|
Aagje Geerardyn
Inleiding
Een bijzondere maar vaak minder goed gekende vorm van taal is de ‘non-verbale
communicatie’ tussen personen, of wat men in de volksmond doorgaans ‘lichaamstaal’
noemt. Wanneer twee mensen met elkaar in interactie treden, communiceren zij hun
gedachten en gevoelens, hun sekse en sociale status - om maar een paar voorbeelden
te geven - niet alleen via het gesproken woord, maar minstens evenzeer door hun non-verbale
gedrag. Zo vormen we ons - soms bewust maar meestal onbewust - een indruk van onze
interactiepartner op basis van zijn of haar kledij, gelaatskleur, lichaamshouding,
gelaatsuitdrukkingen, enz. Net zoals bij de gesproken communicatie dient de mens
echter over een aantal vaardigheden te beschikken om op een sociaal succesvolle manier
non-verbaal te communiceren. Men spreekt in dit geval over de ‘non-verbale competentie’
van een persoon.
Dit artikel vormt een inleiding in het zeer ruime en boeiende studiedomein van de
non-verbale communicatie en competentie 1
. We zullen het eerst hebben over een
aantal basisaspecten van de non-verbale competentie. Daarna gaan we in op het belang
van een goede non-verbale competentie. En ten slotte illustreren we het voorgaande
aan de hand van een korte uiteenzetting over de non-verbale competentie van een zeer
specifieke groep van jongeren, namelijk jongeren met opvoedingsproblemen.
Basisaspecten van het concept ‘non-verbale competentie’
Wat verstaan we onder non-verbale competentie?
In de term ‘non-verbale competentie’ zitten twee componenten.
Een eerste component, de term ‘non-verbale’, verwijst naar non-verbale communicatie.
Wat dit nu precies is, valt moeilijk in een paar woorden uit te leggen. In de literatuur
rond het onderwerp wordt immers nergens een duidelijke, eenduidige definitie gegeven.
Meestal beperkt men zich tot een opsomming van de diverse kanalen die gebruikt kunnen
worden om non-verbale boodschappen te verzenden 2
. Wanneer we enkele van deze opsommingen
3
samenvoegen, krijgen we het volgende lijstje van non-verbale gedragingen: gelaatsuitdrukkingen,
blik van de ogen en grootte van de pupillen, gebaren en andere lichaamsbewegingen,
lichaamshouding, aanrakingsgedrag of contact, ruimtelijk gedrag of afstand, voorkomen
(bv. kledij, haarstijl, juwelen), non-verbale aspecten van spraak (bv. stemvolume,
vlotheid, snelheid) en geur.
De tweede component ‘competentie’ wijst erop dat een correct gebruik van non-verbale
communicatie als een vaardigheid wordt beschouwd. Non-verbale competentie of vaardigheid
wordt beschouwd als een onderdeel van sociale vaardigheid of competentie in het algemeen.
‘Sociale vaardigheid’ is een verzamelterm voor een aantal vaardigheden waarover een
individu moet beschikken om tot succesvolle sociale relaties te komen en deze te
onderhouden. Het gaat bijvoorbeeld om een gezonde dosis assertiviteit, goed kunnen
luisteren en spreken, complimentjes kunnen geven en aanvaarden, ...
Vanuit deze twee componenten kunnen we het volgende besluiten: non-verbale competentie
is de vaardigheid om via non-verbale communicatie tot succesvolle sociale relaties
te komen. Wat dit nu concreet inhoudt, leggen we uit in de volgende paragrafen.
Decodeer- en encodeervaardigheid
Non-verbale competentie bestaat uit twee deelvaardigheden. De non-verbale decodeervaardigheid
of ontvangerscompetentie is de vaardigheid om de interpersoonlijke houding (bv. dominantie,
vriendschap), de gevoelens (bv. geluk, droefheid) en de intenties (bv. gesprek aanknopen
of beëindigen) van anderen af te leiden uit hun non-verbaal gedrag. De non-verbale
encodeervaardigheid of zenderscompetentie is de vaardigheid van een persoon om zelf
zijn gedachten, gevoelens en intenties op een juiste manier uit te drukken via zijn
non-verbaal gedrag 4
.
