Gelijkekansenbeleid aan de universiteit
De rol van de Rectoraal Adviseur Gelijke Kansen aan de K.U.Leuven.

Click hier om de tekst als rft te downloaden

Prof. dr. Katlijn Malfliet


Inleiding

Vergelijkend onderzoek wijst uit dat Europese universiteiten te kampen hebben met een probleem van democratische vertegenwoordiging van vrouwen in hun leidinggevende functies. Dat geldt zowel voor de bestuursstructuren van de universiteit (Gemeenschappelijk Bureau, Raad van Beheer, Academische Raad) als voor de groep van het zelfstandig academisch personeel (ZAP, de professoren) en de leidinggevende functies bij het administratief en technisch personeel (ATP)
1 .

Sinds meer dan tien jaar bestaat in België een wetgeving in verband met het voeren van gelijkekansenbeleid binnen organisaties. Voor de privé-sector geldt sinds 14 juli 1987 het koninklijk besluit over de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Sedert het koninklijk besluit van 27 februari 1990 zijn alle openbare besturen in België verplicht om een gelijkekansenbeleid te voeren. Deze wetgeving heeft tot doel "feitelijke ongelijkheden" op te heffen. De overheidsdiensten zijn verplicht om een gelijkekansenambtenaar te benoemen, gelijkekansenplannen op te stellen en een interne begeleidingscommissie samen te stellen die het positieve-actiebeleid mee begeleidt en evalueert. In de privé-sector moet jaarlijks verslag worden uitgebracht over gelijke kansen tussen mannen en vrouwen aan de ondernemingsraad of aan de vakbonden.

Universiteiten vormen één van de weinige categorieën van instellingen, die buiten het toepassingsgebied van de Belgische wetgeving inzake gelijkekansenbeleid vallen. Nochtans bestaan ook hier een aantal zeer opvallende "feitelijke ongelijkheden" tussen mannen en vrouwen. Internationaal gezien scoren de Belgische universiteiten op dit vlak zeer slecht. Van alle industriële landen heeft België met 10% zelfs het laagste percentage vrouwelijke professoren
2 .

"Verzet begint niet bij grote woorden" (Remco Campert), ook niet in dit verhaal. Enkele jaren geleden verwekten de vrouwelijke assistenten van de werkgroep Vrouw en Universiteit van de Vereniging Academisch Personeel (VAP) de nodige opschudding toen zij bij de opening van het academiejaar enkele cijfers over de verdeling man/vrouw bij de verschillende geledingen aan de universiteit tentoon spreidden. Daaruit bleek, zonder veel woorden, hoe de procentsgewijze deelname van vrouwen aan de universitaire activiteit vertrok van ongeveer 50% bij de afgestudeerde studenten (er is m.a.w. voldoende instroom). Bij de assistenten zijn er nog 40% vrouwen, maar op het ogenblik van het ‘inZAPpen’ wordt de deelname van vrouwen problematisch en dit percentage daalt verder naarmate de academische carriere vordert tot 3% voor gewoon hoogleraren.
Met de centrale bestuursorganen van de K.U.Leuven is het zo mogelijk nog erger gesteld. Op dit ogenblik kent de ploeg-Oosterlynck geen enkele vrouw in de hoogste bestuursfuncties van de universiteit. Dat kan toch niet en dat wil toch niemand?

Gelukkig constateert men de bereidheid bij de universitaire overheid om - zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn- een gelijkekansenbeleid op gang te brengen.

Evolutie

Aanvankelijk ijverde de VAP-groep Vrouw en Universiteit voor een ombudsfunctie, die specifiek zou zijn toegespitst op het gelijkekansenbeleid. Dit lag echter moeilijk omdat een dergelijke adjunct-ombuds ondergeschikt zou zijn aan een algemene ombuds (alweer onderschikking) en ook omdat de ombudsfunctie geen strijdende en herstructurerende rol zou kunnen behelzen. Ongeveer anderhalf jaar werd over dit probleem onderhandeld tussen de verschillende geledingen aan de universiteit. Op die wijze kwam de gender issue op tal van vergaderingen aan de orde, wat een positieve evolutie betekende.

Tenslotte besloot de rector om, zonder iets aan de bestaande overlegorganen te veranderen, een Rectoraal Adviseur Gelijke Kansen aan te duiden, die materiaal zou verzamelen, de netelige punten aanduiden en voorstellen zou doen om daaraan te verhelpen. Toch moet onderstreept worden dat dit gebeurde op bijzondere vraag van de werkgroep Vrouw en Universiteit, die pleitte voor een meer gecoördineerd optreden rond gelijkekansenbeleid. Het is de bedoeling om de (personeels)situatie inzake gender-verhoudingen aan de K.U.Leuven in kaart te brengen, te wijzen op problemen en voorstellen te doen om het beleid terzake te verbeteren.

