Everybody is an Intellectual.
Vragen rond de rol van kennis en ‘de intellectueel’ in onze samenleving.

Click hier om de tekst als rft te downloaden

Hilde Van den Bulck


INLEIDING: KENNIS EN DE INTELLECTUEEL BEVRAAGD

Wat is de positie van kennis, van de Rede, van theorie en vooral van intellectuelen in onze samenleving? In de hedendaagse maatschappij lijken de rol en positie van dit alles problematisch en bevraagd. We zien dan ook dat we in een tijd leven van herwaardering van de heersende ideeën, niet alleen in sociale wetenschappen maar ook in recht, kunst, architectuur, filosofie, literatuur en zelfs natuurwetenschappen. Deze herwaardering is duidelijker in sommige disciplines dan in andere, maar is alomtegenwoordig. Belangrijk hierbij is, aldus Marcus & Fisher (1986:7), dat het niet alleen de ideeën zelf zijn die onder vuur komen te liggen, maar ook de
paradigmatische stijl waarin ze worden voorgesteld.

De huidige omstandigheden van kennis worden gedefinieerd, niet zozeer door wat ze zijn, maar door dat waar ze op volgen. In de algemene discussie binnen de menswetenschappen en sociale wetenschappen, wordt het heden inderdaad vaak omschreven als ‘post’: postmodernisme, poststructuralisme, postmarxisme. Het centrale kenmerk van dit moment is dan het verlies van controle over de verschillende wetenschappelijke gemeenschappen vanwege specifieke totaliserende visies (cf. het einde van de ‘Grote Verhalen’ bij Lyotard (1984)) en zelfs vanwege een algemene paradigmatische stijl. Wat dus precies op de helling komt te staan, is een geheel van onderliggende vooronderstellingen en verwachtingen over de aard van de moderne sociale theorieën, die worden gedeeld door een groot aantal sociale wetenschappers en die stammen van de klassieke Westerse 18e en 19e eeuwse wetenschappelijke streefdoelen. Dit geheel van
premissen kan worden aangeduid als het Project van de Verlichting. Zoals McLennan (1992:330) uitlegt, omvatte het project van de Verlichting, dat ontstond aan de drempel van de modern(istisch)e Westerse maatschappij, de volgende ideeën:
1. onze kennis van de samenleving, net als die samenleving zelf, is
holistisch, cumulatief en algemeen progressief van aard;
2. we kunnen rationele kennis bekomen over de samenleving;
3. dergelijke kennis is universeel en aldus objectief;
4. (sociaal-)wetenschappelijke kennis is tegelijk verschillend van en superieur aan ‘vertekende’ vormen van denken zoals ideologie, godsdienst, gezond verstand, bijgeloof en vooroordeel;
5. (sociaal-)wetenschappelijke kennis, eens ze gevalideerd is en er naar gehandeld wordt, kan leiden tot mentale bevrijding en sociale verbetering onder de mensheid in het algemeen.

Samen met dit project ontstonden ‘de intellectuelen’, de mensen die deze ideeën ontwikkelden. Zij waren de eersten in de westerse samenleving die buiten de kerk om hun beroep - of beter hun roeping - maakten van kennis en schrijven. De traditionele intellectueel (de filosoof, de grote schrijver) is dus gegroeid uit de verlichtingsfiguur van de man van het recht en de wet, die, zoals Foucault (1980:126-133; zie ook Foucault, 1982; 1993) uitlegt, tegen de macht, het despotisme en de misbruiken en arrogantie van rijkdom, stelling nam met de universaliteit van het recht en de waarde van een ideale wet (type Voltaire). De grote politieke gevechten in de 18e eeuw werden uitgevochten over wet, recht, het juiste in rede en wet, dat wat universeel toepasbaar kan en moet zijn. De intellectueel bij uitstek was de schrijver: een universeel geweten, een vrij mens, die via zijn morele, theoretische en politieke keuze drager tracht te zijn van de universaliteit in haar bewuste, uitgewerkte vorm. Hij werd gehoord, of zorgde ervoor te worden gehoord, als de spreekbuis van het universele. Een intellectueel zijn, betekende zoveel als het bewustzijn/geweten te zijn van ons allen.

