|
Guy Notelaers
De verkiezingen, een barometer?
De laatste vijftien jaar was Vlaanderen getuige van grote electorale bewegingen.
We hoeven de lezer enkel te herinneren aan de grote doorbraak van het Vlaams Blok
in 1991 om deze stelling kracht bij te zetten. De omwenteling is meer treffend als
we teruggaan tot de jaren ’60 en vaststellen dat de traditionele partijen (CVP, SP,
PVV) toen meer dan 92% van de Vlaamse stemmen voor hun rekening namen terwijl ze
nu nog goed zijn voor 68%. (Elchardus, 1998 : 183) De beweeglijkheid van het politieke
landschap meten we niet alleen aan de hand van de verkiezingen, maar ook door de
electorale sterkte van de politieke fracties te vergelijken met de sterkte van gelijkgezinde
electorale fracties in het buitenland. Ook uit de stamboom van de Belgische politieke
partijen (Dewachter, 1994 : 2-14) komt er heel wat beweeglijkheid naar voor.
Nu de verkiezingen weer voor de deur staan, wordt de heldere hemel boven politiek
België snel diepgrijs tot zwart en dienen zich in het licht van de komende politieke
verschuivingen weer heel wat sinistere scenario’s aan.
Al jaren opperen verschillende vooraanstaande politici dat onze democratie in gevaar
is. De tanende legitimiteit van onze democratische instellingen gaapt over de kloof
tussen burger en politiek. Het vertrouwen is zoek. Enkelen opperen dat we terug een
sterke staat moeten instellen onder het mom van een meerderheidsstelsel : to govern
and to rule. Velen vertrekken van het tegendeel. De macht moet terug naar het volk.
Het communitarisme van Etzioni slaat bij hen aan. De mensen moeten zich betrokken
voelen bij onze instellingen. Zij palaveren over NPC (nieuwe politieke cultuur) als
antwoord op de verschuivingen in het electoraat.
Ook wij willen het hebben over de politieke cultuur maar dan wel in de sociologische
zin van het woord. In dit artikel proberen we aan de hand van politologische literatuur
en onderzoek uit te vissen waar het schoentje wringt in de relatie tussen burgers
en politici. In een tweede artikel dat in het volgende nummer van InterAxis verschijnt,
gaan we dieper in op de politieke structuur en vissen we uit of er geen structurele
antwoorden zijn op de problemen die de veranderde politieke cultuur met zich meebrengt.
Welke kloof ?
De politici: de kloof tussen burger en politiek
In zijn burgermanifesten dient Verhofstadt ons van antwoord. Hij steekt een
beschuldigende vinger uit naar de verzuiling 1 die
Huyse in ‘De politiek voorbij’ (1994) leesbaar uit de doeken doet en nuanceert.
Politiek, zo schrijft Huyse, is nu een huis met zeer vele kamers. In sommige ervan
wonen het parlement, de regering en de ambtenarij. "Zij beslissen samen. Maar
die situatie, waarvan de grondwet zegt dat het de enige achtenswaardige is, neemt
in betekenis af. Er zijn kamers waar politiek vooral een zaak is van de sociale partners
of van zuilorganisaties, soms in samenspraak met de regering. In andere werkplaatsen
van de politiek ligt het grootste aandeel bij de techno-economie, de media en de
magistratuur. Dat in de politiek concentratie van macht vervangen wordt door een
mozaïek van machthebbers, brengt burgers in verwarring. Wie is verantwoordelijk?
Wie moet bij het falen geblameerd worden?"(Huyse, 1994 : 133) De zwarte
zondag van 1991 heeft inderdaad voor een shockeffect gezorgd. De kiezers stemmen
in 1991 niet alleen anti-politiek, maar verhuizen ook massaal. Verhofstadt wijst
met zijn vinger naar de politieke elite : de kloof tussen burger en politiek
is een feit.