Non-verbaal competent gedrag
Logischerwijze zouden we uit het bovenstaande kunnen besluiten dat personen met
een zeer goede non-verbale decodeer- en encodeervaardigheid zich ook non-verbaal
competent gedragen. Dat is echter niet altijd het geval. Nauwkeurig kunnen decoderen
en encoderen vormt geen garantie voor sociaal succesvolle non-verbale communicatie.
Wat betreft de decodeervaardigheid blijkt bijvoorbeeld uit een aantal studies uitgevoerd
door Rosenthal 5
dat non-verbale competentie ook kan bestaan uit het negeren van
bepaalde non-verbale boodschappen. In een dergelijk geval is er dus sprake van een
sociaal competent gebruik van non-verbaal gedrag wanneer het individu een schijnbaar
gebrek aan decodeervaardigheid vertoont. Stel bijvoorbeeld dat een jongen met kaalgeschoren
hoofd op straat minachtend wordt aangekeken door een voorbijganger. Wanneer de jongen
deze minachting kan afleiden uit het non-verbale gedrag van de voorbijganger, geeft
hij blijk van een goede non-verbale decodeervaardigheid. Wanneer hij hierop echter
agressief zou reageren, maakt hij geen sociaal competent gebruik van zijn decodeervaardigheid.
Hij kan beter doen alsof hij de minachtende blik van de voorbijganger niet heeft
opgemerkt, en zodoende problemen voorkomen. Een goede non-verbale decodeervaardigheid
is één ding, weten hoe je in een sociale situatie het best omgaat met de
informatie die je eruit verkrijgt, is blijkbaar nog een ander.
Hetzelfde geldt voor de encodeervaardigheid. Halberstadt 6
, bijvoorbeeld, heeft
het in dit verband over de vaardigheid om boodschappen te verzenden wanneer een sociale
situatie dat vraagt, en niet zomaar op om het even welk moment, telkens men iets
voelt of denkt. Zo is het mogelijk dat men in bepaalde situaties beter sommige gevoelens
onderdrukt. Het is bijvoorbeeld duidelijk dat iemand die op een begrafenis om de
één of andere reden opeens de neiging heeft om te schaterlachen, dat beter
probeert te onderdrukken. Non-verbale encodeercompetentie bestaat dus niet alleen
uit het zo spontaan en zo juist mogelijk uitdrukken van je gevoelens, houdingen en
intenties, maar evenzeer uit het vermogen deze uitingen te kunnen controleren wanneer
de sociale situatie dat vraagt.
Hoe ziet sociaal competent gedrag er nu precies uit? Nemen we bijvoorbeeld het oogcontact,
dan kunnen we ons de vraag stellen hoe lang of kort men in de ogen van zijn interactiepartner
moet kijken zodat men zou kunnen spreken van competent gedrag. Op deze vraag valt
geen exact antwoord te geven. Wat we wel aanvoelen, is dat zowel een gebrek aan oogcontact
als continu oogcontact niet getuigen van sociale vaardigheid 7
. Hetzelfde geldt
voor de andere kanalen waarlangs non-verbale boodschappen worden verzonden. Uit de
literatuur 8
kunnen we enkel afleiden dat de volgende non-verbale gedragingen beschouwd
worden als sociaal competent: voldoende glimlachen, in grote mate de ander aankijken,
de ander benaderen, met tamelijk hoge stem spreken, niet-gevouwen armen en benen,
het gedrag van de ander weerspiegelen in het eigen gedrag, geen te grote afstand,
lichtjes vooroverleunen, voldoende gebaren, voldoende spreken. Dit zijn uiteraard
slechts vage aanwijzingen. Het is echter uiterst moeilijk om een nauwkeurige omschrijving
te geven van non-verbaal competent gedrag. Iedere sociale situatie is immers anders
en vereist dan ook ander competent gedrag. Zo kan ‘voldoende glimlachen’ bijvoorbeeld
een totaal ander invulling krijgen op een feestje dan wel op een begrafenis. En ten
tweede lijkt het ons uiterst moeilijk om te gaan meten hoe ver men nu precies hoort
te staan van de ander, hoe lang en op welke momenten men de ander het best aankijkt,
enz.
