|
Peter Vermeersch
Het opbloeien van etnisch activisme en nationalisme
was zonder twijfel een van de meest in het oog springende effecten van de liberalisering
in Midden- en Oost-Europa na 1989. Dit "reveil van de volkeren" had duidelijk
te maken met het afbrokkelen van de Sovjetmacht en het veranderen van de internationale
machtsverhoudingen. Voor 1989 konden potentiële conflicten niet tot uitbarsting
komen omwille van de overkoepelende druk vanuit Moskou. Toen deze druk wegviel, kregen
staten (en groepen binnen staten) de mogelijkheid zich te emanciperen en een eigen
"identiteit" te vormen. Het nationalisme, de idee dat culturele eigenheid
zich moet weerspiegelen in een statelijke structuur, zorgde voor een ware herconceptualisering
van de Midden- en Oost-Europese volkeren en een streven naar nieuwe afbakeningen.
In bepaalde gevallen werd de kaart ook daadwerkelijk hertekend.
Zoals altijd bij de vorming van nieuwe staten, wordt in dit ontvoogdingsproces veelvuldig
gebruik gemaakt van het criterium van de culturele of etnische identiteit, een troebel
gegeven dat wordt "geobjectiveerd" door gebruik te maken van meestal historische
en linguistische criteria. In veel gevallen zoekt men aansluiting bij de periode
die het communisme voorafgaat, vaak echter brengen deze gegevens geen uitsluitsel
en wordt er dieper in de geschiedenis gegraven. Een voorbeeld hiervan zijn de discussies
tussen Hongarije en Roemenië rond Transylvanië.
De zoektochten naar de oorsprong resulteren dikwijls in claims van natuurlijke of
historische verbondenheid met een bepaald territorium. Dit noemt men ook "primordiale
autochtonie": het principe dat aan individuen of groepen ten aanzien van een
bepaald territorium een bijzondere kwalificatie toekent omdat ze afstammen van ouders
en voorouders die als "eersten" op deze grond hebben gewoond 1.
Het principe van de primordiale autochtonie in ontvoogdingsprocessen is aantrekkelijk
omdat het zo vanzelfsprekend lijkt. In werkelijkheid is het een ideologische constructie
die bijzonder onpragmatisch is. Omdat in veel gevallen de grenzen tussen volkeren
niet duidelijk te trekken zijn (geen enkel criterium is onbetwistbaar, niet het geografische,
noch het linguistische of het historische), leverde de herconceptualisering van de
Midden-Europese kaart tot nu toe al heel wat "minderhedenproblemen"
op. Deze minderhedenproblemen kregen verschillende vormen:
etnische ontvoogding, xenofobie, opleving van volksnationalisme, etnisch geweld.
Een van die minderhedenproblemen is dat van de Midden-Europese Zigeuners, de Roma.
Sinds de val van het communisme zijn er ook binnen deze groep ontvoogdingstendenzen
gegroeid. Hun nationalisme is echter a-typisch: het gaat om een unificerende beweging,
maar dan zonder territoriumaanspraken en met de nadruk op het zoeken naar een oplossing
voor hun economisch en sociaal achtergestelde positie. Maar de Roma-renaissance heeft
ook af te rekenen met een dilemma. Het nationalisme waarvan zij gebruik maken, moet noodgedwongen uitgaan van dezelfde conceptuele
vooronderstellingen als het nationalisme dat tegen hen wordt gebruikt.
In dit artikel concentreer ik mij op deze specifieke problematiek van de Roma-beweging
in Centraal-Europa. Ik probeer de paradox van het nationalisme van de Roma activisten
en de Roma civil society organistaties in kaart te brengen. De situatie van de Roma
is op dit moment dermate dramatisch dat de groei van het aantal Roma-organisaties
niet anders kan gezien worden als een positieve trend. Maar de vraag is of druk van
deze niet-statelijke actoren voldoende zal zijn om ook de overheden tot een aangepast
beleid te dwingen. Zal het niet-territorium gebonden Roma-nationalisme van de Roma-bewegingen
in Centraal-Europa in staat zijn voldoende druk uit te oefenen op de overheden?
