Het jaar 2000 en het individueel toekomstperspectief: een lichtend punt dat zijn schaduw vooruitwerpt

Click hier om de tekst als rft te downloaden

Siegfried Dewitte


In dit artikel zullen we nagaan hoe het fin-de-siècle fenomeen belicht kan worden vanuit een psychologische invalshoek. Hoe kan een getal, dat in wezen weinig betekenis heeft, het gedrag van zovelen beïnvloeden en op die manier zelfs een hele maatschappij parten spelen? Een feit is dat getallen altijd al een aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op mensen. Op 8 augustus 1988, om 8 uur 8 minuten trad in het dorpje Eighty Eight (Kentucky, USA) een koppel in de echt, en zette zo dit bijzonder moment extra in de verf door middel van de cijfersymboliek. Ze waren niet alleen: in Hong Kong waren ze met 278
1 . Dat die aantrekkingskracht niet altijd zo triviaal hoeft te zijn, bewijst het feit dat de overlijdenskans van vrouwen beïnvloed wordt door hun verjaardag. In de week vòòr hun verjaardag vermindert hun overlijdenskans, terwijl deze in de week na de verjaardag sterk toeneemt 2 . Op zich is een getal niets meer dan een ankerpunt op een continue tijdschaal dat zelden naar een reële drastische verandering verwijst. Hoe kan dit dan inwerken op het gedrag of zelfs op de gezondheid van een mens? Om die vraag te beantwoorden zullen we eerst de invloed van de toekomst op het menselijk gedrag in het algemeen bekijken, om daarna te onderzoeken hoe het jaar 2000 een rol kan spelen in ons leven.

De invloed van het toekomstperspectief op het gedrag

De toekomst bepaalt ons gedrag via de doelen die wij ons stellen. Volgens Nuttin sr. is het toekomstperspectief de tijd die het individu gewoonlijk overbrugt als het in de toekomst kijkt.
3 Als iemand bijvoorbeeld een toekomstperspectief heeft van 3 maanden, betekent dit dat die persoon al vaak aan het volgende seizoen denkt. Tegelijk zal die persoon de meeste van zijn plannen in het volgende seizoen gesitueerd zien. In de zomer is die persoon bijvoorbeeld al vaak bezig met het najaar: 'wat ga ik (of wat moet ik) dit najaar allemaal doen?'. Het toekomstperspectief komt tot uiting doorheen de doelen die men zich gewoonlijk stelt. Leert iemand vooral doelen stellen die pas over een jaar werkelijkheid kunnen worden, dan zal die persoon heel vaak een jaar vooruit denken, ook al gaat het niet om doelen, maar wel om fantasieën over zichzelf ('bv., waar ga ik volgend jaar werken?'). Tegelijk bepaalt het toekomstperspectief mee op welke termijn men zich gewoonlijk doelen zal gaan stellen. Er is hier dus sprake van een organisch samenspel tussen het stellen van doelen en het toekomstperspectief. Samengevat komt het er op neer (1) dat een individu zich doelen leert stellen die een bepaalde termijn in de toekomst impliceren, (2) dat daaruit het toekomstperspectief groeit (3) en dat dit toekomstperspectief op zijn beurt een horizon biedt voor nieuwe doelen (4) die eventueel in gedrag uitmonden. Laat mij nu de verschillende stappen van dit proces even toelichten.

Menselijk gedrag is doelgericht. Dit betekent dat mensen zich doelen stellen, plannen maken, en verwachtingen hebben over de invloed van hun huidig gedrag op toekomstige verwezenlijkingen. Bij het construeren van doelen kan men twee aspecten onderscheiden: een mentaal aspect en een gedragsmatig aspect. Het mentale aspect is het bewust redeneerproces dat aan een doel voorafgaat. Behoeften worden omgezet in meer concrete doelen. Zo kan een jonge vrouw bv. een mooie wagen zien op een reclamebord en de behoefte voelen er zo één te hebben. Na een tijd kan die behoefte zich vertalen in een doel: de vrouw kan beslissen dat ze zich zo'n wagen zal aanschaffen. Een doel hebben impliceert niet noodzakelijk dat het individu duidelijk inziet hoe hij of zij het doel kan bereiken. Men stelt zich het doel omdat het de moeite waard lijkt. Het kan best zijn dat de vrouw in ons voorbeeld niet onmiddellijk weet hoe ze die wagen moet kopen omdat ze bv. het geld er niet voor heeft, maar toch weet dat ze de wagen wil.

