|
Ter gelegenheid van de inhuldiging van de nieuwe klok ontworpen door Hans Citroen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam stond Jacques Tacq even stil in de tijd. Bij het aanbreken van de 21ste eeuw willen we zijn denkoefening nog graag eens overdoen.
Prof. dr. Jacques Tacq
"We staan nog maar aan het begin
van de vorming van een coherente visie op het universum. Van een verleden van tegenstrijdige
zekerheden komen we in een heden van vragen. We moeten dan ook een wetenschappelijke
rationaliteit vinden die beter bij onze tijd past. De toekomst is onzeker, maar onzekerheid
ligt in de kern van de menselijke creativiteit. De tijd wordt een 'constructie',
de creativiteit een manier om aan die constructie deel te nemen."
llya Prigogine
Gedurende eeuwen hebben filosofen en natuurkundigen geredetwist over het begrip tijd.
Augustinus, zich afvragend wat tijd is, merkt in zijn Confessions op. "Als
niemand het mij vraagt, weet ik het, maar als iemand het mij vraagt, weet ik het
niet".
Want het heden is reëel, terwijl verleden en toekomst dat niet zijn, omdat het
verleden heeft opgehouden te bestaan en de toekomst nog niet bestaat. Bij het begrip
ruimte bestaat deze verwarring niet, want het ruimtelijke object kan volledig in
het heden aanwezig zijn. Bij het begrip tijd is de verwarring compleet als men de
driedeling verleden, heden, toekomst afzet tegen de meer vloeiende indeling van vroeger
en later. We hebben hier te maken met een begrip waarop reflectie overbodig lijkt
omdat het tot de orde van de vanzelfsprekendheden wordt gerekend. Begrippen als materie,
oorzaak en tijd lijken zo eenvoudig dat het niet nodig lijkt ze te bevragen. De echte
filosoof is echter juist deze, die een radicale reflectie levert van vanzelfsprekendheden,
in een geest van Socratische ironie en in het besef dat men op die manier steeds
meer helderheid krijgt in zijn onwetendheid. Een dergelijke filosoof was Parmenides.
Net als Stravinski ons nieuwe oren en Picasso ons nieuwe ogen heeft gegeven, heeft
Parmenides een vraag gesteld waar niemand omheen kan en die terecht als het 'Raadsel
van Parmenides' is omschreven. In de kern komt dit hierop neer. "Alleen datgene
wat is, is. Wat niet is, daar kan niets zinnigs over gezegd worden, want het verwijst
nergens naar. Toegepast op de tijd zijn verleden en toekomst zinloze verwijzingen,
want het verleden is niet meer en de toekomst is er nog niet. Bijgevolg is er geen
tijd. Er is niets wat verandert."
Vele pogingen zijn ondernomen om dit Raadsel van Parmenides op te lossen. Plato was
ermee akkoord dat de echte wereld niet verandert omdat de natuurwetten onveranderlijkheid
en stabiliteit vertonen. Verandering was volgens hem slechts een schaduw, een schijnwereld.
Hij concludeerde dat de tijd het bewegende beeld van de onveranderlijkheid van de
werkelijkheid weerspiegelde, zoals dat in het beeld van de dag en de nacht tot uiting
komt. Democrites verklaarde zich eveneens akkoord met de visie van Parmenides, dat
wat is, onveranderlijk moet zijn want de kleine deeltjes van de materie zijn onveranderlijk
en ondeelbaar. Hij ontwikkelde echter de stelling dat deze kleine deeltjes zich bewegen
in het vacuüm. Deze atoomtheorie fungeerde als compromis-oplossing voor het Raadsel
van Parmenides. Aristoteles was kritischer en opperde dat het "niet zijn"
vele betekenissen heeft die apart moeten worden geanalyseerd. Zo vertegenwoordigen
de uitspraken "Mannen hebben geen kinderen voortgebracht" en "Vrouwen
hebben geen kinderen voortgebracht" een heel verschillende vorm van niet-zijn.
Want bij vrouwen is er sprake van vermogen of potentie, bij mannen niet. Men moet
dus steeds kijken naar wat er onder de dingen ligt, naar de mogelijkheden. Ondanks
deze beloftevolle benadering komt Aristoteles toch tot een definitie van tijd als
het getal van de verandering, waarin het denken in termen van dingen centraal staat
en waarin een analogie met de ruimte wordt gemaakt, in de vorm van de tijd als een
reeds bestaande spoorlijn waarvan een deel van het traject reeds is afgelegd terwijl
een ander deel van het traject in potentie voor ons ligt. Een visie, die volgens
Guy Debrock het Westerse denken op een verkeerd spoor heeft gebracht.
Zo kan men doorgaan met de aanval van Newton op Aristoteles die, nadenkend over fundamentele
begrippen op het idee kwam dat het vacuüm een plaats is waar niets is en waar
toch een begrip voor nodig is en waardoor het vacuüm een plaats is waar alleen
God zich bevindt. Naar analogie achtte hij het begrip tijd onmogelijk tenzij in relatie
tot God. De ruzie tussen Leibniz en Newton bracht hierin niet veel verheldering.
En de oplossing van Kant, die tijd en ruimte tot a priori categorieën van de
menselijke rede maakte, bracht ons eigenlijk van de drup in de regen, want het was
een bekentenis van onmacht en verraad ten opzichte van onze ervaring van de tijd;
een verraad dat in extreme vorm terugkeert bij Hegel, wiens opvatting een herhaling
is van het beeld van Plato.