De functie

De Rectoraal Adviseur Gelijke Kansen is een gewoon hoogleraar aan de K.U.Leuven, die in de eerste plaats een coördinerende en stimulerende rol toegewezen krijgt in verband met gelijkekansenbeleid. Verspreide initiatieven rond gender-studies en gelijkekansenbeleid moeten worden samengebracht om zo tot een sterker aandachtspunt aan de universiteit uit te groeien. Tot die verspreide initiatieven behoren vooreerst de twee werkgroepen, die reeds een aantal jaren actief zijn rond de relatie man-vrouw aan de universiteit. Enerzijds is er de Interfacultaire Raad Vrouw-Man-Universiteit, die in haar geledingen zelfstandig en assisterend personeel opneemt, alsook een vertegenwoordiging van de studenten. Deze Raad was vooral actief op het gebied van de discussie rond uitgangspunten, basisfilosofieën en fundamentele strategieën. Deze werkgroep behandelde reeds vragen als: wat te denken van positieve discriminatie aan de universiteit, welke studies rond gender zijn beschikbaar aan de universiteit, welk interessant studiemateriaal kan aan de collega’s worden doorgegeven? Een tweede werkgroep is de werkgroep Vrouw en Universiteit, die in de schoot van de Vlaamse Vereniging voor Academisch Personeel is ontstaan. Deze werkgroep werkt meer rond gender-aspecten van het personeelsbeleid en rond effectieve beleidslijnen in verband met gelijkekansenbeid. In de schoot van deze werkgroep werd een cel gecreëerd, die de Rectoraal Adviseur ondersteunt. Daarnaast lopen verschillende onderzoeken rond vrouwen aan de universiteit: bij de faculteit Pedagogie rond deelname van vrouwen aan onderwijsbeleid in Europees vergelijkend verband, bij de faculteit Economie rond het voortijdig stopzetten van doctoraatsprojecten bij vrouwen en bij onderzoekscoördinatie rond een gelijkaardig thema van loopbaanontwikkeling bij vrouwen aan de universiteit. Daarnaast zijn individuele onderzoekers actief rond het gender-thema en worden ook licentiaatsthesissen rond dit onderwerp gemaakt (over gender-studies aan de universiteit bestaat een interne publicatie).

Toch moet het duidelijk zijn dat gender-onderzoek niet behoort tot de taakomschrijving van de Rectoraal Adviseur. Haar taak is om probleemgebieden op te sporen in verband met gelijke kansen aan de universiteit, te omschrijven waar en hoe het probleem zich situeert en aan de rector beleidsvoorstellen te doen.

De basisfilosofie

Internationaal gezien is er duidelijk een evolutie in de strategie om gender-gelijkheid te verkrijgen. Hondeghem en Nelen verwijzen naar T.Rees om een onderscheid te maken tussen de volgende elementen
3 .

De formeel-juridische houding verwijst naar theoretische gelijkheid, zoals zij in de wetgeving is neergelegd. In de praktijk is dit juridisch gelijkekansenmodel echter vaak onvoldoende gebleken en de wet blijft dikwijls dode letter.

Positieve actie: aangezien de juridische benadering niet voldoende is, vormt positieve actie een noodzakelijke aanvulling op dit eerste model. Specifieke acties en maatregelen, toegespitst op de situatie van vrouwen, zijn noodzakelijk om de formele gelijkheidsclausules om te buigen tot werkelijke kansen voor vrouwen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om maatregelen om een bepaald percentage vertegenwoordiging van vrouwen te krijgen aan de universiteit.
Maar de impact van positieve acties is beperkt omdat zo’n beleid gebaseerd is op een "deficit-model". Positieve actie legt de nadruk op de gebreken en de ontoereikendheid van de groep, in casu vrouwen, waaraan moet worden verholpen om de competitiviteit binnen het bestaande systeem te verbeteren. Positieve actie heeft het echter niet over de kenmerken van het bestaande systeem, dat niet in vraag wordt gesteld.

Mainstreaming (horizontaal beleid). De mainstreaming aanpak stelt een "transformerend" model voor; het is de bedoeling om de structurele status-quo te bevragen op zijn capaciteit om gender-ongelijkheden te reproduceren en te versterken. De Raad van Europa definieert mainstreaming als "de (re)organisatie, verbetering, ontwikkeling en evaluatie van beleidsprocessen op zodanige wijze dat het gender-perspectief in alle beleidsaspecten op alle niveaus en in alle stadia is ingebed door de actoren, die normaal zijn betrokken bij beleidsvoering"
4 .