De scandalitis rond de zaken van de waardepapieren, de zaken Cools, Agusta en Dassault
maakt het verdict : het land heeft nood aan onbesproken politici die zich aandienen
als medium tussen volk en overheidsapparaat. Maar zulke generatie van politici kan
niet geboren worden in een particratisch landschap, dat voor deze malaise verantwoordelijk
is en dat daarenboven de stem van de burger dwingt in haar lijstvorming. Met andere
woorden ook een herverkaveling van het politieke landschap is nodig om de kloof tussen
politiek en burger te dichten. De bal begint te rollen bij de entourage van Verhofstadt
die de‘oubollige’ PVV verruimt in ‘zijn’ VLD. ‘Het sinjaal. Radicaal-democratisch
project’ van de Batselier en Coppieters (1996) is het links-progressieve antwoord
op de kloof. Maar geen van beide slaagt. De VLD breekt bij de verkiezingen van 1995
de regeringsmeerderheid niet. Het Sinjaal wordt ijzig ontvangen. Kort daarna ontstaan
het Centrum voor Politieke Vernieuwing en Triangel en andere. Het zijn
bewegingen in de marge, enthousiastelingen die op hun manier de kloof tussen burger
en politiek willen dichten. Hun voorlopige toppunt bereiken ze met hun D-Dag in Antwerpen
waar zo’n 3000 politiek geïnteresseerden komen opdagen. Het luidt als het ware
de geboorte van ID21 in. Ook de VU heeft nu ingezien dat zij in het partijpolitieke
landschap van morgen niet veel meer te zoeken heeft. Ze heeft de functie van zweeppartij,
na zovele ronden staatshervorming, niet meer. Vandaar ook ID21, maar de beweging
heeft alles te maken met de kloof. Vankrunkelsven is in de Standaard van 27 juni
1998 duidelijk : "Het verhogen van de betrokkenheid van de burger bij de politiek,
dat is de meerwaarde van ID21." Voor hen is de democratie een proces dat van
onderuit moet opgebouwd worden. Daarmee sluiten ze aan bij de bekommernis van Maddens
en Dewachter die stellen dat het politieke debat zo goed als uitsluitend toegespitst
is op het gedrag van de politici zelf. "Als de burger vervreemdt van het politieke
gebeuren, zo lijkt de redenering te zijn, dan komt dit omdat de politici niet handelen
zoals dat hoort in een goed werkende democratie".(Dewachter&Maddens, 1997
: 11) Democratie is inderdaad het samen kunnen beslissen over de organisatie van
de maatschappij en dat is tegelijk een verworvenheid en een opgave. Het is niet
alleen een opgave voor de politici, zoals in het debat over de nieuwe
politieke cultuur wordt beklemtoond, maar ook — en misschien in de eerste
plaats - voor de burgers". (Dewachter & Maddens, 1997 : 22) Dewachter
en Maddens steken dus een beschuldigende vinger uit naar de kiezer en vragen zich
af of het onbegrip en in veel gevallen zelfs de afkeer van de burger ten aanzien
van het politieke bedrijf niet te maken heeft met een gebrek aan inzicht in de basisregels
van de democratische besluitvorming? Koestert de burger geen overdreven verwachtingen
ten opzichte van politici omdat hij niet beseft binnen welke grenzen zij opereren?(Dewachter&Maddens,
1997 : 11-12) Maar wie is die burger of kiezer eigenlijk waar iedereen zich het hoofd
over breekt? Wat doet hij? Welke opleiding heeft hij? Welke leeftijd heeft hij?
De burger - kiezer?
de kiezer moeilijk te vatten
Velen opperen dat de kiezer veranderd is. Hij is wispelturig en niet te vatten. Uit
de onderzoeksactiviteiten van het Interuniversitair Instituut voor de Studie van
Politiek Opinieonderzoek (ISPO) dat al sinds 1985 systematisch de verkiezingen onderzoekt,
blijkt echter dat de invloed van sociaal-demografische variabelen op het stemgedrag
stabiel is.(Swyngedouw&Beerten, 1998 : 25) Toch komen er opmerkelijke variabelen
bij zoals utilitair individualisme, politiek wantrouwen en politiek fatsoen die een
direct significante invloed uitoefenden op het stemgedrag in 1995.(Swyngedouw&Beerten,
1998 : 17) Inderdaad, de partijkeuze ligt niet meer zo strak vast als in het model
van De Smet/Evalenko waar tewerkstelling en kerkelijke betrokkenheid het kiesgedrag
voldoende verklaarden. En ook het onderscheid tussen beleidsgevoelige kiezers, cliëntelistische
en basisgesocialiseerde of verzuilde kiezers (Dewachter, 1994 : 29 e.v.) doet het
niet meer.. Als we de verschillende antwoorden (Carton, 1993 : 62 e.v.) op
de open vraag over motivaties om voor een partij te stemmen samenballen, vinden we
steun voor ons vermoeden :
| MOTIVATIE |
EERSTE MOTIVATIE% |
TWEEDE MOTIVATIE% |
| programma/partij |
19,1 |
27 |
| beleidsgericht |
8,2 |
10 |
| basissocialisatie |
14,9 |
15,2 |
| cliëntelisme |
4,8 |
3 |
| ‘de persoon’ |
12,7 |
8,5 |
| protest |
10 |
9,7 |
| thematisch |
12 |
13,5 |
| klasse/beroep |
6,8 |
5,5 |
| TOTAAL |
88,5 |
92,6 |
De vlottende kiezer bepaalt de grens tussen
nederlaag en overwinning.
Het vertrekpunt van dit artikel is ons beweeglijke politieke landschap. Een belangrijke
maat voor verandering is de uitwendige stemverschuiving (USV). "The concept
of ‘votalility’A
is conventionally defined in terms of percentage
of voters who switch their vote from one election to the next, and so it is measured
by simply adding up the percentage gains of the parties which gained votes from the
previous election."(Gallagher, 1990 : 68) Deze invulling van vlottende kiezer
is de meest eenvoudige maar houdt geen rekening met het feit dat iedere verschuiving
voor twee telt. Er zijn verschillende berekeningswijzen maar al bij al blijft het
een vrij ruwe maat.(Dewachter, 1991 : 16.1 e.v.) Toch kunnen we op basis van de USV
trendbreuken onderkennen. Uit de cijfers van Dewachter (1967) en Fraeys (1961) valt
de opkomst van Rex, de verkiezingen voor de Tweede Wereldoorlog, de verruimingsoperatie
van Van Oudenhove(PVV) op. Uiteraard kunnen de nieuwe cijfers ook de zwarte zondag
identificeren. Maar de gegevens blijven ruw en maken het haast onmogelijk
om verklarende uitspraken te doen over de richting van de invloed of
de oorzaak van het verhuisgedrag.(cf.infra)
En dat is juist zo belangrijk. We mogen niet vergeten dat de partijen die 18 à
20% verschuivers weten binnen te halen de verkiezingen winnen.(Swyngedouw, 1986 :
4) De verschuivers bepalen met andere woorden de verkiezingsnederlaag
of -overwinning. Dat bij de vorige verkiezingen de BRT-exitpoll aantoonde dat 32%
van de kiezer verhuisden (Swyngedouw, 1995) mag de politieke partijen ongerust maken.