Om een begin van een antwoord te vinden op die vraag beschrijf ik eerst de algemene
situatie van de Roma en ga vervolgens op zoek naar een aantal mogelijke wortels van
deze situatie. In tweede instantie schets ik in kort bestek het onstaan en de karakteristieken
van het nationalisme van de Roma, dat voor een groot deel wordt verbonden met de
Indiase afkomst van de Roma. Tenslotte bekijk ik het debat rond de mogelijkheden
en de beperkingen van de Roma-beweging.
De situatie van de Roma in Midden-Europa
Over bevolkingsaantallen lopen officiële cijfers en onafhankelijke schattingen
soms ver uiteen, maar het is duidelijk dat de Roma een belangrijke en zeer verspreide
minderheid in Midden- en Oost-Europa zijn. Voor Midden-Europa worden volgende laagste
en hoogste cijfers genoemd 2 :
Hongarije: 550.000 - 800.000
Roemenië: 1.410.000 - 2.500.000
Slovakije: 458.000 - 520.000
Tsjechië: 150.000 - 300.000
Hoewel de situatie van de Roma-gemeenschappen enigszins verschilt van land tot land
zijn er toch ook een aantal belangrijke overkoepelende kenmerken. De Roma nemen als
minderheid in Midden-Europa een bijzondere plaats in. Ten eerste gaat het om een
groep van mensen die territorium hebben noch eisen.
Net als de Joden voor de Tweede Wereldoorlog zijn ze 'transnationaal'. Ten tweede
vormen ze geen monolithische cultuur, maar een lappendeken van varianten en dit zowel
etnografisch, taalkundig als historisch. Ten derde zijn de sociale omstandigheden
waarin ze vandaag leven uitzonderlijk zorgwekkend en zijn ze zeer vaak het
slachtoffer van racistisch geweld.
Statistieken tonen aan dat de economische transitie in de voormalige staatseconomieën
van Midden-Europa bepaalde marginaliserende effecten heeft gehad op een deel van
de bevolking. Van geen enkele andere groep lijkt de transitie nochtans zoveel te
eisen als van de Roma. Dit is in de eerste plaats te merken aan de werkloosheidscijfers. In Hongarije waren in 1994 65% van de Roma-mannen
werkloos. In het noordelijke gedeelte van het land, een voormalig centrum van de
staalproductie, liep dit op tot 90%.3 Vaak komen
werkloze Roma niet in aanmerking voor een werkloosheidsuitkering. Niet alleen in
Hongarije, maar in zowat de hele regio zijn Roma onderhevig aan de gevolgen van werkloosheid:
armoede, slechte huisvesting en een gebrek aan mogelijkheden voor sociale promotie.
Dit terwijl de gezinnen groot blijven en het aantal jonge Roma toeneemt. Het onderwijssysteem
is niet in staat deze jongeren te bereiken. De kleine criminaliteit groeit, de reacties
van politie worden steeds repressiever.
Deze neerwaartse spiraal wordt in de hand gewerkt door discriminatie op de werkplaats
en de toename van racistisch geweld. In Krnov (Tsjechië) wonen ongeveer duizend
Roma op een inwonersaantal van 26.190. Het Documentation Centre for Human Rights
heeft er sinds 1993 honderddertig racistische geweldacties op Roma genoteerd.4 Dit
is maar een voorbeeld uit een hele rij. In de periode tussen 1989 en 1996 waren meer
Roma op een of andere manier slachtoffer van racistisch geweld, dan in de hele periode
na de Tweede Wereldoorlog tot 1989. Dit wordt meestal economisch verklaard: de verliezers
van de transitie (mensen die in de transitieperiode aan inkomensverlies hebben geleden
of hun baan hebben verloren) zijn geneigd om een "compenserende actie"
te ondernemen. In een beschermende reflex schuiven ze de schuld voor de verslechterende
situatie in de schoenen van minderheidsgroepen en proberen ze de eigen groep op te
waarderen.