Interindividuele verschillen
Niet iedereen is non-verbaal even competent, de ene persoon kan minder of meer
competent zijn dan de andere. Bepaalde categorieën van personen verschillen
duidelijk van andere wat betreft hun non-verbale competentie. Zo zijn bijvoorbeeld
sekse, leeftijd, karakteristieken zoals extroversie en introversie, het zelfbeeld,
de mate van sociale vaardigheid en geestelijke gezondheid in duidelijk verband gebracht
met verschillende stijlen van non-verbaal gedrag 9
. Verder zullen we zien dat ook
jongeren met opvoedingsproblemen een aparte non-verbale competentie vertonen.
Belang van non-verbale competentie
Verscheidene auteurs wijzen op het - vaak onderschatte - belang van non-verbale
communicatie en competentie voor goede sociale relaties. We kunnen hier onmogelijk
een uitgebreid overzicht geven van de vele redenen waarom dit zo is 10
. Wel geven
we enkele algemene ideeën hieromtrent, en gaan we bij de illustratie verder
in op het specifieke belang van non-verbale competentie voor jongeren met opvoedingsproblemen.
Belang van non-verbale communicatie
Uit verscheidene onderzoeken blijkt dat onze non-verbale communicatie belangrijker
is dan de meeste mensen denken. Zo zou ongeveer zestig procent van onze communicatie
non-verbaal gebeuren. Bovendien zouden in sommige gevallen, vooral wat betreft het
communiceren van emoties, non-verbale boodschappen belangrijker zijn dan verbale.
Wanneer we bijvoorbeeld een emotionele boodschap ontvangen waarbij het non-verbale
en het verbale elkaar tegenspreken, baseren we ons bij het interpreteren van die
boodschap voornamelijk op het non-verbale. Vooral stemintonatie en gelaatsuitdrukkingen
zouden meer impact hebben dan de verbale inhoud. Bij de beslissing of we iemand bijvoorbeeld
al dan niet mogen, baseren we ons slechts voor zeven procent op wat die persoon zegt,
en voor vijfenvijftig procent op zijn gelaatsuitdrukkingen. Dat mensen dus blijkbaar
even veel of zelfs meer rekening houden met hoe iets gezegd wordt, dan wel met wat
er precies gezegd wordt, volgt waarschijnlijk uit de overtuiging dat non-verbaal
gedrag spontaner en minder controleerbaar is dan verbaal gedrag, en non-verbaal gedrag
bijgevolg minder kan ‘liegen’ 11
.
Belang van non-verbale competentie
Uit verscheidene onderzoeken blijkt dat non-verbale competentie een belangrijke
component vormt van sociale competentie in het algemeen. Personen die over het algemeen
sociaal vaardig zijn, blijken tevens een goede non-verbale competentie te vertonen.
Een eerste vereiste voor een succesvolle sociale relatie is immers de vaardigheid
om accuraat de gevoelens, attitudes en intenties van de ander af te leiden uit zijn
gedrag. Het non-verbale gedrag van die ander kan hierbij een belangrijk hulpmiddel
of zelfs de voornaamste en meest betrouwbare bron zijn. Ons vermogen om te begrijpen
wat de ander echt bezighoudt, hangt dus in grote mate af van onze non-verbale decodeervaardigheid.
Hoe groter deze vaardigheid, hoe beter we de ander begrijpen, hoe accurater we reageren
en hoe succesvoller de interactie uiteindelijk verloopt. Hetzelfde geldt voor de
non-verbale encodeervaardigheid. Als een persoon een goede encodeervaardigheid vertoont,
zal de ander gemakkelijker zijn gevoelens, attitudes en intenties kunnen afleiden
uit zijn non-verbaal gedrag, gemakkelijker adequaat kunnen reageren, wat uiteindelijk
leidt tot een meer succesvolle interactie. Bovendien worden personen met een goede
non-verbale competentie door anderen gepercipieerd als populair, warm, sympathiek,
open, verantwoordelijk en sociaal invloedrijk. Samengevat kunnen we dus zeggen dat
non-verbale competentie de sociale interactie tussen mensen vergemakkelijkt 12
.
Illustratie: De non-verbale competentie van jongeren met opvoedingsproblemen
13
Wie zijn jongeren met opvoedingsproblemen?