Mainstreaming is het einddoel van het gelijkekansenbeleid aan de K.U.Leuven. Positieve actie en formeel-juridische instrumenten kunnen zeker een instrument zijn om dit doel te bereiken. Mainstreaming sluit dus geenszins positieve actie of voorstellen inzake formeel-juridische gelijkheid uit. Alleen leidt op die wijze het gelijkekansenbeleid tot een ingrijpend veranderingsproces in de cultuur van de organisatie. Vanzelfsprekend is dit een omslachtig en ingewikkeld proces, dat met bijzonder veel zorg moet worden voorbereid en uitgewerkt.

De eerste stappen

De eerste stappen bestaan uit sensibilisering, onderzoek, uitwerking en uitvoering van een algemeen beleidsplan, structurele maatregelen voor de verankering van het gelijkekansenbeleid en verspreiding van de resultaten naar andere universiteiten.

Sensibilisering is een noodzakelijke voorwaarde om het gelijkekansenbeleid bij de verschillende geledingen van de universiteit ingang te laten vinden. Het resultaat is zeker in dit domein "path-dependent" Daarmee wordt bedoeld dat een in het verleden genomen beslissing of een situatie uit het verleden gevolgen heeft voor de handelingscapaciteit van actoren vandaag. Men kan niet plotseling met een andere strategie uitpakken, het nieuwe beleid moet grondig geïntegreerd zijn en gedragen worden door alle geledingen van de organisatie. Wanneer een nieuw beleid wordt uitgebouwd, wordt het onvermijdelijk geconfronteerd met de resten uit het verleden. Een nieuw beleid kan dus leiden tot zeer tegenstrijdige effecten. Dat is zeker waar voor het gelijkekansenbeleid in een organisatiecultuur, die overwegend mannelijk is.

Sensibilisering zal aan de K.U.Leuven in eerste instantie als volgt worden gerealiseerd.
De top van het universiteitsbestuur moet vertrouwd raken met het denken rond en het begrippenapparaat voor gelijkekansenbeleid. Het is absoluut noodzakelijk dat de universiteitstop het gelijkekansenbeleid mee draagt. De leden van het Gemeenschappelijk Bureau krijgen daarom een gender-training (gegeven door een expert met ervaring: prof. Mieke Verloo, universiteit Nijmegen, Vrouwenstudies). De leden van de Academische Raad (hoofdzakelijk bestaande uit decanen) krijgen eveneens een gender-training met dezelfde doelstelling.
Met de bureaus van alle faculteiten wordt een eerste gesprek aangegaan, bij wijze van verkennende informatieronde, waarin de faculteiten hun gegevens en bevindingen kenbaar maken, het concept van gender-mainstreaming wordt toegelicht en een aantal eerste concrete afspraken worden gemaakt.
Centraal binnen de universiteit wordt een meldpunt gelijke kansen en vrouwenstudies ontwikkeld. Daar kunnen alle geledingen van de universiteit (studententen, AAP, BAP, ATP, ZAP) terecht voor het aanmelden van beleidssuggesties, informatie, klachten (voor zover zij het individueel karakter overschrijden, anders moeten zij terecht bij de ombudsman/vrouw). Op diezelfde plaats wordt ook een documentatiecentrum uitgebouwd, waar materiaal rond gelijkekansenbeleid en gender-studies wordt verzameld. De permanentie op het meldpunt wordt waargenomen door een lid van het ATP.
Andere wijzen van verspreiding van het initiatief zijn: een affiche-campagne waarmee het initiatief verder wordt bekendgemaakt binnen de universiteit en zeker naar studenten toe, een website rond gelijkekansenbeleid aan de universiteit en een vaste rubriek in de Campuskrant.

Het onderzoeksluik wil vooral gender-aspecten bij personeelsbeleid aan de K.U.Leuven onderzoeken. Bij de doorlichting van deze gender-aspecten in het personeelsbeleid zal onderzoek worden gedaan naar: instroom (aanstelling tot AAP, BAP), doorstroom (van AAP, BAP naar ZAP, docent-hoofddocent-hoogleraar, gewoon hoogleraar); uitstroom (uitstroom AAP,ZAP, doctoraten). Bijzondere aandacht wordt besteed aan het probleem van het ‘inZAPpen’.
In dit onderzoeksluik wordt vooral gezocht naar de specificiteit van de universitaire problematiek in verband met gelijkekansenbeleid. Daarom staat de theoretische uitwerking van het concept gender-mainstreaming voor een universiteit centraal. Meer bepaald op het vlak van personeelsbeleid zal de centrale onderzoeksvraag zijn hoe een gender-invalshoek effectief kan geïntegreerd worden in het personeelsbeleid aan de universiteit, wat de randvoorwaarden hiertoe zijn en wie de cruciale actoren zijn. Een hypothese is dat inzake benoemings-en bevorderingsbeleid andere criteria moeten gelden dan bij participatie aan beslissings- en beleidsstructuren.
Het onderzoek zal sterk steunen op internationaal vergelijkend materiaal. Meer bepaald zal een inventarisatie en evaluatie van de ervaringen van Nederlandse universiteiten inzake gelijkekansenbeleid een belangrijk uitgangspunt vormen voor verder onderzoek.