Ook vele logici hebben een aanval op de tijd gericht. Een opvallend voorbeeld is
McTaggart's bekende argument voor het niet-bestaan van de tijd in zijn artikel Mind
en in zijn posthuum gepubliceerde Nature of Existence. Gebeurtenissen kunnen
eerst en vooral worden geordend in termen van verleden, heden en toekomst Dit noemt
hij een ordening in termen van een A-reeks.
Ten tweede, gebeurtenissen kunnen worden geordend in termen van de relaties 'vroeger
dan' en 'later dan'. Dit noemt hij de B-reeks. Deze laatste reeks mist volgens McTaggart
de essentie van het tijdsbegrip, want tijd houdt verandering in en toch is, was en
zal het altijd het geval zijn dat de slag te Hastings eerder komt dan de slag te
Waterbo. De eerste (A) reeks, is volgens McTaggart contradictorisch, want elke gebeurtenis
is achtereenvolgens toekomst, heden en verleden terwijl logischer wijze uit 'Het
zal het geval zijn dat' toch volgt dat "Het niet waar is dat het het geval was
dat".
Naast een argumentatie voor het niet-bestaan van de tijd, zoals bij de filosoof Parmenides
en de logicus McTaggart, is ook een houding van onverschilligheid veel voorkomend.
Dit demonstreerde bijvoorbeeld Einstein toen hij, bij het formuleren van zijn relativiteitstheorie,
een pragmatische interpretatie van de tijd hanteerde: "Tijd is gewoonweg wat
we van klokken aflezen, en verder geen gezeur".
We zien dat de geschiedenis van de benadering van het tijdsprobleem op zijn zachtst
gezegd problematisch kan worden genoemd. Volgens Guy Debrock is er nog hoop als we
de hedendaagse visies van Peirce, Bergson en Whitehead bekijken. Peirce wees erop
dat, als tijdsmomenten van elkaar gescheiden worden gedacht, het ene moment niet
relevant kan zijn voor het andere moment. Een dergelijke discrete opvatting van de
wereld leidt dus tot incoherentie en daarom moeten we er volgens hem van uitgaan
dat momenten niet gescheiden zijn, met andere woorden dat het heden het verleden
in zich draagt. Ook Bergson reageert tegen het segmenteren van de wereld. Volgens
hem is het vanwege de analyserende functie van de taal dat we ertoe verleid worden
de werkelijkheid te zien in termen van aparte, discrete eenheden. De suggestie dat
de werkelijkheid in stukken wordt gesneden, is in strijd met onze ervaring. Ons bewustzijn
is immers in eerste instantie de ervaring van een ononderbroken stroom. Bergson vergeleek
graag met de muziek, want ook bij een melodie horen we niet eerst de opeenvolgende
noten, maar eerder de ononderbroken muzikale golf.
Daarom noemde hij de duur (la durée) het fundamentele aspect van de werkelijkheid.
Ook de centrale kritiek van Whitehead was gericht tegen het opsplitsen van de werkelijkheid
in feiten en dingen, hetgeen hij de onderstelling van wetenschappelijk materialisme
noemde. Werkelijk-zijn betekent voor hem aan-het-werk-zijn, gebeuren. Daarom vat
hij de werkelijkheid op als bestaande uit gebeurtenissen. Dit zijn processen waarin
uit vorige gebeurtenissen een nieuw gebeuren zichzelf tot stand brengt, om dan vervolgens
zelf als voedsel te dienen voor een volgend nieuw gebeuren. Ondanks deze belangrijke
inzichten komen hedendaagse filosofen als Whitehead ook niet los van de centrale
stellingen die ons hele Westerse werkelijkheidsbeeld karakteriseren, namelijk het
vasthouden aan onveranderlijke natuurwetten. Hierin komt nu verandering.
Volgens nobelprijswinnaar llya Prigogine en Isabelle Stengers is het een raadsel
waarom de wetenschap altijd heeft gekozen voor eeuwigheid en niet voor wording. Het
basisprobleem van de tijd ligt volgens hen in de discrepantie enerzijds tussen ons
beeld van de wereld als bestaande uit tijdloze, deterministische wetmatigheden en
anderzijds onze menselijke ervaring, waarin plaats is voor herinneringen aan het
verleden en een blik op de toekomst. Dit subject-object-dualisme heeft ons op een
falikant verkeerd spoor gebracht. We moeten af van het zekerheids-ideaal en de ermee
samengaande ontkenning van de tijd. Systemen met chaos, turbulentie en instabiliteit
dwingen ons voortaan te denken in mogelijkheden in plaats van in zekerheden. Door
onze aandacht te richten op systemen uit evenwicht, kan het verschil tussen verleden
en toekomst en daarmee de onomkeerbaarheid van de tijd in de beschrijving worden
opgenomen. Een dergelijk tijdsbegrip is niet extern van aard, maar het is eerder
een interne tijd want het is gelieerd aan het proces van het systeem zelf, net als
dat het geval is met een biologische klok. Alleen op die manier komen we af van het
goddelijk verhaal van universele wetmatigheden in gesloten systemen en zien we onomkeerbare
processen die met toevalligheid en openheid zijn geassocieerd. In La Nouvelle
Alliance drukken Prigogine en Stengers deze uitdaging treffend uit: "De
Nieuwe Alliantie wil de natuur zo gaan leren dat ze er irreversibel uitziet."
|