In deze paragraaf zullen we het hebben over jongeren die in onze samenleving
nogal vaak worden bestempeld als ‘moeilijk opvoedbaar’, ‘sociaal onaangepast’, ‘emotioneel
of sociaal gestoord’ of ‘probleemjongeren’ in het algemeen. Deze negatieve termen
suggereren volgens ons echter teveel dat deze jongeren zelf de oorzaak vormen van
hun sociale moeilijkheden. Dat is inderdaad soms het geval, maar meestal is het probleem
van de jongere ingebed in een ernstige gezinsproblematiek. Kinderen worden nu immers
meestal niet ‘moeilijk’ geboren. Daarom hebben wij dan ook gekozen voor de meer neutrale
term ‘jongeren met opvoedingsproblemen’. Nu zijn er natuurlijk meerdere vormen van
opvoedingsproblemen. In dit artikel hebben we het over opvoedingssituaties die door
de betrokkenen als zodanig perspectiefloos worden ervaren dat er zonder hulp van
buitenaf, dus zonder interventie, geen oplossing kan worden gevonden. In concreto
gaat het over jongeren die ten gevolge van mishandeling 14
of delinquentie, ter
bescherming van zichzelf of van de maatschappij, in instellingen werden geplaatst
of op een andere manier professioneel worden begeleid.
Onderzoeksresultaten
Het onderzoek naar de non-verbale competentie van jongeren met opvoedingsproblemen
is zeker niet uitgebreid. Toch blijkt uit een aantal studies dat misbruikte en/of
verwaarloosde, emotioneel en/of sociaal gestoorde, delinquente, angstig-depressieve
en agressieve kinderen en jongeren, duidelijk minder goed scoren wat betreft hun
non-verbale decodeervaardigheid dan hun ‘normale’ leeftijdgenoten.
Over de non-verbale encodeervaardigheid is minder onderzoek gedaan. We vonden slechts
één studie hierover, waaruit bleek dat emotioneel gestoorde adolescenten
ook op non-verbale encodeervaardigheidstests onder de normen scoren. Wel kunnen we
uit de literatuur over en observaties van jongeren met opvoedingsproblemen het één
en ander afleiden over hun non-verbaal gedrag. Zo kijken zij in veel gevallen hun
interactiepartners helemaal niet of in ieder geval te weinig aan. Ze lachen ook minder
en maken minder gebaren dan normaal. Vaak zijn ze motorisch erg onrustig, ze kunnen
eigenlijk niet goed stil zitten. Aan de andere kant lijken ze soms ook levenloos,
zitten in elkaar gedoken (bv. schouders voorovergebogen, hoofd naar beneden gericht)
en bewegen bijna niet. Ze spreken enerzijds vaak heel hard, op een agressieve toon,
maar anderzijds ook vaak te zwak en binnensmonds. Ten slotte vertonen ze vaak een
nonchalante houding (bv. iemand doorheen je pony aankijken).
Dit merkwaardige non-verbale gedrag kan in veel gevallen verklaard worden vanuit
de emotionele en gedragsstoornissen die voorkomen bij deze jongeren. Het is algemeen
bekend dat mishandeling verstrekkende negatieve gevolgen kan hebben - en meestal
ook heeft - voor de verdere emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling van het
kind of de jongere. Veel mishandelde kinderen en jongeren stellen zich bijvoorbeeld
zeer vijandig en wantrouwig op tegenover hun omgeving. Hun basisvertrouwen is zodanig
geschonden dat ze iedere interactie - zeker met een onbekende - als bedreigend ervaren.