Dit model van sociale kennis en het bijhorend ideaaltype van de intellectueel worden nu bevraagd. Niet alleen zijn de structuren van de moderne samenleving beginnen te veranderen, maar ook de funderingen van het moderne denken zijn achterhaald en dogmatisch geworden. Hiermee is ook de ondergang van het hoger vermelde ideaaltype van de intellectueel ingezet. Zo stelt Bauman (1987) dat er achter alle pogingen om te bepalen wat de eeuwige waarheid is, universeel en rationeel, een ideologische beweegreden zat - al dan niet bewust gevolgd - namelijk de nood om voortdurend de normen van ons type van samenleving te rationaliseren en te veredelen. Met andere woorden, terwijl filosofen en wetenschappers, vaak met de beste bedoelingen, hebben gestreefd naar onstoffelijke waarheid en rationaliteit, is het de cultuur en samenleving van de westerse wetenschap en filosofie die uiteindelijk wordt verdedigd, niet de tijdloze mentale waarden. Het zoeken-naar-de-waarheid in de westerse filosofie is gericht op het produceren van de ‘geruststellende’ illusie van universaliteit, niet de realiteit. Samen met de maatschappelijke veranderingen en de veranderende positie van kennis en rede, is de traditionele identiteit van de westerse intellectueel dan ook in een terminale crisis beland.


MAATSCHAPPELIJKE ACHTERGROND


Marcus en Fisher (1986:15) treden de stelling bij dat een periode in het wetenschappelijk denken die wordt gekenmerkt door een ironische houding tegenover de voorstellingen van de sociale realiteit (zoals we die nu vaak terugvinden), samenhangt met fundamentele veranderingen in die sociale realiteit. De inhoud van sociale theorieën krijgt dan een politieke en historische invulling en de grenzen van deze theorieën worden duidelijk. De kennisvelden die het nauwst betrokken zijn bij het beschrijven en verklaren van de veranderingen die in de sociale realiteit kunnen worden waargenomen, vertonen sterke interne betwistingen van de heersende paradigma’s en van het idee zelf van een paradigma, zoals bijvoorbeeld blijkt uit Bauman’s stellingen (cf. supra).

Het zou ons te ver leiden om alle waargenomen veranderingen in de westerse maatschappij in detail te beschrijven. Hier zullen we de veranderingen benaderen zoals ze invloed hebben gehad op kennis en theorie. Deze veranderingen kunnen worden aangeduid met de term postmoderne conditie (cf. Lyotard, 1984). Natuurlijk is het moeilijk om de talrijke aspecten van het menselijk handelen tot enkel de culturele praktijken te herleiden, of om de veelheid aan menselijke praktijken en relaties op nationaal en internationaal niveau proberen onder te brengen onder de noemers ‘modern’ en ‘postmodern’. Toch zien we dat in het Westen verscheidene aspecten van het samenleven een belangrijke verschuiving hebben ondergaan. De staat, cultuur, economie en financiën zijn allemaal samengesmolten tot een ingewikkeld en ondoorzichtig systeem waarbinnen de praktijken van het dagelijks leven onverbiddelijk worden gevormd. Tegelijk is er de versnelde introductie van steeds ingewikkeldere informatietechnologieën op vele structurele en infrastructurele niveaus van het samenleven. Hierdoor worden de bindende
parameters van ervaringen en waarden voor grote groepen mensen buiten hun controle om bepaald. Hun ervaringen en waarden worden daarentegen steeds meer bepaald, bewaard, gecontroleerd, gemanipuleerd en zelfs gedomineerd door machten die ontsnappen aan eender welke bevraging, laat staan confrontatie.