Dat percentage ‘movers’ is betekenisvol en gebaseerd op het concept dat Swyngedouw
voor ons land concretiseerde. Twee verkiezingen eerder was dit cijfer nog veel lager.
Ongeveer 13 à 16 % van de 3,6 miljoen kiezers is op 13 december 1987 vermoedelijk
van partij veranderd ten opzichte van oktober 1985.(Swyngedouw, 1988 : 5)
Maar wie zijn nu eigenlijk de movers? Vroeger kon men de verschuivers nog
duiden aan de hand van leeftijd en beroepsniveau.(cf. supra) Deze variabelen waren
relevant om te bepalen wie meer kans heeft om te verschuiven van de ene partij naar
de andere.(Swyngedouw, 1986 : 15) Uit ‘de (on)redelijke kiezer’ blijkt dat de demografische
variabelen bevroren zijn waardoor we kunnen aannemen dat leeftijd zeker nog een invloed
heeft. Misschien (cf infra) kan de maturatie-frustratie-effect hypothese een verklaring
bieden.(Dierick&Thijssen, 1993 : 194-195) We kunnen immers veronderstellen dat
de ouderen als uiting van politieke aliënatie meer politiek verhuizen. Deze
opvatting gaat echter in tegen de algemeen aanvaarde opvatting dat oudere kiezers
tot de trouwere kiezers behoren.
Volgens Dewachter vormen de beleidsgevoeligen, de probleemvertolkers en de zwak gesocialiseerden
samen de wisselende kiezers.(Dewachter, 1994 : 51)
Het aantal beleidsgevoelige kiezers is wellicht ietwat toegenomen. Door het zwakkere
profiel van de grote partijen werden de beleidsgevoeligen uit de grote partijen bijzonder
aangetrokken door de zweeppartijen of programmatorisch sterk geprofileerde partijen.
De zwak gesocialiseerden, gaande van nagenoeg volkomen onverschilligen, hebben alsmaar
minder band met één partij. Op impulsen uit hun eigen leven, op basis van
wat anderen in hun omgeving zeggen of op grond van algemeen ongenoegen ten aanzien
van politiek die ze nauwelijks kennen of op grond van een "unieke kans"
zoals een media-bespeler die in de gevangenis zit, plaatsen of verplaatsen ze hun
stem.
Tussen de beleidsgevoeligen en de slappe kiezers staan de probleemgevoeligen uit
het eigen leven. Migranten overspoelen de wijk. Of men kan niet meer veilig op straat
wandelen. Of de fabriek, het kanaal of het stort in de buurt stinkt. Of men zoekt
werk en men vindt er geen. Die existentiële ervaringen kunnen zo sterk zijn
dat ze stemverplaatsing meebrengen, wellicht voor de duur van het bestaat van dat
eigen, doorleefde probleem.
De ISPO-data bevestigen dit onderscheid wel maar relativeren enigszins het belang
ervan in de zoektocht naar de identiteit van de wisselende kiezer wanneer Dewachter
zijn idee test of de standvastigheid of veranderlijkheid van de partijstem samenhangt
met de mate van politieke kennis. In 1994 stelt Dewachter vast: 44% van de kiezers
met een hoge politieke kennis geven altijd dezelfde stem tegen over 55% dat wel eens
van partij verandert tegenover 40% van de kiezers met een lage politieke kennis wel
eens een andere stem geeft tegenover 60% dat nooit een andere stem gegegen heeft.(Dewachter,
1994 : 49) Maar uit ‘de (on)redelijke kiezer’ blijkt dat politiek onderlegden
evenzeer hun stem verplaatsen als politiek niet-onderlegden. (Dewachter&Maddens,
1998 : 145-150) Die vaststelling klopt met het eerder gemaakte onderscheid. Probleemgevoeligen
en beleidsgevoeligen zijn wellicht meer politiek onderlegd dan zwak gesocialiseerden
die minder politieke onderlegd zijn en alle drie verhuizen ze evenzeer.