Het stellen van doelen heeft ook een meer gedragsmatig aspect: een doel groeit in zekere mate uit de interpretatie van het eigen gedrag. Het individu schrijft aan zijn gedrag een doelgerichtheid toe die het tot dan toe niet noodzakelijk bewust zo ervaren heeft, of trekt gevolgen uit vaardigheden die het bij zichzelf opmerkt. Zo kan de vrouw merken dat ze al jaren posters van sportwagens verzamelt, op de hoogte is van nieuwste technische snufjes uit de autowereld, dat ze vaak even stopt om een voorbijrijdende sportwagen te bewonderen, enz. Daardoor kan ze beginnen te beseffen dat ze eigenlijk best wel zo'n wagen wil bezitten.

Het redeneeraspect wordt vooral benadrukt in de cognitieve psychologie
a, terwijl het feit dat doelen uit het gedrag groeien eerder in de behavioristische psychologie *a* aandacht krijgt. Toch hebben beide aspecten hun belang, omdat ze bij de meeste doelen duidelijk aanwezig zijn. Zo zal een kind zich bijvoorbeeld als doel stellen dat het een goed voetballer wil worden omdat het droomt van de roem die bij het vedette zijn hoort (mentaal aspect), maar tegelijk merkt het dat het goed met de bal overweg kan in vergelijking met leeftijdgenoten (gedragsmatig aspect). Mensen bij wie het mentaal aspect te zeer de bovenhand krijgt, kunnen te kampen krijgen met een mentaal leven dat in slechte verhouding staat tot het handelen. Het kind dat bijvoorbeeld niet erg handig is met de bal maar er toch naar streeft om voetbalvedette te worden, verkeert in dit geval. Wellicht staan dit kind heel wat teleurstellingen te wachten, tenzij het zijn verwachtingen tijdig bijstelt. Mensen bij wie het andere, meer gedragsmatige aspect de bovenhand krijgt, zijn dan weer overgevoelig aan omgevingsveranderingen. Het kind kan bv. ontdekken dat het ook goed kan volleyballen en meteen zijn wekelijkse voetbaltrainingen opgeven om zich op het volleybal te storten 4. Zo'n kind zal er dan weer niet in slagen om de nodige tijdsinvesteringen te doen om iets waardevols te bereiken. Volgende week duikt er immers weer een nieuwe uitdaging op...

Enkele bepalende factoren van het toekomstperspectief

Hoe komt het toekomstperspectief tot stand, en welke rol spelen doelen daar nu in? Iedereen is er zich van bewust dat doelen niet altijd leiden tot het gewenste gedrag. Het succes waarmee mensen zichzelf doelen stellen, zal mede leiden tot een voor een individu typische afstand waarmee het in de toekomst kijkt. Mensen leren doorheen hun leven welke doelen voor hen het meeste opleveren: korte- dan wel lange-termijn-doelen. Een factor die dit succes bepaalt is ondermeer de stabiliteit van de leefomgeving. In stabiele omstandigheden hebben verre doelen namelijk meer kans om bereikt te worden dan in veranderlijke omgevingen 5 , waardoor het meer loont om in die doelen te investeren. Als je bv. in een buurt woont die regelmatig door vandalen geteisterd wordt, kan je maar beter je tuin met goedkope of snelgroeiende planten sieren, en geen fruitbomen: je weet immers niet zeker of ze het einde van het jaar halen (de buurt is dus een onstabiele omgeving). Een meisje dat ervaart dat haar ouders haar inderdaad het beloofde reisticket geven als ze geslaagd is, zal volgende keer weer een inspanning doen om te studeren: de omgeving (haar ouders) is stabiel genoeg om tijdsinvesteringen terug te betalen. Het toekomstperspectief komt dus op een ‘natuurlijke’ wijze tot stand doorheen de doelen die men zich stelt en de slaagkans van die doelen.