Op basis van de voorgaande fasen zal een algemeen beleidsplan worden opgemaakt.

Het algemeen beleidsplan zal vertaald worden naar een actieplan met een expliciete aanduiding van acties, te bereiken resultaten, timing, middelen en verantwoordelijkheden.

Ook na het pilootproject moet de continuïteit van het gelijkekansenbeleid verzekerd worden. Daarom worden een aantal structurele maatregelen voorzien.
De adviseur van de rector voor gelijkekansenbeleid moet een permanente functie worden. De adviseur coördineert het gelijkekansenbeleid aan de universiteit. Zij coördineert het onderzoek, wijst problemen aan en stelt beleidsmaatregelen rond gelijkekansenbeleid aan de rector voor. Zij bewaakt ook de verdere implementatie van de beleidsmaatregelen.
Het opzetten van netwerking-structuren is een belangrijk strategisch onderdeel van het project. Alleen op die wijze kan gender-mainstreaming gestalte krijgen op alle niveaus.
In elke faculteit wordt een duo aangeduid (één man en één vrouw), dat het op zich neemt om gender-mainstreaming in de eigen faculteit waar te maken. Deze duo’s vormen een belangrijke basis voor het doorvoeren van het mainstreaming-beleid. Zij vormen het "parlement" én de "avantgarde" van het gelijkekansenbeleid aan de K.U.Leuven.
De Rectoraal Adviseur kan ook steunen op twee werkgroepen: de werkgroep Vrouw en Universiteit, die zich meer strijdend opstelt en de Interfacultaire Raad Vrouw-Man-Universiteit, die vooral als klankbord wil fungeren voor meer fundamentele discussiepunten, zoals positieve actie of gezinsvriendelijkheid van het personeelsbeleid.
Zo nodig worden de interne reglementen van de K.U.Leuven aangepast.

Ten slotte moeten de resultaten naar andere universiteiten verspreid worden. Daartoe wordt er tussen Vlaamse universiteiten een overlegstructuur voor gelijkekansenbeleid gecreëerd (naar Nederlands voorbeeld: het zogenaamd landelijk overleg). Een uitgewerkte module gender-training kan ook in andere universiteiten worden gebruikt. Ook het gezamenlijk uitwerken van beleidsvoorstellen inzake gender-beleid aan universiteiten is belangrijk. Ten slotte worden er ruimere beleidsvoorstellen naar de minister voor Gelijke Kansen voorbereid, zoals wetgevende initiatieven inzake gelijkekansenbeleid aan universiteiten.

Besluit

Niet alleen bij de overheid (zowel de federale als de Vlaamse) maar ook bij de universiteiten is het gelijkekansenbeleid de laatste jaren in een stroomversnelling geraakt. De nieuwe aanpak berust niet langer op een oppositionele anti-discriminatie-aanpak maar op een coöperatieve mainstreaming-benadering. Op die wijze kan een inclusief personeelsbeleid worden gevoerd, dat voor alle betrokkenen als verrijkend overkomt. De Rectoraal Adviseur Gelijke Kansen kan dit beleid alleen maar aankaarten en stimuleren. De actoren "op het veld" moeten het waarmaken.

Eindnoten

1 A.De Munter e.a. , Women in Decision-Making in the Education Sector in the Countries of the European Union, Research Report co-financed by the European Commission, DGV, Equal Opportunities Unit, April 1996, 102p.

Het personeel van een universiteit bestaat uit de volgende geledingen.
Wie geen onderzoekswerk doet (van poetspersoneel tot bibliothecarissen) behoort tot het administratief en technisch personeel (ATP). Het academisch personeel (AP) houdt zich wel bezig met onderzoek en bestaat uit assistenten en professoren. De groep die algemeen wordt aangeduid als de ‘assistenten’ bestaat grosso modo uit het eigenlijke assisterend personeel (AAP) en het bijzonder academisch personeel (BAP, bijvoorbeeld wetenschappelijk medewerkers). De professoren vormen het zelfstandig academisch personeel (ZAP): docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.

2 Ter vergelijking: Frankrijk 28%, Spanje 29%, UK 19%, USA 27%, Australië 33% (UNO, 1995).

3 Rees T., Mainstreaming equality in the European Union, Routledge, London, 1998, p. 28 aangehaald door A.Hondeghem en S. Nelen, Evolutions in Thinking about Equality and Personnel Policy, Instituut voor de Overheid, 1999.

4 Council of Europe: Gender-Mainstreaming. Conceptual Framework, Methodology and Presentation of Good Practices", Strasbourg, May 1998, p. 15.

           

           

Artikels

Recensies

Inzendingen

Redactioneel

Email

Home