De overheid, die electoraal voordeel heeft bij het bevestigen van dit stereotiep,
legt de slechte sociale situatie van de Roma vaak uit als een cultureel probleem.
In hun redenering is niet de situatie van de Roma problematisch, maar zijn het de
Roma zelf (hun a-sociaal gedrag, hun onbekwaamheid, e.d.) die de kern van het probleem
zijn. Vandaar het xenofobe taalgebruik van veel politici, het succes van uiterst
rechtse groeperingen en het gebrek aan politieke wil om de situatie ten gronde te
verbeteren. Vooral wat betreft huisvestingspolitiek is de rol van de lokale overheid
zeer dubieus. Als gevolg van een opgedrongen assimilatie of een actieve segregatiepolitiek
tijdens het communisme, leven Roma vandaag vaak nog altijd in getto's. De lokale
overheid heeft de neiging de ruimtelijke afstand tussen de Roma en de andere inwoners
van een stad te laten bestaan of zelfs te bevestigen. Dit gebeurt expliciet in veel
Roemeense dorpen of steden, waar oude wijken worden gesloopt en Roma gedwongen worden
om illegaal en uit het zicht van het dorpscentrum te wonen. In het Tsjechische dorp
Usti nad Labem beloofde de burgemeester in mei 1998 een muur van 4 meter hoog te
bouwen om zo het Roma-gedeelte af te sluiten van de meerderheidsbevolking.5 Soms
wordt ook een verborgen getto-politiek gevoerd. Na de overstromingen in Ostrava (Tsjechië)
in de zomer van 1997 werden veel Roma overgebracht naar provisoire woningen in wijken
waar reeds Roma woonden. De lokale overheid vond deze tijdelijke huisvesting aan
de rand van de stad een goede "definitieve oplossing voor het plaatselijke Roma-probleem".6
Soms gaat de overheid nog verder. In 1996, tijdens een partijcongres van premier
Meciars Beweging voor een Democratisch Slovakije, slaagde Lubomir Javorsky, de gezondheidsminister
van Slovakije, erin om te beweren dat de regering er alles zou aan doen "om
te verzekeren dat er meer blanke kinderen dan Roma-kinderen zouden worden geboren."7 De maatschappijopvattingen achter dergelijke publieke
uitspraken ontmoedigen allerminst de terreurdaden. Sinds enkele jaren is het aantal
geweldacties tegen Roma in Slovakije dan ook fors gestegen, meestal gaat het om aanvallen
van skinheads.
De wortels van de problemen van de Roma
In het debat over de situatie van de Roma in de post-communistische landen van
Midden-Europa is er een consensus over de dringende aard van de problemen. Over oorzaken
en mogelijke oplossingsstrategieën is men het minder eens. Auteurs die op zoek
gaan naar de wortels van de sociale situatie van vandaag vinden een zeer complex
verhaal.
Eén aspect ervan is in elk geval de geschiedenis van het vooroordeel. Het is
niet moeilijk om negatieve vooroordelen tegenover Roma te vinden in de volkscultuur,
niet alleen in Midden- en Oost-Europa. De "Zigeuners" (Gypsies,
Tsiganes, zoals ze door de niet-Zigeuners worden benoemd) worden als een "aparte"
of "vreemde" groep gezien, een groep die nergens thuishoort, "niet
te klasseren", vaak synoniem met "vijandig". En vijandigheid kan vermengd
zijn met een ander extreem gevoel: afstandelijke fascinatie, romantisering, toekennen
van magisch (duivelse) eigenschappen. Dit zijn extreme beelden die nog altijd terug
te vinden zijn in publieke vertogen over het "anders-zijn" van de Roma.
