Hoezo seks?! Seksualiteit door de ogen van het kind

Mariska De Backer

Inleiding

Vanuit de praktijk weet ik dat het moeilijk is om met kinderen te praten over vriendschap, liefde, seks, seksueel misbruik, ... en zeker als je vertrekt vanuit concrete situaties en ervaringen, omdat - hoe je het ook draait of keert - seks nog altijd een taboe is.

Toch vond ik het een interessante uitdaging om op een ‘volwassen’ manier samen met kinderen deze uitdaging aan te gaan. Volgend artikel is een beknopte samenvatting uit het theoretisch gedeelte van mijn eindwerk "Hoezo seks?!, relationele en seksuele opvoeding in de derde graad van de lagere school".

Wat is kinderseksualiteit?

Seksualiteit, wat is dat eigenlijk?

Om te begrijpen wat kinderseksualiteit is, moeten we ons eerst afvragen wat we onder seksualiteit in het algemeen verstaan. Volgens S. van der Doef1 zou je seksualiteit het best als volgt kunnen definiëren:

“Alle gedragingen en gevoelens die te maken hebben met je eigen lichaam en dat van een ander en die dat speciale (spannende, opgewonden, prettige) gevoel bij jezelf of bij die ander veroorzaken.”

Seksualiteit, bestaat dat ook bij kinderen?

Als we ons realiseren dat veel volwassenen seksualiteit associëren met vrijen, geslachtsgemeenschap en orgasme (enge omschrijving), dan is het vrij logisch dat die volwassenen zich niet kunnen voorstellen dat seksualiteit ook bij kinderen bestaat.

Maar als we de bredere omschrijving van seksualiteit bekijken (cf. supra), dan gaat seksualiteit over veel meer. Bijvoorbeeld het naar elkaars lichaam kijken, het voelen van elkaars blote lichaam, naar elkaars geslachtsdelen kijken, het aanraken van elkaars geslachtsdelen of spelletjes spelen als doktertje, ‘katjekus’, ... . Kinderen kunnen dan ook dat speciale gevoel in de onderbuik ervaren.

Daarom mogen we seksualiteit bij kinderen niet beoordelen (veroordelen) vanuit ons eigen volwassen standpunt.

Enkele voorbeelden2 tonen dat aan:

“Mijn dochtertje van drie en haar vriendinnetje vinden het een leuk spelletje om zich samen uit te kleden en elkaar dan uitgebreid te bekijken.”

Op drie- tot vierjarige leeftijd vinden de kinderen het leuk om naar elkaars lichaam te kijken. Ze zijn nieuwsgierig naar het eigen lichaam en het lichaam van een ander kind, vooral naar de lichaamsdelen die altijd (vaak) bedekt zijn. De meeste kinderen ervaren dit als een spannend spel omdat zij voelen dat dit door volwassenen moeilijk aanvaard wordt.

“Mijn kleindochter van vijf heeft de gewoonte ‘s avonds in te slapen met een kussen tussen haar benen geklemd.”

Kinderen ontdekken al heel jong dat het aanraken, wrijven, strelen van hun geslachtsdelen een aangenaam gevoel kan veroorzaken. Ze ervaren een ‘ander’ gevoel dan wanneer ze een ander lichaamsdeel aanraken. Dat is een belangrijke ontdekking voor een kind. En iets wat prettig voelt, wil je nog wel eens voelen, zeker als je je verdrietig voelt of als je moe bent, of zomaar als je je verveelt. De volgende ontdekking is dat je dat gevoel kan veroorzaken door met je geslachtsdelen ergens tegen aan te wrijven: de leuning van een bank, je knuffel, je eigen hoofdkussen, ... . Het hoort allemaal bij het ontdekken van het eigen lichaam en de daarbij horende gevoelens.

De seksuele ontwikkeling bij kinderen

Kinderen maken tijdens hun groei in vele opzichten een ontwikkeling door. Dat geldt voor hun lichaam, voor hun gevoelens ten opzichte van zichzelf en van anderen, voor hun denkwijze, maar ook voor hun seksualiteit. Vooral in de basisschoolperiode merkt men doorgaans grote veranderingen op. Soms verlopen die geleidelijk, soms ineens met grote snelheid, maar altijd individueel, zodat er grote onderlinge verschillen ontstaan. Door die onderlinge verschillen geeft de onderstaande ontwikkelingsschets hooguit een beeld van de gedragingen die bij de meeste kinderen op een bepaalde leeftijd voorkomen.