Verkiezingsthema’s kunnen daarentegen, onder strikte voorwaarden, wel invloed hebben
op het verhuisgedrag. Volgens Maddens zijn het de thema’s die het duidelijkst met
een welbepaalde partij geassocieerd worden die ook meebepalend blijken voor de partijkeuze
van de minst onderlegde kiezers. (Maddens, 1998 : 88) Op basis van het onderzoek
van Maddens naar het verband tussen politieke onderlegdheid en moeilijkheid van de
thema’s kunnen we stellen dat politieke onderlegdheid niet voor een verschil zorgt
bij makkelijke en moeilijke thema’s op uitzondering van één bepaald moeilijk
thema na : het ‘links’ technische economische thema.(Maddens, 1998 : 85-86) Wel merken
we een verband tussen themabelangstelling en kiesgedrag. Maar het moet dan wel gaan
om thema’s die én op een ruime belangstelling kunnen rekenen van én door
veel kiezers in rekening worden gebracht bij de partijkeuze. Dat blijkt zowel uit
de verkiezingsoverwinning van het Vlaams Blok in 1991 als uit de "verkiezingsoverwinning"
van de SP in 1995. Beide partijen bespeelden thema’s die ver doorgedrongen waren
bij minder gepolitiseerde kiezers. Moeilijke thema’s zoals de burgerdemocratie zijn
misschien wel gemakkelijk aan te brengen in de toplaag maar slaan niet aan bij de
minder politiek onderlegde kiezer en ressorteren als dusdanig niet veel electoraal
effect. Zo kon de VLD niet scoren tijdens de verkiezingen van 1995 met haar burgerdemocratisch
partijprogramma.
Met spijt moeten we vaststellen dat de analyse van de movers mager is. Wie ze
zijn, kunnen we enkel maar veronderstellen. Duiden kunnen we hen niet. Alle gemaakte
onderscheiden zoals politieke onderlegdheid, geslacht, probleemvertolkers en beleidsgevoeligen
versus zwak-gesocialiseerden kunnen niet discrimineren op ‘verhuisgedrag’. Enkel
van verkiezingsthema’s is gebleken dat ze, als ze ruim verspreid zijn, heel wat mensen
kunnen bewegen naar een andere partij die zich op een juiste wijze met de thema’s
weet te vereenzelvigen.
We staken voorlopig de zoektocht naar de vlottende burger-kiezer om ons te concentreren
op de dieperliggende oorzaken van het verhuisgedrag.
Achter de kiezer ligt de maatschappij
In het midden van de jaren zeventig is men in de christelijke ‘wereld’ in staat geweest
om met succes het tanend kerks-katholicisme te vervangen door de zogenaamd sociaal-culturele
christenheid, een geheel aan waarden die de christen-democratie niet alleen een eigen
specifiek profiel gaven maar dat bovendien erkend werd door het georganiseerd katholicisme.
De christelijke zuilorganisaties en de CVP hadden als het ware een monopolie over
waarden als medemenselijkheid, zorgzaamheid, bekommernis voor zwakkeren, enzovoort
Deze situatie is grondig veranderd.(Swyngedouw, 1988 : 26). De tijd staat niet stil.
De opeenvolgende economische crisissen en de tanende macht van het Belgisch overlegmodel
alsook de nood aan besparingen in de uitkeringen, heeft ook de kiezer geraakt. De
verdere desintegratie van de zuilen met betrekking tot het stemgedrag wordt ook weer
geïllustreerd door het feit dat in vergelijking met de verschuiving tussen ‘81-‘85
de beweging van de kiezers tussen de drie traditionele partijen bijna van dezelfde
grootte-orde is. (Swyngedouw, 1988 : 27)
Ondertussen is in Europa een duale samenleving ontstaan. En met de informatiemaatschappij
en de steeds verdergaande globalisering is verbetering niet in zicht. Tien tot twintig
procent van de bevolking valt uit de boot. Vooral de inwoners van steden en mensen
uit de buurt van vervallen industriegebieden krijgen het hard te verduren. De maatschappelijke
moeilijkheden blijven bestaan en de extreme partijen blijven die succesvol gebruiken
(Vanpetteghem, DS 10 oktober 1996). De duale maatschappij legt het Vlaams Blok geen
windeieren. In tegenstelling tot VU en VLD, wier linker- en rechtervleugel ruziën,
drijven het Vlaams Blok en haar kiezers op deze kansloze-kansrijke tegenstelling.
Haar kiezers hebben met de gastarbeiders de verpaupering van hun leefomgeving gemeen.
Afkomstig uit vermoedelijk katholieke apolitieke middens biedt het Vlaams Blok hen
een uitlaatklep en stemmogelijkheid.(Swyngedouw, 1988 : 29) Inderdaad, de zwak-gesocialiseerden
die Dewachter hierboven beschreef zouden wel eens een proteststem kunnen uitbrengen,
wat volgens vele politieke analisten gebeurd is tijdens de zwarte zondag.
De kloof tussen burger en politiek kan zo vereenvoudigd worden tot het politieke
aliënatiemodel : de (steeds toenemende) cognitieve deprivatie B in
onze samenleving heeft immers een effect op het stemgedrag.(Dierickx&Thijssen,
1998 : 136) Met de ISPO-gegevens in de hand kan het model van de politieke aliënatie
gedeeltelijk getoetst worden door twee schalen, namelijk externe politieke machteloosheid
en politiek wantrouwen. Om de befaamde kloof nu te situeren : externe politieke machteloosheid
hangt in stijgende orde van belangrijkheid samen met kerkbetrokkenheid, leeftijd,
cognitieve deprivatie en autoritarisme. (Dierickx& Thijssen, 1998 :131) Bij de
verklaring voor politiek wantrouwen verdwijnt leeftijd uit het model maar komen ‘utilitair
individualisme’ en opleidingsniveau in de plaats. Dat utilitair individualisme is
erg interessant. Het biedt ons de mogelijkheid om terug te grijpen naar Huyse die
de steeds verdere individualisering op het voorplan brengt om de ‘kloof’ te verklaren.