Het "cultureel verschil" dat men ervaart, is echter niet de oorzaak maar
het gevolg van een negatieve stigmatisering. En het proces van stigmatisering
op zich is sterk verbonden met opvattingen in het overheidsbeleid en met economische
en politieke ontwikkelingen. Wim Willems 8
schrijft dat in de 15de eeuw een criminaliserend beleid ten opzichte van rondtrekkenden
en vagebonden werd ingevoerd. Outlaws werden immers gezien als verstoorders
van de sociale en economische orde. De term Zigeuner was een etiket door de overheid
uitgevonden om een in werkelijkheid zeer verscheiden en etnisch gemengde groep te
categoriseren en te kunnen vervolgen. Een afwijkende economische status werd dus
uitvergroot tot een onoverbrugbaar cultureel verschil. Dat Zigeuners een aparte (heiden,
vreemde) categorie waren, werd gepopulariseerd met plakkaten en verordeningen.
De vraag is of de Zigeuners werkelijk als een probleem werden aangevoeld, als een
"bedreiging van de economische orde". Het tegendeel lijkt waar te zijn.
David Crowe 9 wijst erop dat voor de uitbreiding van het Osmaanse
rijk over de Balkan en gedeelten van Midden-Europa, de Roma werden beschouwd als
nuttige burgers. Behalve enkele vermeldingen over Zigeunerslaven in documenten uit
Moldavië-Wallachije, wijst alles erop dat de meeste Roma in Midden-Europa, die
metaalbewerkers, muzikanten of soldaten waren, niet werden vervolgd omwille van hun
etnische afkomst. Het was pas wanneer er politieke of economische motieven opdoemden
dat er een sterke etnische categorisering plaats vond. Zo werden bijvoorbeeld vanaf
de zestiende eeuw in door de Turken veroverde gebieden in Midden-Europa, nieuwe wetten
in het nadeel van de Roma uitgevaardigd en werden in het door de Turken bedreigde
Koninkrijk Hongarije de Roma gezien als spionnen, als een soort van Turkse vijfde
colonne.
Niet alleen het beleid drong negatieve vooroordelen tegenover de Roma in de volkscultuur
op. Ook de wetenschappelijke teksten, die meestal in opdracht van de beleidsvormers
waren geschreven, oefenden een invloed uit op de volkscultuur. Een belangrijk aspect
van de beeldvorming rond Zigeuners is het gevolg van (pseudo-)wetenschappelijke onderzoek
rond Zigeuners. Dominante zigeunerstudies, zoals die van Grellmannn (1783), zorgden
er in het kielzog van het romantisch nationalisme voor dat de Zigeuners als een geheel
werden gezien, als een "apart volk".
Het optrekken van "natuurlijke" etnische grenzen door de wetenschap heeft
verstrekkende gevolgen gehad voor het spontane denken over culturen in de twintigste
eeuw. Het wetenschappelijk etnocentrisme van de 19de eeuw zag cultuurverschillen
als verschillen in biologische diversiteit. Volgens deze theorie is elk verschil
biologisch bepaald volgens netjes aflijnbare categorieën (rassen) en hebben
de rassen een bepaalde natuurlijke hiërarchie. Het Nazisme uit de 20ste eeuw
is een uitloper van dit doctrinair racisme en leverde voor de mensen die het etiket
Zigeuner droegen de grootste ramp uit hun geschiedenis. Tussen 1941 en 1945 werden
in de porajmos (het Romani woord voor holocaust) 500.000 mensen vermoord omwille
van hun Zigeunerafkomst. De neiging van de overheden vandaag in Centraal-Europa om
de Roma als een overkoepelend cultureel probleem te zien ("ze zijn nu eenmaal
anders") sluit aan bij de idee van het nationalisme: "ze behoren niet van
nature bij onze staten".