De babytijd, van nul tot twee jaar

Het belangrijkste voor een pasgeboren baby is dat zijn directe behoeften bevredigd worden. Gebeurt dat niet, dan voelt een baby zich niet prettig en zal hij dat laten merken op de enige manier van communicatie waartoe hij in staat is: huilen. Een baby zal zich weer prettig voelen door te zuigen en daardoor via zijn mond een bevredigd, aangenaam gevoel te krijgen. Hetzij door alleen te zuigen, hetzij door via het zuigen ook nog zijn hongerige maagje te vullen. De mond is voor de baby het belangrijkste orgaan waarmee hij contact heeft met de wereld. Zijn zuigreflex is direct na de geboorte al sterk. Via de mond leert de baby de wereld kennen (orale fase).

Ook de tastzin van een baby is zodanig ontwikkeld dat huidcontact voor een baby een bron van bevrediging is. Baby’s vinden het heerlijk als hun huid aangeraakt wordt, om bijvoorbeeld tijdens het voeden of verschonen gestreeld te worden, om na het bad met olie gemasseerd te worden. Ouders en verzorgers die aan die behoefte gehoor geven, dragen bij aan de ontwikkeling van de seksualiteit van het kind.

De baby leert op die manier al vroeg dat het aanraken van zijn lichaam een lekker gevoel kan geven en dat anderen (moeder, vader, verzorger) hem dat lekkere gevoel kunnen bezorgen. Zo geven ze het kind een boodschap van veiligheid en vertrouwen, dat ze van hem houden en dat zijn lichaam positief gewaardeerd wordt. Met die boodschappen bouwt het kind een positieve zelfwaardering op, wat een belangrijke voorwaarde is voor het aangaan van goede seksuele relaties als hij ouder is.

Als kinderen met hun handen dingen kunnen pakken en vasthouden (vanaf een maand of vier), kunnen ze ook delen van hun eigen lichaam vastpakken, zoals hun duim en vingers, maar ook hun voeten en tenen en dus ook hun geslachtsdelen. De eerste keer dat baby’s hun eigen geslachtsdelen aanraken, is voor sommige opvoeders een moeilijk moment. Moet je dat gedrag meteen afleren, er geen aandacht aan schenken of het juist positief waarderen? Er zijn opvoeders die menen dat dat gedrag om hygiënische redenen afgeleerd moet worden, maar de bacteriën rond de geslachtsorganen zijn niet schadelijk of slecht voor het kind. Hoe je dan wel moet reageren, hangt af van je eigen opvoedingsnormen. In het algemeen kan worden gezegd dat je het gedrag waarbij kinderen zich prettig voelen, dat niet schadelijk is maar een onderdeel uitmaakt van hun ontwikkeling, niet moet afleren. Bovendien kunnen er zo schuldgevoelens ontstaan en kan het kind zich (ook later als volwassene) elke keer dat het zijn geslachtsdelen aanraakt schuldig voelen.

Het is belangrijk te weten dat je als opvoeder met je reactie, hoe die ook is, een boodschap uitzendt naar het kind. Als je het moeilijk vindt om te zien dat een baby zijn eigen geslachtsdelen aanraakt, maar je zegt er niets van, zal het kind op den duur toch merken aan je houding en andere non-verbale signalen, dat zijn gedrag als negatief wordt ervaren.

Peuters van twee tot vier jaar

Een kind van twee jaar heeft inmiddels al leren lopen, kan dingen pakken en kan ook al goed begrijpen wat er tegen hem gezegd wordt. Veel kinderen kunnen op die leeftijd met woorden duidelijk maken wat ze bedoelen, bovendien is er lichamelijk heel wat veranderd.

Een kind begint vanaf twee jaar met zindelijk worden (anale fase). Dat is een kwestie van spiertraining in de onderbuik. Men denkt dat het de peuter een lekker gevoel geeft om ontlasting en plas op te houden en dan weer te laten lopen, en dat de controle over de sluitspieren het kind een aangenaam gevoel van macht geeft over het eigen lichaam. De oefening van het sluiten en het ontspannen van de spieren zorgt dat ook de geslachtsorganen gevoeliger worden.