Volgens Lyotard (1984) wordt hierdoor de Verlichtingsidee omtrent kennis ondermijnd. De postmoderne conditie impliceert belangrijke veranderingen in de manier van verzamelen en communiceren van sociale informatie. Uiteindelijk gaat kennis precies over het opslaan, verwerken en evalueren van bepaalde vormen en groepen van informatie. Indien dit zo is, dan is er eenvoudigweg geen plaats meer voor een visie op kennis als zijnde een gepriviligeerd en geünificeerd geheel van ‘gedachten’ die bestaan in de collectieve geest, en die met de grootste zorg worden bewaakt door een elite van wetenschappers, filosofen en academici. De realiteit van kennis vandaag is eerder één van een grote groep van verschillende informatiecircuits; die elk gericht zijn op een specifiek publiek; die elk hun eigen criterium van waardering hebben; en die elk steeds meer behandeld worden als een economisch goed dat kan worden gekocht en verkocht volgens de marktprincipes van vraag en aanbod. Bovendien moedigt de geavanceerde technologie van het gecomputeriseerd opslaan van informatie ons aan om kennis te behandelen als een geheel van bronnen en diensten waar we een beroep op kunnen doen en die we voor sociale doeleinden kunnen doorgeven. Kennis op deze realistische en pragmatische manier bekijken, leidt tot de bijna-vernietiging van het ‘aura’ van modernistische opvattingen over kennis en wetenschap. Dit is niet om het te devalueren, aangezien meervoudige kennis aan de basis ligt van de hedendaagse samenleving. De controle over informatie, bijvoorbeeld, is tegenwoordig vrij belangrijk zowel voor economische productie, voor politieke besluitvorming als voor militaire controle.
Deze postmoderne conditie beperkt de functies en mogelijkheden van de doorgevers, producenten en verspreiders van kennis en waarden. De intellectueel heeft zijn/haar functie dan ook grotendeels verloren. Hij/zij zit gevangen niet langer in geünificeerde maar in uiteenlopende processen. Deze maken unitaire ervaringen van cognitieve, ethische en politieke discoursen onmogelijk. De vraag moet dan ook worden gesteld welke rol de intellectueel binnen deze postmoderne conditie nog te spelen heeft.


DE INTELLECTUEEL VANDAAG

Waar blijft met dit alles de intellectueel in de hedendaagse samenleving? Welke sociale, politieke of culturele functie kunnen we toeschrijven aan de categorie van de intellectuelen in het tijdperk van de informatietechnologie? Voor Lyotard (1984) kan hij/zij enkel een subversief artiest zijn; Saïd (1994) ziet hem/haar als het individu met een intellectuele roeping; bij Foucault (1980) is hij/zij een specifiek intellectueel, terwijl Bauman (1987) slechts een nederige rol als interpretator van culturele tradities voorziet. Om deze vraag op een meer samenhangende manier te beantwoorden, kunnen we ons baseren op Gramsci’s theorie van de intellectueel, die hij doorheen zijn carrière ontwikkelde. Gramsci (1971:8) stelt terecht dat het fout is om het specifieke kenmerk van ‘de intellectueel’ af te leiden uit het zogenaamd wezenlijke van intellectuele activiteiten. Het moet daarentegen worden gezocht in het gehele systeem van sociale relaties waarin deze activiteiten (en dus ook de intellectuele groepen die ze verpersoonlijken) hun plaats hebben. Hij voorziet dan ook in een sociale analyse van de intellectueel als een persoon die een specifiek geheel van functies vervult in de samenleving. Dit is ver verwijderd van het Verlichtingsideaal van de intellectueel als een uitzonderlijk wezen, maar het is wel veel meer bruikbaar in de late 20e eeuw, zowel in een westerse als niet-westerse context. Hoewel Holub (1992) terecht onderlijnt dat Gramsci’s modellen historisch bepaald zijn
1, is zijn theorie toch voldoende suggestief en flexibel om bruikbaar te zijn voor de hedendaagse westerse samenleving, waarin steeds snellere processen van informatisering een effect hebben op de productie en verspreiding van kennis en ideologie en daarom op de condities van intellectuele functies en activiteiten in relatie tot de politiek.