Zowel bij stigmatisering door overheid als door de wetenschap zien we dat de sociale
constructie van Zigeuners als "aparte groep" vooral werd gemaakt door niet-Zigeuners.
Bij deze constructie werd steeds het primordiaal standpunt gehanteerd. Dat was niet
anders tijdens het communisme, met dat verschil dat de gediscrimineerde positie van
de Roma toen werd verborgen achter een leugenachtig politiek discours van interetnische
tolerantie. Het was de bedoeling van het communisme om de discriminatie van de Roma
weg te werken door de Roma als etnische categorie weg te werken. Dit betekende gedwongen
assimilatie: hen opvoeden tot arbeidersklasse en tewerkstellen in fabrieken. De Roma
waren volgens het communisme een door het kapitalisme aangetaste groep (want ze hadden
zich in het verleden vaak met handel bezig gehouden) die dus behoefte hadden aan
hulp. De bedoeling van het communistisch bewind om de Zigeuners te doen verdwijnen,
een doel dat uiteindelijk bijzonder dicht bij dat van Nazi-Duitsland lag, leidde
in praktijk tot het tegenovergestelde. Gedwongen assimilatie leidde tot verdrukking
en gedwongen tewerkstelling leidde tot segregatie. De sociale verschillen werden
groter, het "anders-zijn" van de Roma werd groter. In Hongarije bijvoorbeeld
zag men dat de overheid heel wat geld verspilde aan een slecht "Zigeunerbeleid",
als gevolg daarvan flakkerde op momenten van economische crisis de discriminatie
tegenover Roma des te harder op.10 Het geassimileerd
zijn van de Roma werd een propagandistische troef. In Roemenië onder Ceausescu
bestonden Roma officieel niet, dus konden ze officieel ook niet gediscrimineerd worden.
Deze manke redenering verdoezelde de realiteit van de discriminatie en was meteen
ook een vrijbrief om te discrimineren.
De groei van een civil society en Roma-nationalisme
Na 1989 zien we niet alleen de toename van discriminatie en de verslechtering
van de sociaal-economisch achtergestelde positie van de Roma, er is sinds de liberalisering
ook sprake van een groei van het aantal Roma-bewegingen, een groei van wat
men in politieke termen de civil society noemt.
Het gaat om een zeer diverse groep van Roma-organisaties en projecten die zich afzetten
tegen de communistische vertegenwoordiging van de Roma en een nieuwe basis zoeken
voor het verdedigen van hun belangen en het verbeteren van hun situatie. Internationaal
wordt het voortouw genomen door de International Romani Union 11
die de situatie onder de internationale publieke belangstelling probeert te krijgen.
Ook Westerse NGO-netwerken, zoals de Soros Foundations, zijn op dat vlak erg actief.
12 Maar de moeilijkheden die de Roma-emancipatie ondervindt
in het verbeteren van de omstandigheden, zijn onlosmakelijk verbonden met de complexiteit
van minderhedenbescherming in het algemeen, die o.a. het gevolg is van de vaagheid
van concepten en conceptuele vooronderstellingen die aan de basis liggen van beleid
en wetgeving rond minderheden. Juist omdat Roma zo'n moeilijke minderheid zijn, komen
de belangrijkste problemen van de minderhedenbescherming vergroot aan bod.
De Roma zijn een "moeilijke" minderheid, omdat datgene wat men in de geijkte
definitie van minderheid als objectiveerbaar hanteert voor de Roma niet opgaat: vast
territorium, eenheidstaal, bestudeerde en herdachte geschiedenis, gebiedsconcentratie,
duidelijke oorsprong, nationaliteit e.d. In de dagelijkse realiteit van de Roma zijn
dit geen primaire problemen. Antropologen als Michael Stewart en Judith Okely 13 hebben erop gewezen dat een gebrek aan geschreven
geschiedenis geen zorgwekkend punt is voor de Roma. Hetzelfde geldt voor de versnippering
of het gebrek aan een vaderland. Hetgeen wij verstaan onder "etnische identiteit"
blijkt voor veel gewone Roma niet te bestaan. Voor hen, schrijft Stewart, wordt identiteit
geconstrueerd en constant hermaakt in het heden in de relaties met de betekenisvolle
anderen, en is het niet iets wat uit het verleden is geërfd.