Dit wantrouwen vindt met andere woorden zijn oorsprong in een diepe angst om nogmaals
gekwetst, verlaten of misbruikt te worden. Deze jongeren hebben ook vaak schrik om
fouten te maken of negatief te worden beoordeeld. Veel van hen zijn depressief en
hebben een laag zelfwaardegevoel. Het ontbreekt hen veelal aan zelfvertrouwen. Ze
gaan er immers van uit dat, indien ze de moeite waard waren, hun ouders (of opvoeders
in het algemeen, want mishandeling gebeurt niet alleen door de ouders) wel goed voor
ze gezorgd zouden hebben. Deze emotionele stoornissen komen vervolgens tot uiting
in gedragsstoornissen, beter bekend als het zogenaamde ‘moeilijke gedrag’ van deze
jongeren. Er zijn twee polen waarnaar hun gedrag zich oriënteert. Ofwel isoleert
de jongere zich, dan trekt hij zich angstig en schuw terug uit zijn omgeving. Ofwel
gaat hij zich in meer of mindere mate agressief gedragen, wat in de adolescentieperiode
in het ergste geval tot delinquentie kan leiden. Vaak gaat dit gedrag ook gepaard
met stoerdoenerij. Anderen je gevoelens niet laten blijken, je ook door je eigen
gevoelens niet laten meeslepen, geeft binnen groepen van jongeren met opvoedingsproblemen
veel status. We willen er wel op wijzen dat niet bij iedere jongere met opvoedingsproblemen
al deze problemen voorkomen. Het is wel zo dat zij minstens één van de
bovenstaande ‘stoornissen’ vertonen.
Zoals reeds gezegd kan het non-verbale gedrag van deze jongeren vaak verklaard worden
vanuit deze stoornissen. We geven hiervan twee voorbeelden. Het is bijvoorbeeld bekend
dat depressieve personen hun gesprekspartners niet voldoende aankijken, dat hun blik
vaak naar beneden is gericht, dat zij weinig lachen en spreken met een lusteloze,
flauwe stem. Wanneer we deze kenmerken terugvinden bij een jongere met opvoedingsproblemen,
kunnen we dan ook aannemen dat dit een uiting is van zijn depressieve grondstemming.
Ook de non-verbale kenmerken van agressieve personen komen in sommige gevallen overeen
met deze van jongeren met opvoedingsproblemen, zoals we die hierboven hebben besproken.
Zo blijkt een hoog stemvolume een typisch kenmerk voor agressie.
Belang van non-verbale competentie bij deze jongeren
Uit het voorgaande kunnen we besluiten dat jongeren met opvoedingsproblemen duidelijk
tekorten vertonen in hun non-verbale competentie. Zoals reeds besproken, blijkt deze
vaardigheid nochtans zeer belangrijk voor het aangaan en behouden van succesvolle
sociale relaties. Er zijn bovendien een aantal redenen waarom een goede non-verbale
vaardigheid specifiek voor jongeren met opvoedingsproblemen van groot belang kan
zijn. We geven hier de belangrijkste weer.
Sociale competentie in het algemeen en non-verbale competentie staan dus in relatie
tot elkaar. Studies geven aan dat jongeren met opvoedingsproblemen niet alleen onvoldoende
scoren op non-verbale competentietesten, maar ook op testen die hun sociale vaardigheid
in het algemeen meten. Hieruit suggereren enkele auteurs dat de moeilijkheden die
deze jongeren ondervinden in hun sociale interacties wel eens gedeeltelijk het gevolg
zouden kunnen zijn van hun tekort aan non-verbale competentie.
In verband met de non-verbale decodeervaardigheid bestaat het gevaar dat jongeren
met opvoedingsproblemen terechtkomen in een zogenaamde vicieuze cirkel. We geven
hiervan twee voorbeelden. Ten eerste blijkt uit onderzoek dat er een relatie bestaat
tussen misbruik en een gebrek aan non-verbale decodeervaardigheid. We kunnen ons
nu afvragen hoe het zit met de richting in deze relatie. Volgens sommigen zou het
misbruik leiden tot het gebrek aan decodeervaardigheid, daar de jongere bijvoorbeeld
door het negatieve non-verbale gedrag van zijn opvoeder(s) nooit heeft geleerd positief
non-verbaal gedrag te decoderen. Het is echter ook mogelijk dat het omgekeerde zich
voordoet, dat het gebrek aan decodeervaardigheid leidt tot misbruik. Het is niet
ondenkbaar dat jongeren die niet reageren op positief non-verbaal gedrag van hun
opvoeder(s) meer kans hebben om misbruikt te worden. Het is immers mogelijk dat de
opvoeder(s) niet inzien dat de jongere niet opzettelijk ongehoorzaam is, maar dat
het gaat om een onvermogen in non-verbale decodeervaardigheid. Misbruik kan dus leiden
tot een vermindering van decodeervaardigheid, wat op zijn beurt kan leiden tot (nog
erger) misbruik, wat op zijn beurt weer kan leiden tot een slechtere decodeervaardigheid,
... Ook angstig-depressieve kinderen vertonen een tekort aan decodeervaardigheid,
volgens sommigen omdat zij zich sociaal terugtrekken en zo hun non-verbale competentie
niet kunnen ontwikkelen. Het is volgens ons echter ook mogelijk dat net het gebrek
aan non-verbale decodeervaardigheid leidt tot sociale terugtrekking. Wanneer men
immers in een interactie het gedrag van de ander verkeerd gaat interpreteren, zal
dit meestal leiden tot inadequate reacties, die op hun beurt aanleiding geven tot
negatieve beoordelingen uit de omgeving, waardoor het kind zich waarschijnlijk nog
meer zal terugtrekken, ... De idee van de vicieuze cirkel is echter slechts een hypothese
die verdere studie vraagt. Indien deze hypothese nu echter waarheid zou bevatten,
lijkt een poging tot het verbeteren van de non-verbale decodeervaardigheid een niet
te onderschatten mogelijkheid om de cirkel te doorbreken.