Naast het natuurlijk groeien van het toekomstperspectief doorheen de doelen die men zich stelt en de slaagkansen van die doelen, kan het toekomstperspectief ook op een kunstmatige manier beïnvloed worden door ankerpunten uit het tijdscontinuüm op te lichten. Zulke ankerpunten zijn een verjaardag, een leeftijdsgrens, of een toekomstige periode in het leven die op een welbepaald moment begint (bv. als je getrouwd bent, als je afgestudeerd bent, als je met pensioen gaat). Het extra belichten van zulke scharniermomenten wordt veelvuldig gebruikt bij de opvoeding van kinderen: 'studeer maar goed, het is zo belangrijk voor later'
6 . De bedoeling van zulke ingrepen is vaak om de aangesprokene te motiveren om iets te doen wat nu niet aangenaam is maar wel aantrekkelijke gevolgen heeft later.

Speciale jaartallen zoals het jaar 2000 kunnen eveneens het toekomstperspectief kunstmatig beïnvloeden. De invloed van zo'n jaartal is weliswaar dubbelzinnig en hangt af van de afstand die ons nog rest eer het zover is. Als het bewuste moment na de periode valt waar een individu zich gewoonlijk op richt, dan wordt zijn of haar perspectief kunstmatig verlengd, zoals dit het geval is als de ouders zeggen 'denk aan later'. Ligt het ankerpunt vòòr de periode in de toekomst waar men gewoonlijk aan denkt, dan zorgt dit moment voor een breuk in het individueel toekomstperspectief. De periode na het punt is een nieuwe periode, en ligt daarom psychologisch verder af dan wanneer dit punt er niet was geweest. Het jaar 2002 lijkt nu bijvoorbeeld verder in de toekomst te liggen, dan het jaar 1998 in 1994 verwijderd leek, hoewel het in beide gevallen om een tijdsspanne van 4 jaar gaat. Dit komt omdat 2002 na het breekpunt 2000 ligt, dat psychologisch een nieuwe periode aankondigt.

Hogerop wees ik erop dat het toekomstperspectief het stellen van doelen beïnvloedt en op die manier ook het gedrag. Het mag duidelijk zijn dat indien het toekomstperspectief natuurlijk is gegroeid uit doelen, er weinig problemen zullen optreden: de nieuwe doelen zullen op de oude lijken wat betreft de tijd die ze beslaan. Interessanter wordt het als het toekomstperspectief kunstmatig gewijzigd wordt. Welke rol speelt dan de lengte van het toekomstperspectief? Deze analyse moet ons vervolgens toelaten te onderzoeken hoe het jaar 2000 ons gedrag beïnvloedt, en vooral, wanneer en hoe die invloed zich het sterkst zal laten voelen.


Sleutelen aan het toekomstperspectief

We zagen eerder al dat het toekomstperspectief de tijdshorizon vormt waartegen nieuwe plannen gemaakt worden. Een kunstmatige verandering van dit tijdsperspectief heeft dus gevolgen voor het maken van plannen. Laat me eerst de gevolgen van een kunstmatige verlenging toelichten, om vervolgens te onderzoeken wat een kunstmatige inkorting teweeg kan brengen.

Eerder in deze tekst werden twee aspecten van doelen opstellen belicht: het bewust creëren van doelen op basis van behoeften en het interpreteren van het eigen gedrag. Als het toekomstperspectief kunstmatig uitgerokken wordt, zal dit een invloed hebben op beide aspecten. Met een verlengd toekomstperspectief zal een individu doelen stellen die verder in de toekomst gesitueerd zijn dan hij of zij gewoon is (het eerste aspect van doelen). Het resultaat hiervan is dat het minder duidelijk wordt hoe dit doel verwezenlijkt kan worden. Als de vrouw van enkele paragrafen geleden beslist 'Op het einde van het jaar koop ik die wagen' terwijl ze gewoonlijk maar een week in de toekomst kijkt, kan het zijn dat ze niet inziet wat ze daarvoor nu al moet doen (bv. een rijbewijs halen, sparen, een garage zoeken, prijzen vergelijken, enz.)

Het interpreteren van gedrag dat aan de gang is (het tweede aspect van doelen) wordt ook aangetast door een kunstmatig verlengd toekomstperspectief. Vooral de lange termijn consequenties van het huidig gedrag worden belicht. Daardoor wordt het belang van de huidige inspanning gerelativeerd. Een zekere demotivatie is het gevolg: Als een student normaal studeert met in het achterhoofd dat hij er door wil geraken voor het examen van binnen twee maanden, dan zal die student niet gebaat zijn door plots twee jaar in de toekomst te kijken. Of hij vandaag studeert of niet heeft weinig invloed op het feit of hij zijn diploma haalt binnen 2 jaar, maar wel op het feit of hij er deze zittijd doorraakt of niet.