Het gebrek aan de objectiveerbare kenmerken als minderheid is dus iets wat de gemiddelde
Roma zelf geen zorgen baart. De overkoepelende Roma-organisaties en Roma-intellectuelen
zitten er echter wel mee verveeld. Aangezien een sterke groepsidentiteit gebaseerd
op objectiveerbare criteria nog altijd de sterkste basis is voor de belangenverdediging
van een minderheid (tegenover een meerderheid), zien de Roma-organisaties zichzelf
verplicht tot het construeren van een dergelijke identiteit.
De prijs van het niet hebben van een vaderland is zeer hoog geweest, schrijft Ian
Hancock, vertegenwoordiger van de International Romani Union bij de VN en
UNICEF.14 Maar aangezien de Roma-nationalisten moeilijk het
territorium als een realistisch uitgangspunt kunnen nemen, wordt de kwestie van de
etnische oorsprong plots ontzettend belangrijk. Roma-nationalisten vallen terug op
het feit dat de Roma een onverdeeld volk was bij het binnenkomen in Europa en dat
ze nu opnieuw een onverdeeld volk moet worden. De fragmentatie die er vandaag heerst,
is volgens hen enkel te wijten aan externe, vijandige elementen.
De zo goed als wetenschappelijk bewezen Indiase afkomst is voor bijna alle Roma-intellectuelen
van vandaag zeer belangrijk. Op basis van taalkundig onderzoek is immers gebleken
dat de roots van de Roma in India liggen. Deze visie werd al in de 18de eeuw
beschreven door Grellman en wordt nu door de Roma-intellectuelen zelf overgenomen
en wetenschappelijk verfijnd. Maar hier duikt het dilemma op: Roma-intellectuelen
willen het maken van een Roma-identiteit uit handen van de niet-Roma overnemen, maar
tegelijk sluiten ze, door de Indiase wortels te benadrukken, aan bij de nationalistische
niet-Roma visies die gegroeid zijn in de 19de eeuw. De primordiale vooronderstelling
is zo belangrijk voor het verdedigen van minderheidsrechten dat de Roma-intellectuelen
zich gedwongen zien aansluiting te zoeken bij de niet-Roma-intellectuelen die hen
het etiket "exotisch" hebben opgedrongen.
Ian Hanckock, verdediger van het benadrukken van de Indiase oorsprong als basis voor
de etnische identiteit van de Roma, beseft dit goed. Maar voor hem is een wetenschappelijk
goed onderbouwde identiteit, welk bezwaard verleden die dan ook heeft, beter dan
fictionele willekeur. Met andere woorden: de identiteit is nu in handen van de Roma
zelf en moet door hen zo wetenschappelijk mogelijk onderbouwd worden. Voor hem moeten
Roma gezien worden als Indiase uitwijkelingen. Dit is een stevig en duidelijk uitgangspunt.
Hij neemt ook de praktische consequenties van deze basis aan en zoekt symbolische
steun voor de Roma bij de Indiase regering. Dat de vraag of Roma Europees of Aziatisch
zijn niet de grootste zorg is van de gemiddelde Roma in Midden-Europa, betekent niet
dat het voor de Roma-intellectuelen ook zo moet zijn. Zij immers, meent Hancock,
moeten onderhandelen met regeringen en internationale organisaties.
Judith Okely en Wim Willems benadrukken het exotiserende effect van dergelijke identiteitsconstructie.