Een probleem dat zich gemakkelijk voordoet bij non-verbaal incompetent gedrag, is
dat van de zichzelf bevestigende voorspelling 15
. Jongeren met opvoedingsproblemen
zijn zich er vaak niet van bewust dat ze een slechte indruk kunnen maken bij andere
personen door hun incompetent non-verbaal gedrag. Nochtans kan deze slechte indruk
bij anderen hun eigen situatie nog verslechteren.
Velen van deze jongeren zijn vanuit hun wantrouwen en laag zelfwaardegevoel ervan
overtuigd dat iedereen tegen hen is, dat niemand hen de moeite waard vindt. Wanneer
zij een andere persoon ontmoeten, komt dit gevoel (bewust of niet bewust) tot uitdrukking
in hun non-verbaal gedrag (weinig oogcontact, ineengedoken houding,...). Deze persoon
merkt dit (eveneens bewust of niet bewust) op en gaat het negatief non-verbaal gedrag
van de jongere spiegelen omdat hij of zij zich ongemakkelijk voelt bij dit incompetent
gedrag of dit gedrag afkeurt. De jongere merkt dit op en wordt op deze manier inderdaad
bevestigd in zijn overtuiging dat de andere persoon hem niet gunstig gezind is. Dit
kan leiden tot nog meer negatief non-verbaal gedrag bij de jongere, wat op zijn beurt
weer leidt tot nog meer afwijzend gedrag bij anderen, waardoor de jongere zich steeds
slechter gaat voelen, en we ten slotte in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Op
zijn beurt kan positief non-verbaal gedrag uitmonden in een opwaartse spiraal. Sociaal
gewenst non-verbaal gedrag wordt namelijk positief ontvangen en versterkt door de
omgeving. Wanneer een persoon bijvoorbeeld een zekere mate van vriendelijkheid vertoont
(bijvoorbeeld door te glimlachen), lokt hij bij andere mensen een gelijkaardig gevoel
uit. Anderen gaan hem aardig vinden en contact zoeken, waardoor die persoon zich
meer aanvaard en gelukkiger gaat voelen. Dit leidt ertoe dat hij zich nog vriendelijker
gaat gedragen. Dit wordt opnieuw positief versterkt door de omgeving, enz.
Besluit
Tot zover een paar voorbeelden die het belang aantonen van een goede non-verbale
competentie bij jongeren met opvoedingsproblemen. Hiermee pleiten we tevens voor
een poging tot verbetering van hun non-verbale competentie. We beweren zeker niet
dat goed non-verbaal competent gedrag alles kan oplossen. Het blijft immers slechts
een verandering ‘aan de oppervlakte’. Wanneer een jongere zich bv. ineens gelukkig
gaat gedragen, betekent dit nog niet dat hij het innerlijk ook is. Een aangepaste
training in non-verbale competentie kan zeker een grote hulp betekenen om gemakkelijker
tot goede sociale relaties te komen. Over de problematiek van de non-verbale competentie
van jongeren met opvoedingsproblemen is hiermee zeker nog niet alles gezegd.