In navolging van Gramsci (zie vooral Gramsci, 1971; Holub, 1992) kunnen dan vier modellen worden onderscheiden.

Model 1. de traditionele intellectueel: kunstenaar, filosoof, dichter
Tot ongeveer 1920 is Gramsci aanhanger van een opvatting over de rol van de intellectueel die aansluit bij de ‘idealistische’ of ‘traditionele’ notie van de intellectueel uit de Verlichting (cf. supra). In een samenleving die is opgedeeld in een opgeleide elite en een analfabete massa, heeft de opgeleide elite, aldus Gramsci, een belangrijke morele en culturele functie te vervullen in de opvoeding van deze massa. Eén van die taken is het wegwerken van de culturele ongeletterdheid door het introduceren van de klassieke filosofische ideeën en door de massa vertrouwd te maken met meer moderne en internationale schrijvers en kunstenaars die ‘de progressieve zaak’ omarmen.
Deze ‘idealistische’ opvatting vinden we vandaag nog terug bij iemand als Saïd (1994), die nog steeds meent dat de intellectueel een individu is met een specifieke rol in de samenleving, met een roeping die niet gereduceerd kan worden tot enkel maar een gezichtsloze professional, een competent lid van een klasse die gewoon zijn/haar ding doet. Voor hem is een intellectueel op de eerste plaats een individu met een gave voor het representeren en articuleren van een boodschap, een visie, een houding, een filosofie of een opinie aan en voor een publiek. Deze rol kan, aldus Saïd, niet worden vervuld zonder een zeker gevoel dat men iemand is die de publieke positie heeft om gênante vragen te stellen, om orthodoxie en dogma te confronteren in plaats van te produceren. De intellectueel moet het gevoel hebben iemand te zijn die niet gemakkelijk voor de kar van overheden of ondernemingen kan worden gespannen, en van wie de bestaansreden ligt in het vertegenwoordigen van alle mensen en onderwerpen die normaal worden vergeten of onder de mat worden geveegd. De intellectueel doet dit, nog volgens Saïd, op basis van universele principes, namelijk dat alle menselijke wezens het recht hebben om van wereldlijke machten of naties fatsoenlijke gedragsstandaarden te verwachten op het vlak van vrijheid en gerechtigheid, en dat opzettelijke of onopzettelijke overtredingen van deze standaarden moeten worden blootgelegd en bevochten. Intellectuelen zijn voor Saïd dus individuen met een roeping voor de kunst van het representeren, zoals praten, schrijven, lesgeven of op televisie verschijnen. En die roeping is belangrijk in de mate dat het publiekelijk herkenbaar is en zowel engagement als risico inhoudt.

Model 2. ‘gevoelsstructuur’ en ‘intellectuele gemeenschap’
Later in de jaren ‘20, evolueert Gramsci naar een positie die de activiteiten van de intellectuelen zowel vanuit een horizontaal als vanuit een verticaal perspectief onderzoekt en waardeert. Tegen het einde van de jaren ‘20 is Gramsci’s intellectueel niet alleen een ‘traditionele’ intellectueel die de massa opvoedt van bovenaf, of een kritische journalist die bewust meewerkt aan projecten van progressieve cultuuropvoeding. Hij/zij is ook en tegelijkertijd een cultureel politicus die zich verenigt met andere progressieve krachten, en die rekening houdt met de intellectuele mogelijkheden van populaire cultuur door ze op te roepen en uit te dagen. Als Gramsci’s oorspronkelijke intellectueel voornamelijk een opgevoede verspreider van zowel traditionele als revolutionaire ideeën was, dan is deze nieuwe intellectueel het product van en heeft die een functie in vele sociale sites.
De verschillende noties van de intellectueel die Gramsci aanbiedt, sluiten elkaar niet uit. Ze bestaan daarentegen naast mekaar omdat deze verschillende concepten proberen vat te krijgen op de vele niveaus en functies van de ‘intellectuele realiteiten’. Zoals Gramsci uitlegt in The Prison Notebooks, zijn er verschillende ‘intellectuele gemeenschappen’ met hun eigen esprit de corps. Wat de ene intellectuele gemeenschap onderscheidt van de andere zijn de respectieve talen die in elke gemeenschap wordt gesproken, m.a.w. hun vormen van communicatie die de emotionele, psychologische en waarderingsregisters van de specifieke ‘gevoelsstructuur’ van een gemeenschap bevatten. De gevoelsstructuur van de ene gemeenschap - en de ervaringen, vooronderstellingen en uitsluitingen die er aan ten grondslag liggen - zijn niet identiek aan maar verschillend van de gevoelsstructuur van andere gemeenschappen.
Deze idee van verschillende intellectuele gemeenschappen met hun eigen gevoelsstructuur en discours is bijzonder interessant om vat te krijgen op de positie van kennis en intellectuelen in een conditie van postmoderniteit, zoals hierboven beschreven.