Voor beide aspecten van het stellen van doelen lijkt een kunstmatig verlengd toekomstperspectief dus tot minder efficiënt gedrag te leiden. Een kunstmatig verlengd toekomstperspectief zal sporadisch weliswaar ook aanleiding geven tot interessante gedragswijzigingen. Het zou namelijk kunnen dat een individu wèl inziet hoe een doel ver in de toekomst bereikt kan worden. De jonge vrouw zou bv. nu eindelijk toch eens tijd kunnen maken om haar rijbewijs te behalen. Het kan bv. ook dat een nieuwe lange termijn interpretatie van het huidig gedrag tot nieuwe inzichten en bijbehorende gedragswijzigingen zal leiden. Een verstokt roker die veel verkoudheden heeft, kan plots inzien dat hij binnen dit en twee jaar nog zeventien verkoudheden zal hebben als hij zo blijft doorroken. Men zou het effect van een verlengd toekomstperspectief dus kunnen omschrijven als 'veel denken en weinig doen', met sporadisch een bruikbaar inzicht.

Zoals eerder aangestipt, kan het toekomstperspectief ook kunstmatig ingekrompen worden door een opvallend moment in de toekomst, omdat wat erachter ligt verder weg lijkt dan in werkelijkheid het geval is. Er wordt als het ware een kloof gecreëerd. Doelen zullen bijgevolg verwijzen naar meer nabije resultaten. Omdat zulke doelen doorgaans minder uitdaging bieden -het is immers meteen duidelijk hoe ze bereikt moeten worden-, en mensen streven naar een zeker niveau van spanning
7, zou dit kunnen worden gecompenseerd door verhoogde streefnormen of tot een zoektocht naar andere vormen van uitdaging. Het is niet meteen duidelijk welke uitweg zal overwegen. Daarnaast zal gedrag dat al plaatsvindt bij een krimpend toekomstperspectief een deel van zijn zin verliezen die het ontleende aan de middellange-termijn gevolgen. Als de boer bv. in de lente niet meer aan de oogstmaanden denkt, kan hij in de lente minder gemotiveerd zijn om te zaaien. Dit kan dan weer leiden tot een toename van impulsief gedrag 8 : de boer kan al eens een pint meer gaan drinken: het dringt toch allemaal niet. Het lijkt er dus op dat een verkort toekomstperspectief tot minder zelfbeheersing zal leiden. Men zal nieuwe uitdagingen zoeken door zichzelf hogere normen te stellen, of door dingen te doen waar men anders niet toe komt. Samengevat komt een verkorting van het toekomst perspectief neer op ‘eerst doen, dan denken’.


Het jaar 2000: van aantrekkingspool tot belemmering

Wat leert ons dit alles over het effect van het jaar 2000 op het individueel gedrag? Om die vraag te beantwoorden, is het nuttig te weten dat de meerderheid van de mensen gemiddeld enkele maanden vooruitkijken en dat diegenen die hun toekomstperspectief uitdrukken in weken of jaren minder talrijk zijn
9 10. Dit neemt uiteraard niet weg dat de gemiddelde mens in sommige gevallen verder of minder ver kijkt dan enkele maanden. Het betekent wel dat zijn of haar leven eerder georganiseerd is rond doelen en plannen in een tijdsperspectief van enkele maanden. Vertaald naar de invloed van het jaar 2000 betekent één en ander dat we verschillende fasen kunnen onderscheiden. Als we nog ver verwijderd zijn van het jaar 2000 (bv. 5 jaar of meer), zal de impact beperkt zijn. Meer dan een bijzonder punt in de verre toekomst is het niet. Begint men 2000 te naderen tot op enkele jaren, dan begint dit punt psychologisch reëel te worden vanuit het bestaande toekomstperspectief. Het punt ligt dan bij de meeste mensen evenwel nog niet binnen hun gewone toekomstperspectief (dat zich grofweg van 3 tot 6 maanden uitstrekt). Als mensen in dit stadium komen (2000 ligt tussen een half jaar en enkele jaren in de toekomst), kan men een algemene verminderde handelingsijver, maar tegelijk een verhoogde mentale activiteit verwachten (bijvoorbeeld worden er meer zinsvragen gesteld). Bij tijdspunten die individueel verschillend zijn, zoals verjaardagen, gaan die effecten in de globale maatschappij verloren. Een persoon die dertig wordt, zit alleen met zijn vraag waar zijn leven naar toe leidt. Maar als zo’n beladen moment gedeeld worden door vele mensen, zoals dit bij milleniumwisselingen het geval is, worden die effecten versterkt. Men vindt al snel een gesprekspartner die je wil laten kennismaken met zijn visie over de weg die onze wereld ingeslagen is. Wellicht biedt dit collectieve effect wel een psychologische verklaring van wat men verstaat onder een fin-de-siècle tijdsgeest. Vervolgens nadert de wende nog meer (meer bepaald de zomer van 1999) en ligt de aanvang van 2000 voor de meeste mensen binnen het gewone toekomstperspectief. Dit kan leiden tot een kortstondige normalisatie, maar ze zal in het najaar overslaan in een afname van de zelfbeheersing omdat het toekomstperspectief van de meeste mensen ingedrukt wordt. Men zou dit kunnen beschouwen als een soort koorts: de spanning wordt opgebouwd met de wende in zicht. Mensen gaan zich minder verantwoord, impulsiever, of speelser gedragen, afhankelijk van de mogelijkheden die zich aanbieden voor de verschillende individuen. Althans, dit is de voorspelling die uit voorgaande analyse naar voren komt.