"Rondom het individu is een ware omwenteling aan de gang. De erosie van uniforme
gedragspatronen verwekt ingrijpende veranderingen in het leven van de meeste mensen."(Huyse,
1994 : 75) Parallel daaraan groeien de mogelijkheden voor het individu om een levensloop
te ontwikkelen die nauwer aansluit bij zijn particuliere visies, wensen en verlangens.(Huyse,
1994 : 34) Kortom, ‘elk individu is zijn eigen planbureau’. Voor velen betekent dat
dat de levenskansen meer en meer verschijnen als gevolg van de persoonlijke prestaties.(Elchardus&Pelleriaux,
1998 : 207) Elchardus spreekt van het postmoderne individu dat te heterogeen, te
meervoudig en te veranderlijk is geworden om aan één omvattende beweging
een identiteit te kunnen ontlenen of om de eigen identiteit op een relatief duurzame
wijze aan een beweging te kunnen koppelen. Identiteit wordt, zo formuleert Antony
Giddens die idee, ‘zelfidentiteit’ : een identiteit gezocht in de eigen levensloop,
en niet langer in het lidmaatschap van collectiviteiten.(Elchardus&Pelleriaux,
1998 : 184)
Anderen grijpen voor hun verklaring naar een identiteitscrisis die de weg
vrijmaakt voor een ‘terugkeer naar de oude tijd’. Die route loopt over de identificatie
met de etnische gemeenschap. Het kan geen toeval zijn dat juist vandaag zovelen,
ook in West-Europa, een gemeenschappelijke moedertaal, cultuur, godsdienst of verleden
als bouwstenen voor de (re)-constructie van een identiteit gaan gebruiken.(Huyse,
1994 : 41) Inderdaad, de invloed van autoritarisme biedt zeker voor oudere kiezers
een houvast.(Dierickx&Thijssen, 1998 : 135) Het feit dat autoritarisme ook samenhangt
met andere demografische kenmerken werpt een licht op de verhuis van SP-kiezers naar
het Vlaams Blok. Niet toevallig merkt Maddens op dat de voorkeur voor een aantal
partijen vooral blijkt samen te hangen met de belangstelling voor één specifiek
probleem. Als de aandacht van de kiezer door andere problemen wordt afgeleid vergroot
de kans dat hij zijn vroegere partij de rug toekeert.(Maddens, 1993 : 60)
Het is erg verleidelijk om het concept van de ‘movers’ te koppelen aan de verdere
individualisering of atomisering van onze samenleving. Maar stellen dat de kiezer
zich gedraagt als een politieke consument die van de ene waarde naar de andere, van
het ene naar het andere lidmaatschap en van de ene partij naar de andere politieke
partij zapt, (Elchardus & Pelleriaux, 1998 : 183) is erg pejoratief. Daarmee
velt Elchardus een oordeel over de maatschappelijke omwentelingen, die zich lijken
te vertalen in politieke beweeglijkheid.
Wanneer we verder blijven graven naar een verklaring voor de verhuisbeweging in het
politieke landschap, merken we dat we verder geraken dan het pejoratieve individualiseringsverhaal.
Dat er iets aan de hand is kunnen we afleiden uit de analyses van Dierickx, Swyngedouw,
Dewachter, De Winter(1993), Huyse en Elchardus. De maatschappij beweegt en dat zorgt
mede voor een onvoorspelbaar gedrag van de kiezer. We hoeven hiervoor maar naar de
titel van het nieuwe ISPO-onderzoek te wijzen...de (on)redelijke kiezer?
Een samenvattende benadering vinden we in de breuklijntheorie. Elchardus opteert
bijzonder overtuigend voor een nieuwe specificatie van de sociaal economische
breuklijn en sluit mijns inziens daarmee aan bij de eerdere breuklijntheorie
van Swyngedouw.(Swyngedouw, 1993 : 85 e.v.)
Figuur : vijf dimensies van de sociaal-culturele breuklijn.(Elchardus, 1998 : 188)
| Fundamentele vraag |
Dimensie |
Schaal of operationele definitie |
| Wie zijn we? |
-Mensbeeld |
Utilitair individualisme |
| Hoe verhouden mens zich onderling? |
-Aard van gezagsrelaties
-Relaties tussen culturen en etnieën |
Autoritarisme
Etnocentrisme |
| Hoe nemen we beslissingen die bindend zijn voor de collectiviteit? |
-Opvattingen over politiek en democratie |
Politieke machteloosheid of politiek cynisme |
| Wat zijn belangrijke middelen om te leven? |
-Instrumentele versus normatieve opvattingen over het handelen |
Materialisme versus postmaterialisme |
Op basis van de ISPO-data van de parlementsverkiezingen van 1991 slaagt Swyngedouw
erin diverse schalen samen met de partijen in een tweedimensionele ruimte voor te
stellen (door middel van een ‘individual difference scaling’). In de afbeelding hieronder
interpreteert hij de assen als volgt : de X-as komt overeen met Inglehart en heet
dan ook post-materialisme versus materialisme, de Y-as komt overeen met Tonniës
Gemeinschaft-Geselschaft benadering maar in een moderner kleedje krijgt de as de
naam universalistische-culturele openheid-versus particularistische-culturele
geslotenheid.(Swyngedouw, 1993 : 102-107)
fig1
Wanneer we de univariate schalen C die afgebeeld
zijn in de INDSCAL-oplossing hierboven inspecteren, dan zien we dat de vergelijking
met Elchardus zijn benadering van de data in 1995 opgaat. Alleen blijkt deze laatste
de tweedimensionele oplossing te kunnen verbreden tot de boven genoemde sociale culturele
breuklijn die vijf dimensies heeft, maar die met het blote oog beoordeeld, wel te
reduceren zijn. Wat meer van belang is, is dat tussen 1991 en 1995 de politieke vertaling
van de nieuwe breuklijn zich heeft bevestigd. Waarschijnlijk heeft er zich een polarisering
voorgedaan. De gemiddelde score van het electoraat van het Vlaams Blok is immers
gestegen van 60 naar 62, die van het Agalev-electoraat is gedaald van 40 naar 36.