Op deze leeftijd beginnen kinderen zichzelf als een individueel wezen te onderscheiden van de buitenwereld. Ze worden zich bewust van zichzelf en hun eigen lichaam. Ze ontdekken dat zij er anders uitzien dan elk ander kind of volwassene. Vanaf die tijd begint het kind grote interesse te tonen voor zijn eigen en andermans lichaam. Toch is het bekijken van elkaar nog een vorm van kinderlijke nieuwsgierigheid. De grote interesse voor het eigen en andermans lichaam uit zich in het uitgebreid bestuderen van de eigen geslachtsdelen en die van een ander kind, in het steeds opnieuw willen laten zien van de geslachtsdelen en het steeds vaker aanraken van de eigen geslachtsdelen (en ook die van andere kinderen), waardoor het kind zal ervaren wat voor gevoel dat geeft. Het strelen en het aaien van en het spelen met de eigen geslachtsdelen heeft niet als doel om tot een orgasme te komen. Het geeft het kind een rustgevend en ontspannend gevoel, dat vergeleken kan worden met duimzuigen. Soms zie je dat kinderen beide tegelijk doen: met een duim in de mond en de andere hand in hun broek. Ze schamen zich er ook niet voor, dat gaan ze pas doen als ze een afkeurende reactie krijgen.

Op deze leeftijd gaat de taalontwikkeling snel. Kinderen merken dat het uiten van woorden en zinnen een reactie oplevert. Als je om eten of drinken vraagt, krijg je het; als je neen zegt, gebeurt het niet; als je iemand roept, komt hij; ... . Zo ook merken kinderen van drie jaar dat het roepen van bepaalde woorden (die ze zelf vaak niet begrijpen) een schokreactie bij anderen teweeg kan brengen. En daarmee is het "vieze woorden"-tijdperk begonnen. Het roepen van woorden als kaka, pipi, billen, piemel en kut is op deze leeftijd voor veel kinderen een leuk spelletje. Het blijkt dat kinderen die woorden tegenover volwassenen gebruiken om te provoceren, om te kijken hoe hun reactie is. Kinderen onderling gebruiken de woorden vooral als scheldwoorden.

De basisbehoefte aan lichamelijk contact is, net als bij baby’s, ook op deze leeftijd groot. Kinderen willen graag op de schoot zitten, geknuffeld en geaaid worden of over hun rug gekriebeld worden. En dat geldt net zo goed voor jongens, die misschien niet meer zo vaak op schoot willen zitten als meisjes, maar een knuffel of een kriebel in hun nek nog heel prettig kunnen vinden. De mate waarin kinderen behoefte hebben aan lichamelijk contact kan verschillen. Maar er is ook gebleken3 dat ouders zelf onderscheid maken in de hoeveelheid en het soort lichamelijke aanrakingen bij hun zonen en dochters. Zo blijken jongetjes eerder weggeduwd te worden om weer te gaan spelen, terwijl meisjes vaker naar de ouder toe worden getrokken om geknuffeld te worden.

Kleuters van vier tot zes jaar

Kinderen spelen op school samen met een grote groep leeftijdgenoten. Op school worden ze geconfronteerd met nieuwe regels, nieuwe normen en waarden. Werd het aanraken en het bekijken van het eigen en andermans lichaam door de ouders nog wel getolereerd, op school zal dat minder het geval zijn.

Dat betekent niet dat dat gedrag ophoudt. Het verkennen van het eigen en andermans lichaam en de daarbij horende gevoelens gaat door, alleen toont men het minder in het openbaar. Kinderen op deze leeftijd bevredigen die behoefte nu in het spel (fantasie- en rollenspelen zoals doktertje spelen, vadertje en moedertje en dergelijke), buiten het gezichtsveld van volwassenen, omdat sommige grote mensen hebben laten merken dat ze dat soort spelletjes niet goed vinden. Je kan dus als kind maar beter zorgen dat ze het niet meer te zien krijgen. Bovendien vinden kinderen het leuk om in verborgen hoekjes ‘verboden’ spelletjes te spelen. Ook de behoefte aan lichamelijk contact blijft op deze leeftijd nog steeds groot. Sommige jongens willen niet meer geknuffeld worden; de behoefte aan lichamelijk contact uit zich dan in stampen, duwen, aan elkaar zitten, trekken, ... .