Eindnoten
1
Voor een uitvoerig inleidend overzicht van het onderzoeksdomein van de non-verbale
communicatie verwijzen we naar Van Poecke, L. (1996) Non-verbale communicatie.
Leuven: Garant.
2
Van Poecke, 1996: 35
3
De opsommingen van Argyle (1988: 1), Hall (1979: 33) en Trower et al. (1978:
11-13)
4
Geerardyn, 1998: 13
5
Feldman et al., 1991: 332
6
Halberstadt, 1991: 116-117
7
Curran, 1979: 323-324
8
Zie bijvoorbeeld Argyle (1988: 255), Leathers (1986: 61-64) en Spitzberg &
Cupach (1984: 51)
9
Voor verwijzingen naar enkele voorbeelden van dergelijke studies, zie Geerardyn
(1998: 15)
10
Syx (1994: 56-65) gaat dieper in op het belang van non-verbale competentie.
11
Geerardyn (1998: 15-16)
12
Geerardyn (1998: 16-17)
13
Deze paragraaf is bijna volledig gebaseerd op onze eindverhandeling.
Voor meer uitgebreide en gedetailleerde informatie over deze problematiek verwijzen
we dan ook naar Geerardyn, A. (1998) Non-verbale competentie van jongeren met
opvoedingsproblemen. Leuven: Verhandeling Departement Communicatiewetenschap;
K.U. Leuven.
14
Bij het horen van de term ‘mishandeling’ denken we vaak alleen aan fysiek geweld.
We hebben het hier echter ook over emotionele en seksuele mishandeling, verwaarlozing
en verwenning.
15
De term ‘zichzelf bevestigende voorspelling’ verwijst naar de oorzakelijke invloed
van verwachtingen die personen vooraf hebben van elkaar op het daaropvolgend interactief
gedrag van deze personen. Doordat de ene persoon een bepaalde verwachting heeft ten
opzicht van de andere (bv. op basis van diens lidmaatschap van een sociale groep
of zijn eerdere gedrag), zal die ene persoon zich ook op een bepaalde manier gedragen,
namelijk volgens deze verwachting. Dit gedrag wordt waargenomen door de andere persoon
en lokt precies dat gedrag uit dat de eerste persoon verwachtte. Op deze manier wordt
zijn verwachting of voorspelling bevestigd.
Bibliografie
Argyle, M. (1988) Bodily Communication. 2nd ed. London/New York: Methuen.
Curran, J.P. (1979) ‘Social Skills: Methodological Issues and Future Directions’,
in A.S. Bellack & M. Hersen (eds.) Research and Practice in Social Skills
Training. London / New York: Plenum Press.
Feldman, R.S., Philippot, P. & Custrini, R.J. (1991) ‘Social Competence and Nonverbal
Behavior’, in R.S. Feldman &B. Rimé (eds.) Fundamentals of Nonverbal
Behavior. Cambridge / Paris: Cambridge University Press / Editions de la Maison
des Sciences de l’ Homme.
Geerardyn, A. (1998) Non-verbale competentie van jongeren met opvoedingsproblemen.
Leuven: Verhandeling Departement Communicatiewetenschap; K.U.Leuven.
Halberstadt, A.G. (1991) ‘Toward an ecology of expressiveness: Family socialization
in particular and a model in general’, in R.S. Feldman & B. Rimé (eds.)
Fundamentals of Nonverbal Behavior. Cambridge / Paris: Cambridge University
Press / Editions de la Maison des Sciences de l’ Homme.
Hall, J.A. (1979) ‘Gender, Gender Roles and Nonverbal Communication Skills’, in R.
Rosenthal (ed.) Skill in Nonverbal Communication: Individual Differences.
Cambridge, MA: Oelgeschlager, Gunn & Hain.
Leathers, D.G. (1986) Succesful Nonverbal Communication. New York: MacMillan.
Spitzberg & Cupach (1984) Interpersonal Competence. Beverly Hills: Sage
Publications.
Syx, A. (1994) Nonverbale competentie: een literatuuronderzoek. Leuven: Verhandeling
Departement Communicatiewetenschap; K.U. Leuven.
Trower, P., Bryant, B. & Argyle, M. (1978) Socal Skills and Mental Health.
London: Methuen.
Van Poecke, L. (1996) Non-verbale communicatie. Leuven: Garant.
|