De kloof tussen deze electoraten heeft zich verbreed van 20 punten naar 26 op onze
schaal waar ‘0’ normatief is en ‘100’ instrumentalistisch. (Elchardus&Pellariaux,
1998: 196)
Wanneer we aannemen dat Swyngedouws INDSCAL-oplossing overeenkomt met Elchardus’
benadering kunnen we deze door middel van de sociologische invalshoek van de ISPO-data
van 1991 door Van den Brande gebruiken om deze verschuiving van de electoraten in
te schatten.(Van den Brande, 1993 : 124)
fig2
Het tweede kwadrant en het vierde kwadrant drijven volgens de resultaten van Elchardus
verder uiteen. Zijn breuklijn kunnen we voorstellen door de bissectrice D te
nemen gaande van het tweede naar het vierde kwadrant. De traditionele partijen liggen
dan ongeveer in het centrum. Zo zien we ook meteen de implicatie op de machtsverhoudingen.
De percentages van zowel ‘Nieuw Links’ waarvan Agalev de vertegenwoordiger is, en
van ‘Retro-Rechts’ waarvan het Vlaams Blok de vertegenwoordiger is, lopen samen op
tot iets meer dan 20%. Dat is dus 1/5 van het electoraat dat verder uit elkaar gaat.
Politiek betekent dat niet zeer veel. Daarvoor zijn de electoraten wellicht iets
te ver van het centrum verwijderd. De opkomst van een nieuwe specificatie van de
sociaal-culturele breuklijn wijst er wel op dat de bestaande levensbeschouwelijke
groepen niet bij machte zijn geweest de nieuwe sociaal-culturele uitdagingen (verbonden
met onder meer de komst van migranten, de groei van onzekerheid, de gevoelens van
politieke machteloosheid) op te vangen en in hun specificatie van de breuklijn in
te passen. De levenbeschouwelijke groepen verliezen dus ten dele hun greep op socio-culturele
materies en raken zelfs intern verdeeld door de nieuwe specificatie van de breuklijn
die buiten hen om vorm krijgt.(Elchardus&Pelleriaux, 1998 : 198) We zijn dus
inderdaad ‘de verzuiling voorbij’. Een fase die wellicht tijdens de naweeën
van de eerste zwarte zondag duidelijk heeft gemaakt dat enerzijds heel wat mensen
uit het centrum zijn losgeweekt en afgedreven zijn naar het Vlaams Blok maar dat
anderzijds ook wat mensen in hun positie zijn bevestigd (met name Agalev-kiezers).
Voor de politieke partijen betekent deze analyse dat er een kloof is tussen hen en
de burger die niet in één-twee-drie dicht te rijden is. Hun bevriende organisaties
zoals vakbonden, jeugdbewegingen, zorginstellingen, enzovoort kunnen hen niet helpen
om de kiezer naar de politieke partijen te kanaliseren. En daardoor tasten ze in
het duister… en maken ze wel eens rare bokkensprongen. Het enige wat ze blijkbaar
in handen hebben, is de politieke agenda en de daaraan gerelateerde thema’s(cf. supra).
Besluit
De verkiezingen in België zijn de laatste jaren erg turbulent. Politici kunnen
geen touw meer knopen aan het kiesgedrag. Helaas heeft dat in België geleid
naar het politiek begrip ‘de kloof’ tussen burger en politiek. In dit artikel hebben
we weliswaar deze analyse gedeeld maar hebben we meer de klemtoon gelegd op de andere
zijde van de afgrond. De kloof is met andere woorden niet dicht te gooien door aan
het vertrouwen alleen te werken. De politieke aarde is weliswaar als het ware plotseling
doorkliefd op zondag 24 november 1991 maar de bevolking spuwde al jaren lava. De
samenleving is niet meer wat ze geweest is. De kiezer is minder en minder te vatten
in duidelijk afgelijnde categorieën van variabelen zoals leeftijd, beroep, lidmaatschap,
enzovoort. Erger, de mover is haast niet te vatten. Elchardus stelt nogal pejoratief
dat de kiezer zapt. Hij springt van het ene naar het andere, van de ene partij naar
de andere, van het ene thema naar het andere, van de ene vereniging naar de andere...het
is alsof de ideologische bovenbouw het niet meer doet. Huyse stelt kortweg dat de
verzuiling voorbij is...en dat is ze blijkbaar ook. De zuilen kanaliseren minder
en minder efficiënt de kiezer naar de bijhorende partij. Maar hoeft dat te verwonderen?
