de techniek een eclectische keuzemogelijkheid, de mogelijkheid ook tot narrowcasting (in de plaats van broadcasting) naar een specifiek doelpubliek (in plaats van naar een zogenaamde massapubliek).
De uitschakeling van de ruimte hoeft dus niet meteen alleen maar negatieve gevolgen te hebben. Evenmin heeft de uitschakeling van de tijd alleen maar desastreuze effecten. Heeft die instant informatie van overal ter wereld dan niet zijn nut in een wereld waar, zoals de chaostheorie leert, de geringste rimpel in het water een kolossale weerslag kan hebben voor ons hier?
Sprekende over de vervaging van tijd en ruimte, kan men vandaag de dag niet meer onder de termen cyberspace en interactiviteit uit. Zonder toe te geven aan mythische grootspraak, moet gewezen worden op de mogelijkheden die de allesoverspannende ruimte van cyberspace biedt voor de realisatie van het project van de democratie in het dorp dat de wereld is, ook al dient daar onmiddellijk aan te worden toegevoegd dat momenteel niet iedereen gelijke kansen heeft wat betreft toegang tot de cyberspace. En wat de tijd betreft moet, evenmin in grootspraak vervallend, gewezen worden op de mogelijkheden van het tweerichtingsverkeer die de nieuwe media ons bieden in plaats van het eenrichtingsverkeer van de oude media. Onder echte interactiviteit wordt dan niet verstaan 'dezelfde inhouden maar op een interactieve manier gedistribueerd' (zoals, bijvoorbeeld, bij video on demand), maar wel het proces waarbij de consument actief kan worden en de rol van de creator overnemen of begeleiden, mee kan creëren. Zal de kijker de tijd zelf in handen nemen en bepalen hoe de film moet eindigen?

CONCLUSIE

Alle genoemde betekenisclusters met betrekking tot postmodernisme zouden uiteindelijk leiden tot de verdwijning van de metanarratieven. Alle grote moderne verhalen, gaande van de ideologieën van de Verlichting tot het Marxisme, maar ook mythen en godsdiensten doen absolute, universele, algemeen geldige claims gelden op kennis en waarheid. Dat zou nu afgelopen zijn. Maar zijn de grote verhalen verdwenen? Is het postmodernisme zelf dan niet de meest recente van de grote metatheorieën? Het postmodernisme geeft een zeer modern aandoende en voor zichzelf waarheid opeisende verklaring voor de manier waarop mensen omgaan met ondermeer de media. Bovendien schuift het postmodernisme daar nog een strakke evolutie onder, die de uiteindelijke catastrofe doet vermoeden. Als het postmodernisme niet meer of niet minder is dan een nieuw groot verhaal, hoe kunnen die grote verhalen dan in verval zijn?
Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat veel van de kritiek op de postmoderne attitude in feite een zeer moderne kritiek is, die we al lang kennen vanuit de massacultuurkritiek evenals vanuit de kritiek van de Frankfurters. Eens te meer wordt het verleden - nu niet meer de volkscultuur, maar de moderne tijd - geïdealiseerd en de toekomst gecatastrofeerd. De critici van de zogeheten postmoderne media zijn dan ook te omschrijven als nostalgische apocalyptici. 'Postmodern' is voor hen een nieuw soort fetisjbegrip. Vroeger waren bewustzijnsindustrie of commercialisering, bijvoorbeeld, zo’n fetisjbegrippen. Critici proberen met dergelijke dooddoeners de nieuwe mediarealiteiten te vatten, maar in feite hypothekeren ze er elke concrete analyse mee. Met iemand die een dooddoener als 'postmodern' in de mond neemt, valt niet meer te praten. De conclusie is dus: onze mediacultuur is wellicht minder postmodern dan algemeen aanvaard wordt. En mocht ze hier en daar toch kenmerken vertonen die voor ‘postmodern’ doorgaan, dan is dat helemaal niet zo erg. Wie dieper probeert te graven onder de zogenaamde postmoderne onzin, kan daar voor de ontvangers zinnige aspecten ontdekken.


LITERATUUR


Fauconnier, G. (1996) ‘Over Infotainment, Infomercials, Advertorials en Andere "Vreemd-soortige" Mengvormen in de Massacommunicatie’, in E. Hollander, C. Van der Linden & P. Rutten (eds.) Communication, Culture, Community. Nijmegen: Bohn Stafleu Van Loghum.
Strinati, D. (1995) An Introduction to Theories of Popular Culture. London & New York: Routledge.

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home