Model 3. de ‘organische intellectueel’, en de ‘kritische specialist’
In The Prison Notebooks introduceert Gramsci ook het concept van de intellectueel als tussenpersoon in de kapitalistische burgerlijke maatschappij. Het gaat om apothekers, advocaten, onderwijzers, priesters en dokters, om wetenschappers, onderzoekers, technici en ingenieurs, om militairen, rechters en leden van de politie, om agenten van instituties. Zij produceren zelf geen vormen van kennis maar verspreiden informatie - of houden informatie achter - en oefenen zo functies uit van sociale controle. Net zoals de dwingende staatsapparaten van de politieke samenleving indien nodig worden gemobiliseerd om het status quo te verzekeren, zo zorgen de apparaten van de burgerlijke samenleving voor de ‘spontane’ consensus van de massa met het status-quo, met de algemene richting die het sociale leven wordt opgelegd door de dominante economische groep. De ‘kern’ van de nieuwe intellectueel, aldus Gramsci, kan niet langer bestaan uit welsprekendheid, wat slechts een extern en tijdelijk middel is om de emoties en passies te beroeren. De intellectueel neemt daarentegen actief deel aan het praktische leven, als opbouwer, organisator, ‘permanente overtuiger’ en niet enkel als spreker.
Dit is de intellectuele gemeenschap van het kapitalisme. Deze categorie is organisch omdat de kapitalistische ondernemers ze naast hen gecreëerd hebben. Ze is traditioneel omdat ze de waarden en zienswijzen van de dominante economische klasse belichaamt. In de mate dat deze groep van intellectuelen een gevoelsstructuur aanhangt die technologische vooruitgang, een technologisch functionalistische toekomst en een instrumentele rationaliteit propageert, is ze ook te onderscheiden van de groepen van traditionele intellectuelen die het verleden ophemelen. Zoals Saïd (1994:4) uitlegt, kunnen de reclame- en pr-experten, die technieken ontwikkelen om een fabrikant van detergenten of een luchtvaartmaatschappij een groter deel van de markt te bezorgen, worden beschouwd als Gramsci’s organische intellectuelen: iemand die in een democratische samenleving probeert om de instemming van potentiële consumenten te winnen, om goedkeuring te krijgen, om de mening van consumenten of kiezers te verzamelen.
Daarnaast kan nog de ‘kritische specialist’ worden onderscheiden. De functies van deze intellectueel zijn zowel gespecialiseerd als niet-gespecialiseerd. Ze zijn niet-gespecialiseerd in de zin dat de specialist weet heeft van de algehele aard van de productiewijze en van de plaats die hij/zij hierin bekleedt of weigert te bekleden. Deze ‘kritische specialist’ neemt wel deel aan gespecialiseerde vormen van productie, distributie en uitwisseling, maar doorziet deze tegelijkertijd als een systeem van relaties. Het gaat hier dus niet om een technocraat van het kapitalisme, maar om een ‘kritische gemeenschap’ die — gevangen in processen van rationalisering en technologisering in de sfeer van materiële en culturele productie - blijft proberen deze systemen en subsystemen te begrijpen. Zij zal kritiek uiten op die processen indien het democratisch project er door in het gedrang komt. Deze rol wordt tegenwoordig vervuld door mediamensen, computeranalisten, beleidsexperten, overheidsadviseurs, ezv.
Binnen deze categorie kan Foucault’s specifieke intellectueel of expert worden gesitueerd. Volgens Foucault (1980: 126-133) is de figuur waarin dit type intellectueel is geconcentreerd niet langer die van de geniale schrijver maar die van de ‘absolute kenner’. Het is niet langer diegene die de waarden van allen in zich draagt, maar die zijn/haar kennis en dus macht in dienst van of juist tegen de staat kan stellen. Magistraten en psychiaters, dokters en welzijnswerkers, laboranten en sociologen zijn in staat gesteld om binnen hun eigen veld en via wederzijdse uitwisseling en ondersteuning deel te nemen aan een globaal proces van politisering van intellectuelen. Volgens Foucault verklaart dat proces waarom de schrijver wel van het toneel verdwijnt, maar de universiteit en academici toch nog een functie kunnen hebben als uitwisselaars van kennis.