Onze samenleving is razendsnel complex geworden terwijl de gangbare instituties niet
bij machte waren om hun doelgroepen een duidelijk antwoord te geven op de problemen
die hun leven herschikte. De idee dat de zuilen van-wieg-tot-doodsbed zijn leden
kon begeleiden is achterhaald. Dikwijls zijn de leden te heterogeen geworden. En
ondertussen heeft zich een sterke individualisering doorgezet. Het gezin is minder
en minder de hoeksteen van onze samenleving. Werk is minder en minder een zeker gegeven.
Wat rest er dan? "Ieder individu is zijn eigen planbureau geworden" : schrijft
Huyse. Dat betekent concreet dat hij zijn behoeften bevredigt met verschillende producten
uit verschillende magazijnen waarbij als het ware de prijs/kwaliteit verhouding de
doorslag geeft. En dat heeft nu eenmaal sterke politieke consequenties die niet te
vatten zijn in een modewoord zoals ‘Nieuwe Politieke Cultuur’. Dat er een nieuwe
cultuur is, is overduidelijk. Mijn stelling — die zal uitgewerkt worden in een volgende
nummer van InterAxis - is dat deze nieuwe cultuur niet naar behoren kan spreken in
onze huidige politieke structuur. De veelheid en de complexiteit van meningen in
onze samenleving kan zich niet communiceren in een politiek systeem dat enkel in
‘wij-zij’ of ‘ja-neen’ termen denkt.
Noten
1
Bij de omvorming van de PVV naar de VLD werden
dan ook consequent de eigen liberale zuilen in vraag gesteld, tot ergenis van deze.(Notelaers,
G. 1994)
2 Het model dat centraal staat in deze analyse is het movers-stayers model. Dit model
deelt de kiezers op in twee categorieën, namelijk diegenen die trouw blijven
aan een bepaalde partij en zij die bewegen tussen partijen. Voor deze laatste categorie
wordt verondersteld dat zij van om het even welke partij naar om het welke andere
partij kunnen verschuiven.
3 "Alienation may be a function of the aging process : since ‘morale’ varies
with age, so might feelings of alienation." (Dierick&Thijssen, 1993 : 194-195)
Het gevoel van politieke efficiëntie zou dan voor vele burgers dalen bij het
ouder worden.
4 Dat wordt alleszins al bevestigd in de analyse van Ackaert en De Winter : "Kiezers
met weinig interesse voor politiek verzaken meer dan geïnteresseerde kiezers.
Daarnaast brengen kiezers die zich machteloos voelen tegenover de politieke besluitvorming
en globaal negatieve gevoelens koesteren tegenover de politiek ook minder een (geldige)
stem uit."(Ackaert&De Winter, 1993 : 81)
5 In hun vorige publicatie bij ISPO stelden de auteurs vast dat opleiding de belangrijkste
verklarende factor was voor politieke efficiëntie.(Dierickx&Thijssen, 1993
: 195-196)
Verklarende woordenlijst
A
votalility: beweegelijkheid. In deze tekst
worden verhuizer en mover door elkaar gebruikt. Ze betekenen hetzelfde. Het gaat
om mensen die hun stem verplaatsen. Votalility drukt de omvang van de verplaatsingen
tussen twee verkiezingen uit.
B
cognitieve deprivatie : zie : http://interaxis.sesuadra.org/Interaxis2/html/indexnr1.html
C
univariate schalen : een verzameling van uitspraken
die een onderliggend concept gemeen hebben.
D
bissectrice
Literatuur
Ackaert, J. De Winter, L. De afwezigen hebben andermaal ongelijk. De stemverzaking
en Vlaanderen op 24 november 1991. In : Swyngedouw, M. Carton, A. Beerten, R. Billiet,
J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. 1993, p. 67-82.
De Coene, Ph. ‘De’ Burger. In : SP-Nieuws, 9 juni 1997.
Depla, P. Technologie en de vernieuwing van de lokale democratie : vervolmaking of
vermaatschappelijking ’s Gravenhage, VUGA. 1995, 323 p.
Derbyshire, J. World political systems : an introduction to comparative government.
New York, 1993.
Dewachter, W & Maddens, B. Het begint nog voor de verkiezingen. In : Maes, R.
Democratie, legitimiteit, nieuwe politieke cultuur. 1997. p. 11-24.
Dewachter, W.&Maddens, B. Politieke belangstelling, kennis en onderlegdheid.
In : Swyngedouw, M. Billiet, J. Carton, A. Beerten, R.(red) De (on)redelijke kiezer.
Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995.
Acco, Leuven. 1998, p. 139-158.
Dewachter, W. Parlement en regering : symbool en macht. . In : Maes, R. Democratie,
legitimiteit, nieuwe politieke cultuur. 1997. p. 25-42.
Dewachter, W. Besluitvorming in politiek België. Leuven, 1992, 371 p.
Dewachter, W. Vergelijkende poltieke besluitvorming. Syllabus. Leuven, 1994. losbladig.
Dewachter, W. Verkiezingstechnologie en machtsmetingen. Leuven, , p.
Dewachter, W. Sociologie van de politieke partijen. Leuven, 1994, p. 336.
Dewachter, W. Politieke sociologie. Leuven, 1994, p.