De International Romani Union is een bewonderenswaardig initiatief in hun
opinie, maar zal nooit aansluiting vinden bij de Roma-achterban. Die Indiase afkomst
is voor de gemiddelde Roma zonder enige praktische betekenis. Bovendien is volgens
hen het model te eenvoudig. Aan de oorsprong van de Roma ligt een complexe mengeling
van groepen. De Roma als "Indiaas volk" is een produkt van 19de eeuws Europees
nationalisme. Wanneer de Roma-intellectuelen deze Indiase afkomst nu benadrukken,
komen ze tegemoet aan de conceptuele vooronderstellingen van het racistische discours:
namelijk dat Roma hier niet "thuis" horen.
Het is echter begrijpelijk dat het deconstrueren van de Roma-identiteit in kringen
van Roma-intellecuelen niet graag wordt gezien. Het doet denken aan het verleden,
aan de retoriek achter de gedwongen assimilatie. Nochtans is Willems' pleidooi voor
een andere benadering van de Roma-identiteit een poging om het romantische niet-Roma-discours
te doorbreken, en geen poging om de eigenheid van de Roma aan te tasten. Willems
wil alleen niet meer het etnische aspect benadrukken, maar wil zich concentreren
op de sociaal-economische aspecten van de geschiedenis van de Roma. De Roma worden
dan gezien als een clan van ambachtslieden die in de loop van de eeuwen onder invloed
van nader te bestuderen omstandigheden een bepaalde identiteit hebben verworven.
Er zijn nog andere elementen in de discussie rond de etnische identiteit van de Roma.
Voor de gewone Roma is er niet alleen geen besef van de Indiase afkomst, er is ook
geen vaste definitie van wat Roma-zijn nu eigenlijk betekent, behalve dan het feit
dat het niet-gado-zijn is. In het Romani wordt een niet-Roma aangeduid als
gado. Er is daarentegen geen enkel Romani woord om "Roma" in het algemeen
aan te duiden. De term "Roma" is door de International Romani Union
wel vooropgesteld als een betere term dan de veel slechter geconnoteerde termen als
"Zigeuner", "Gypsy", "Tsigane". Maar in principe zijn
de "Roma" slechts een van de vele afzonderlijke groepen. Het enige echt
bindend element dat onder Roma erkend wordt, is dat van de fomanipé ('roma-heid',
'gypsyness'): de strikte opdeling tussen Roma en niet-Roma. Deze classificatie
wordt door de Roma gebruikt in zeer concrete gevallen, maar de lading ervan is bijna
nooit volledig dezelfde. Deze "Roma-heid" kan dus wel wijzen op een eigen,
binnen de Roma-gemeenschappen zelf gevormde identiteit. Maar deze basis is voor buitenstaanders
bijzonder troebel.
Sommige wetenschappers, zoals de Poolse socioloog Slawomir Kapralski 15
, zien in de holocaust (de Porajmos) een meer vaste basis. Het feit dat de
Poolse Vereniging van Roma is gevestigd in Auschwitz toont voor Kapralski aan dat
het "leed van de Roma als volk" kan dienen om de fragmentatie binnen de
Roma weg te werken. Kapralski beseft goed dat dit om een identiteitsconstructie gaat,
"het vormen van een traditie", maar gelooft dat dit een pragmatische constructie
is die de Roma op politiek vlak verder kan helpen.
De discussie rond Roma-identiteit zou intellectuele haarkloverij zijn, indien er
inderdaad geen belangrijke politieke gevolgen aan vastzaten. Om de sociaal-economisch
achtergestelde positie van de Roma in Centraal-Europa te verbeteren, moet er duidelijk
vanuit de overheid een bepaald beleid ten aanzien van hen worden gevoerd. Achter
bepaalde beleidslijnen rond migratie, burgerschap, minderhedenrechten zitten nu eenmaal
visies op concepten als culturele identiteit. Door een voor de Roma nadelige burgerschapswet
in Tsjechië bijvoorbeeld, hebben veel Roma plots een onduidelijke burgerstatus
of werden zelf "buitenlander in eigen land".16
Het onderzoek naar de visies die aan de grondslag van een bepaald beleid liggen,
is dus zeer belangrijk. Dat wordt ook door de Roma-organisaties goed begrepen. Beleidsvorming
ten opzichte van de Roma is bovendien een internationale kwestie. De oplossing van
de problemen van de Roma-bevolking is niet alleen de taak van de nationale overheden,
maar vereist ook - aangezien de situatie van de Roma in de hele regio min of meer
gelijklopend is - een regionale aanpak en, bij het uitbreiden van de Europese Unie,
zelfs een Europese aanpak.