De toepassing van de inzichten over het tijdsperspectief op het fin-de-siècle fenomeen is vrij speculatief (de laatste twee fasen moeten zich namelijk nog voltrekken) en het is moeilijk te voorzien met welke impact het jaar 2000 de geschetste processen die zich normaal afspelen zal aantasten. De analyse suggereert wel hoe we ons kunnen wapenen tegen deze invloed -als men dat zou wensen, uiteraard. Het beste is om zo weinig mogelijk aan het jaar 2000 te denken in die hoedanigheid. Beter is het om te denken 'volgend jaar' of 'binnen 5 maanden' in plaats van 'in 2000' of 'in het volgend millennium' en niet te diep in 'de man van het millennium'-verkiezingen op te gaan. Op die manier wordt het gewone toekomstperspectief minder sterk belaagd door het kunstmatige aspect van 1 januari 2000. Of de media dat ook zo begrepen hebben is nog maar de vraag: het valt nu al niet mee om het fenomeen te negeren (denk maar aan het themanummer in dit tijdschrift). Een andere mogelijkheid is plannen te maken of verwachtingen te creëren die duidelijk na de bewuste datum te situeren zijn. Zo hebben studenten die afstuderen na 1999 vanzelf zo’n langlopend project dat zich uitstrekt tot na 01/01/2000. Maar ook grootse verbouwingen, zwangerschappen, of projecten in de professionele sfeer kunnen voor een ‘afweer’ tegen de psychologische effecten van het jaar 2000 zorgen.

Besluit


Objectief gezien is er niets mis met het jaar 2000 - tenzij misschien de veelbesproken millenium-bom in onze computers. Toch kan dergelijk opvallend moment vrij krachtig op het menselijk gedrag inwerken. Het kan er bv. voor zorgen dat mensen dieper in de toekomst gaan kijken dan ze normaal doen, en daarom meer lange-termijn-plannen gaan maken dan ze gewoon zijn. Dit zal optreden als we nog vrij ver van het jaar 2000 verwijderd zijn, en voor de gemiddelde mens betekent ‘ver’ meer dan een half jaar. Het typische gevolg van ver in de toekomst kijken is ‘veel denken en weinig doen’. Omdat deze fase voor veel mensen gelijktijdig optreedt, zal het effect zich versterken doorheen sociale interacties, en zo aanleiding geven tot een collectieve neiging om verder in de toekomst te kijken dan men gewoon is. Gesteld wordt dat dit wel eens een psychologische verklaring zou kunnen bieden voor het fin-de-siècle gevoel dat om de honderd jaar weer opduikt.

Vlak voor de ommekeer daarentegen zou het toekomstperspectief bij velen juist kunnen inkrimpen als gevolg van de op til zijnde milleniumwissel. Het juiste moment waarop deze eindfase ingaat, verschilt van mens tot mens, maar een maand of twee voor het bewuste moment zal bij de meesten het toekomstperspectief relatief verkorten. Vermoedelijk zal dit ertoe leiden dat mensen de gevolgen van hun gedrag minder goed zullen inschatten dan normaal en dat ze minder op lange termijn zullen denken. We zouden dit ‘doen zonder denken’ kunnen noemen.