Model 4: de ‘universele intellectueel’
Als gebruikers van de taal, als agenten in communicatieve processen, zijn uiteindelijk alle mensen filosofen en intellectuelen. Volgens Gramsci (geciteerd in Holub, 1992:169):
It is essential to destroy the widespread prejudice that philosophy is a strange and difficult thing just because it is the specific intellectual activity of a particular category of specialists or of professional and systematic philosophers. It must first be shown that all men are "philosophers".

Gramsci (1971:9) stelt dat er geen menselijke activiteit is waarvan elke vorm van intellectuele participatie kan worden uitgesloten. De handelende mens kan niet worden gescheiden van de denkende mens. Ieder mens voert uiteindelijk, buiten zijn professionele activiteit, een zekere intellectuele activiteit uit. Hij/zij is een ‘filosoof’, een artiest, een mens met smaak, die deelneemt aan een bepaald wereldbeeld, die een bewuste leidraad heeft voor moreel gedrag, en die daarom bijdraagt aan het ondersteunen van een bepaald wereldbeeld of aan het veranderen er van, en zo aan het in het leven roepen van nieuwe denkwijzen.
Door intellectualiteit uit te breiden naar alle menselijke wezens, daarbij sprekend van universele intellectuelen, stelt Gramsci niet dat er geen verschillen bestaan tussen universele en traditionele intellectuelen. Alle mensen zijn intellectuelen maar niet alle mensen hebben in de maatschappij de functie van intellectueel. Indien alle mensen denkende individuen zijn, doordat ze taalgebruikende individuen zijn, dan hebben ze ideeën en opvattingen over de wereld die hen helpen om betekenis te geven. Sommige van deze ideeën ondersteunen de status-quo. Het is door het bestuderen van de politieke inhoud van deze opvattingen, door mensen bewust te maken van de niet-neutraliteit van hun denkwijzen, door hun bewustzijn op te wekken, dat alle mensen potentieel kritische denkers kunnen worden. Alle mensen zijn denkers of universele intellectuelen zijn. Het is dus een van de taken van de ‘intellectuelen die niet alleen universele intellectuelen maar ook kritische intellectuelen zijn’ om de notie naar voren te brengen dat alle mensen ‘universele intellectuelen’ zijn.
Deze erg teruggeschroefde en bescheiden functie van de kritische intellectuelen vinden we ook terug in de bescheiden rol die Bauman (1987) aan de intellectueel geeft als interpretator. Hij/zij heeft de terecht nederige taak van het interpreteren van verschillende culturele tradities en het leggen van verbanden hiertussen. Deze interpretator is bescheiden maar niet zelf-ontkennend. De intellectueel heeft een sterk beperkte maar belangrijke rol, aldus Bauman, als promotor van begrip tussen verschillende culturen en tradities, wat zal bijdragen aan een betere wereld voor alle mensen.