Dewachter, W. Politologie. Leuven, 1991, p.
Dierickx, G. Thijssen, P. Politieke efficientie in Vlaanderen : een verkennende analyse.
In : Swyngedouw, M. Carton, A. Beerten, R. Billiet, J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco,
Leuven. 1993, p. 185-197.
Dierickx, G. Thijssen, P. De politiek gealiëneerden in Vlaanderen. In : Swyngedouw,
M. Billiet, J. Carton, A. Beerten, R.(red) De (on)redelijke kiezer. Onderzoek naar
de politieke opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995. Acco, Leuven.
1998, p. 119-128.
Eppink, D.J. Jef Sleeckx zet Tobback onder druk. In : De Standaard, 28 september
1996. http://194.7.253.55/dsifsleex.html
Elchardus, M. Deschouwer, K. Perlleriaux, K. Stouthuysen, P. Hoe negatief kan vrijheid
zijn. Ongeloof, vrijzinnigheid en populistische ontvoogding. In : Swyngedouw, M.
Carton, A. Beerten, R. Billiet, J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. 1993, p.
27-39.
Elchardus, M. Pellariaux, K. De polis verdeeld. Hoe kiezers lins en rechts herdefiniëren.
In : Swyngedouw, M. Billiet, J. Carton, A. Beerten, R.(red) De (on)redelijke kiezer.
Onderzoek naar de politieke opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995.
Acco, Leuven. 1998, p. 183-210.
Huyse, L. De politiek voorbij. Een blik op de jaren negentig. Kritak, Leuven. 1994
Intentieverklaring van de Kandidaat-Voorzitter. Actualiteitscongres 11 oktober 1997
— Lier/Statutair Congres 20/21 december 1997 — Roeselare. http://guy.verhofstadt.org/bz-verhofstadt.html
Lijphart, A. Democracies. Patterns of Majoritarian and Consensus Government in
Twenty-One Countries. Yale University Press. 1984.
Maddens, B. De partijkeuze en de beleidsthema’s. In : Swyngedouw, M. Billiet, J.
Carton, A. Beerten, R.(red) De (on)redelijke kiezer. Onderzoek naar de politieke
opvattingen van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995. Acco, Leuven. 1998, p. 69-91.
Maddens, B. Het kiesgedrag en de opvattingen over politieke kwesties. In : Swyngedouw,
M. Carton, A. Beerten, R. Billiet, J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. 1993,
p. 41-65.
Moens, G. de ANTI-VERHOFSTADT. Politiek voor de spiegel.CODA, Antwerpen. 1992.
Persconferentie. Het ontvangen ‘Sienjaal’ Een nieuwe fase van het Radicaal-democratisch
project door Maurits Coppieters en Norbert De Batselier. woensdag 26 maart 1997 te
Brussel. http://
Pex, P. Elektronische communicatie en Europese politiek. In : Geschriften teledemocratie,
1996. http://
Swyngedouw, M. Beerten, R. De ‘bevroren’ invloed van sociaal-demografische kenmerken
en attitudes op het stemgedrag in Vlaanderen. In : Swyngedouw, M. Billiet, J. Carton,
A. Beerten, R.(red) De (on)redelijke kiezer. Onderzoek naar de politieke opvattingen
van Vlamingen. Verkiezingen van 21 mei 1995. Acco, Leuven. 1998, p. 13-26.
Swyngedouw, M. Billiet, J. Een analyse van de veranderingen in het kiesgedrag in
Vlaanderen 1985-1987. Bulletin nr. 19 van het Centrum voor Dataverzameling en —analyse.
KU-Leuven, 1988, 42 p.
Swyngedouw, M. De veranderingen van het kiesgedrag in Vlaanderen bij de parlementsverkiezingen
van 1981 en 1985. Een statistische analyse. KU-Leuven, Faculteit der Sociale Wetenschappen,
Departement Sociologie, afdeling Sociologische theorie en methoden. 1986, 26 p.
Swyndgedouw, M. Nieuwe breuklijnen in de Vlaamse politiek? De politieke ruimte van
de 18-tot65-jarige Vlaamse kiezer na de verkiezingen van 24 november 1991. In : Swyngedouw,
M. Carton, A. Beerten, R. Billiet, J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. 1993,
p. 85-111.
Tops, P. Depla, P. De kiezer hoeft straks de deur niet meer uit. In : Geschriften
teledemocratie, 1994.
Taes, C. Opinie : Oproep tot positieve frontvorming. In : De Standaard 23 augustus
1997.
Van den Brande, A. Machtslogica’s, waardenoriëntaties en kiesgedrag. Een poging
tot sociologische verklaring. In : Swyngedouw, M. Carton, A. Beerten, R. Billiet,
J.(ed) Kiezen is verliezen. Acco, Leuven. 1993, p. 113-128.
Verhofstadt, G.. Boekvoorstelling "De Belgische Ziekte". Toespraak door
Guy Verhofstadt. Galerij De Zwarte Panter, Antwerpen donderdag 29 mei 1997.
Verhofstadt, G. De Belgische ziekte. Diagnose en Remedies. Hadewijch, Antwerpen.
Proefdruk. 1997.
Verhofstadt, G. De weg naar politieke vernieuwing. Hadewijch, Antwerpen. 1992.
|