De vraag die zich opdringt is natuurlijk of men de invloed van het jaar 2000 kan milderen, maar tegelijk kan men zich afvragen of dit wel wenselijk is. Misschien duiken er wel meer nieuwe invallen op dan normaal als we nog een aantal jaar verwijderd zijn van het jaar 2000 en misschien kunnen de mensen eens wat meer stoom afblazen dan normaal in de laatste maanden van 1999. Wil men zich niettemin wapenen tegen de invloed, dan zou men best de hetze rond de milleniumwissel zo goed mogelijk negeren, en niet denken in termen van het jaar 2000, maar wel in termen van ‘volgend jaar’.


Verklaring

a: De psychologie omvat (minstens) twee stromingen, de cognitieve psychologie en het behaviorisme. Voor de cognitieve psychologie, die tegenwoordig de meest beoefende vorm van psychologie is, staat het menselijke mentale functioneren centraal. De invloeden van de situatie op het gedrag worden grotendeels gemedieerd door interne verwerkingsprocessen. Vanuit deze hoek is het stellen van doelen een intern proces van wikken en wegen ( ‘A theory of goal setting and task performance’, Locke & Latham, 1990, Hillsdale, NJ, USA: Erlbaum; ‘Motivation and action’, Heckhausen, H., 1991, Berlin: Springer). Voor de behavioristische psychologie ligt de nadruk op gedrag ('behavior'). Mensen stellen doelen op basis van de perceptie van hun eigen gedrag. Doelen stellen zelf wordt ook als een gedrag beschouwd dat geleerd kan worden en situationeel bepaald wordt ( ‘Understanding behaviorism’, Baum, W., 1994, New York: Harper Collins College.; ‘Self-control: beyond commitment’, Rachlin, H., 1995, Behavioral and Brain Sciences, 18, 109-159.)


Eindnoten
1 De Morgen, 09/08/88, p. 15
2 ‘The birthday: Lifeline or deadline’, Phillips, D., Van Voorhees & Ruth T., 1992, Psychological medicine, 54, 532-542. De gegevens zijn gebaseerd op bijna 3 miljoen mensen. Bij mannen werd er voor de verjaardag juist een verhoogde overlijdenskans aangetroffen.
3 ‘Future time perspective: theory and research method’, Nuttin, J. R. (sr.) ,1985, Leuven: Leuven University Press.
4 Kuhl maakt een onderscheid tussen toestand-georiënteerde en handeling-georiënteerde mensen. Van de toestand-georiënteerden zijn er sommigen gericht op toekomstige of op verleden gebeurtenissen en verliezen de voeling met de omgeving, terwijl anderen wispelturig van gedrag veranderen op het ritme van de omgeving. De handeling-georiënteerde mensen houden beide aspecten in het oog. Deze mensen stemmen hun handelingen zowel af op de omgeving als op hun doelen (‘A theory of state- and action-orientation’, Kuhl, J. in ‘Volition and Personality’, Kuhl, J. & Beckman, J. (Eds.), 1994, Seattle: Hogrefe)
5 ‘Self-control: An integrating framework’, Logue, A.W., 1988, Behavioral and Brain Sciences, 11, 665-709.
6‘The motivational significance of future time perspective. The homecoming of a concept.’, Lens, W., 1987, Psychologica, 1, 27-46.
7 ‘Future time perspective: theory and research method’, Nuttin, J. R. (sr.), 1985, Leuven: Leuven University Press.
8 ‘Present time perspective as a predictor of risky driving’, Zimbardo, P.G., Keough, K.A. Boyd, J.N., 1997, Personality and Individual Differences, 23, 1007-1023.
9 ‘Future time perspective and life events across adulthood’, Fingerman, K.L., Perlmutter, M., 1995, Journal of General Psychology, 122, 95-111.
10 De leeftijd speelt ook wel een rol: het tijdsperspectief breidt zich uit tot in de volwassenheid, om bij hogere leeftijd terug in te krimpen, maar dit effect laten we verder buiten beschouwing, zie ‘The personal future in old age’, Bouffard, L., Bastin, E., & Lapierre, S., in ‘Psychology of future orientation’, Z. Zaleski

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home