Blijft de vraag of het creëren van een etnische identiteit en het nationalisme
van de Roma, die duidelijk een basis vormen voor de activiteiten van heel wat Roma-NGO's,
voldoende zullen zijn om de situatie van de Roma ook werkelijk te verbeteren. Voor
een deel vermoedelijk wel. Het gevaar is echter dat het Roma-nationalisme niet ernstig
zal worden genomen door de overheden omdat het een nationalisme is dat niet aan het
paradigma van de Centraal-Europese nationalistische stromingen voldoet. Of nog: juist
omdat de Roma-natie een natie zonder territorium is, en niet aan het algemeen aanvaarde
natie-paradigma (een bepaalde groep op een bepaald stuk land) voldoet, bestaat de
kans dat overheden dit nationalisme proberen te negeren. Centraal-Europese overheden
hebben vaak al het idee dat de situatie van de Roma wel automatisch zal verbeteren
als het aantal NGO activiteiten stijgt en zien hierin een reden om verder niets te
doen. Zonder deelname van de overheid in het oplossen van de problemen van de Roma,
zal een verandering echter niet voor de nabije toekomst zijn.
Peter Vermeersch
1 Definitie ontleend aan Eugeen Roossens, Eigen
grond eerst. Primordiale autochtonie. Dilemma van de multiculturele samenleving,
Acco, Leuven, 1998, p. 11.
2 "Present but Unaccounted For", in: Transitions,
nr. 4, 1997, p. 22
3 Michael Stewart, The Time of the Gyspies,
Colorado, WestviewPress, 1997, p. 3
4 European Roma Rights Center: ERRC, http://errc.org
5 http://www.romnews.com/
en "Ghettos for the Czech Gypsies", in: The Economist, May 30th,
1998, p.26
6 David Chirico, "The long, hot Czech summer",
in: Roma Rights, http://errc.org/reports/
7 CSCE Country Report http://www.house.gov/csce/slovakia97.html#b
8 Wim Willems, Op zoek naar de ware Zigeuner. Zigeuners
als studieobject tijdens de Verlichting, de Romantiek en het Nazisme, Jan van
Arkel, Utrecht, 1995.
9 David Crowe, A History of the Gyspies of Eastern
Europe and Russia, Tauris Publishers, Londen - New York, 1995.
10 Michael Stewart, The Time of the Gyspies,
Colorado, WestviewPress, 1997, p. 7
11 http://www.romnews.com
12 http://www.soros.org
13 Judith Okely, The Traveller-Gypsies, Camebridge,
Camebridge University Press, 1983.
14 Ian Hancock, "The East European Roots of Romani
Nationalism", in: David Crowe en John Colsti, The Gypsies of Eastern Europe,
M. E. Sharpe, Londen, p. 134. Zie ook: Ian Hancock, "The Struggle for the Control
of Identity", in: Transitions, nr. 4, 1997, pp. 36 - 44.
15 Slawomir Kapralski, "Identity Building and
the Holocaust: Roma Political Nationalism", in: Nationalities Papers,
nr. 2, 1997, pp. 269 - 283
16 Jirina Siklova en Marta Miklusova, "Denying
Citizenship to the Czech Roma", in: East European Constitutional Review,
nr. 2, 1998, pp. 58 - 64
|