BESLUIT: EVERYBODY IS AN INTELLECTUAL

Samen met de teloorgang van de modernistische uitstraling van kennis en wetenschap door de groei van de ‘postmoderne’, gefragmenteerde informatiemaatschappij, zijn ook de uitstraling en de functie van de intellectueel grotendeels verdwenen. Eens men aanvaardt dat ‘iedereen een intellectueel is’, kan men niet anders dan het zogenaamd onderscheidende kenmerk dat eigen zou zijn aan intellectualiteit, toekennen aan ieder mens. Het verlichtingsideaal van de intellectueel als uitzonderlijk wezen, het universeel geweten, de drager en de spreekbuis van het universele, kan dan nog slechts als een vorm van arrogantie van bepaalde bevoorrechte groepen worden beschouwd.
Dit betekent niet dat er geen enkele plaats meer zou zijn weggelegd voor vormen van intellectuele activiteit die verder gaan dan de erkenning dat ieder mens een universele intellectueel is. Men moet hierbij uitgaan van de sociale functies die intellectuelen - die niet alleen universele intellectuelen zijn - kunnen vervullen in een maatschappij. Hierdoor kunnen verschillende intellectuele functies op verschillende momenten in verschillende samenlevingen worden onderkend. Gramsci’s concept van intellectuele gemeenschappen vormt hierbij een uitstekend uitgangspunt aangezien het toelaat de verschillende niveaus en functies in de intellectuele realiteiten te begrijpen zonder de intellectueel op een veel te hoog podium te plaatsen.


EINDNOTEN

1 Gramsci ontwikkelde zijn theorie op basis van zijn studie van de Italiaanse geschiedenis. De sfeer die hij toeschrijft aan intellectuelen en aan intellectuele activiteiten en de manier waarop hij deze categorie historisch en sociologisch begrijpt, is echter van belang is voor het aflijnen van een theorie van de intellectueel en van intellectuele functies in en voor ons tijdsgebied.

WOORDENLIJST

paradigma: algemeen kader van theorievorming in het algemeen of in een bepaald kennisgebied in een bepaalde periode
premisse: vooropgezette of voorafgaande stelling
holistisch: er van uitgaande dat het geheel meer is dan de som van de delen
cumulatief: samenvoegend
progressief: op vooruitgang gericht
parameter: grootheid, standaard waartegen iets kan worden gemeten




BIBLIOGRAFIE

Bauman, Z. (1987) Legislators and Interpreters: On Modernity, Post-Modernity and Intellectuals. Cambridge: Polity Press.
Foucault, M. (1980) ‘Truth and Power’, in Power/Knowledge: Selected Interviews and Other Writings. Brighton: Harvester Press.
Foucault, M. (1982) ‘The Subject and Power’, Critical Inquiry, 8: 777-795.
Foucault, M. (1993) ‘Space, Power and Knowledge’, in S. During (Eds.) The Cultural Studies Reader. Londen: Routledge.
Gramsci, A. (1971) ‘The Intellectuals’, in Selections from the Prison Notebooks. Londen: Lawrence and Wishart.
Holub, R. (1992) Antonio Gramsci: Beyond Marxism and Postmodernism. London: Routledge.
Lyotard, J.-F. (1984) The Postmodern Condition: a Report on Knowledge. Manchester: Manchester University Press.
Marcus, G. & Fischer, M. (1986) ‘A Crisis of Representation in the Human Sciences’, in Anthropology as Cultural Critique. Chicago (Ill.): University of Chicago Press.
McLennan G. (1992) ‘The Enlightment Project Revisited’, in S. Hall, D. Held & T. McGrew (Eds.) Modernity and its Futures. Cambridge: Polity Press/Open University.
Saïd, E. (1994) Representations of the Intellectual: The 1993 Reith Lectures. Londen: Vintage.

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home