Kleuters kunnen heel erg geïnteresseerd zijn in het voortplantingsverhaal en daar eindeloos vragen over stellen. Zwangerschap en geboorte heeft voor kinderen van deze leeftijd niets te maken met seksualiteit. Die relatie leggen wij als volwassenen en daarom hebben we vaak moeite met vragen van kleuters over zwangerschap en geboorte. Door tegenover kinderen van deze leeftijd dergelijke vragen af te wijzen of te negeren, leren wij hen zwijgen over die onderwerpen. Toch is het goed als wij die vragen van de kinderen wel beantwoorden, ook al kunnen ze nog niet alles begrijpen. Uit onderzoek4 is gebleken dat hoe goed kinderen ook worden voorgelicht, ze van het voortplantingsverhaal alleen maar datgene begrijpen dat ze volgens de ontwikkeling van hun denkproces kunnen begrijpen. Zo denken veel kleine kinderen dat een eitje en een zaadje door de moeder worden ingeslikt, of dat een eitje er net zo uitziet als het eitje dat zij bij hun ontbijt krijgen. Het kind tot zeven jaar denkt nog egocentrisch. Dat wil zeggen dat het de wereld alleen maar begrijpt vanuit zijn eigen ervaringen. Vandaar dat het eitje als een kippeneitje wordt gezien.

Uit verschillende studies5 blijkt dat sommige kinderen vanaf deze leeftijd een zeker schaamtegevoel ontwikkelen omdat ze merken dat bepaalde lichaamsdelen andere belangstelling krijgen en constant bedekt blijven. Zij willen zich niet meer in hun blootje vertonen in het bijzijn van ouders, broers en zussen, vriendjes op school, ... . Andere kinderen hebben daar geen problemen mee. Het is niet bewezen dat dat samenhangt met het wel of niet gemakkelijk omgaan met ‘bloot zijn’ in het gezin.

Lichamelijk gezien zijn kinderen op deze leeftijd in alle opzichten gegroeid en dat geldt ook voor de geslachtsorganen. Bij een jongetje zijn de penis en teelballen niet meer zo klein als toen hij nog een baby was. Bij een meisje is de doorsnee van de vagina (enkele millimeters) gegroeid.

Kinderen van zes tot acht jaar

Deze periode wordt wel de seksueel latente periode genoemd (latent = verborgen). Het lijkt of er bij kinderen in deze leeftijdscategorie geen interesse meer bestaat voor seksualiteit. Ze stellen minder vragen dan toen ze jonger waren en tonen minder openlijk hun belangstelling voor elkaars lichaam. Maar de ontwikkeling van de seksualiteit gaat gewoon door en de aandacht richt zich meer op anderen. Verliefdheden beginnen een rol te spelen. Ze kunnen hevige gevoelens teweegbrengen, zonder dat daar seksuele gevoelens aan gekoppeld hoeven te worden. Verliefd zijn is wel een duidelijk ander gevoel dan vriendschap (voor kinderen jonger dan zes is verliefd zijn nog zoiets als een speciaal soort vriendschap).

Rond de leeftijd van acht jaar wordt het verschil tussen knuffelen, verliefd zijn en vrijen duidelijk. Uit een onderzoek6 onder acht- en negenjarigen blijkt dat zij emoties die bij het stoeien en knuffelen horen, omschrijven als iets dat aan de buitenkant van het lichaam gebeurt, en emoties die bij verliefdheid horen als iets dat zich in het lichaam afspeelt.

Het openlijk aanraken en strelen van de eigen geslachtsorganen gebeurt op deze leeftijd minder. Dat betekent niet dat de kinderen na hun zesde niet meer aan hun geslachtsdelen komen. Het wordt echter steeds minder in het openbaar gedaan, evenals seksuele spelletjes met andere kinderen. Ze zijn zich op deze leeftijd duidelijk bewust van wat kan en wat niet kan. Er worden op deze leeftijd veel schuine moppen bedacht en uitgewisseld, zelfs als ze die niet begrijpen.

Kinderen van acht tot tien jaar

Tussen hun achtste en tiende jaar beginnen gevoelens van verliefdheid een steeds grotere rol te spelen. De emoties worden intenser en er is, naarmate het kind ouder wordt, meer sprake van lichamelijk contact gekoppeld aan verliefd zijn. Dat betekent dat als een kind verliefd is, er meer de aanwezigheid van die ander gezocht wordt, waarbij een eerste voorzichtige aanraking (tegen elkaar aanzitten, handje geven, arm om elkaar heen) een heel spannend gevoel geeft.

Belangstelling voor seksualiteit blijft ondertussen overigens gewoon bestaan. Kinderen zijn nu erg nieuwsgierig naar ‘hoe volwassenen het met elkaar doen’. De meest uiteenlopende sterke verhalen kunnen de ronde doen. Wat de een niet weet, verzint de andere er desnoods bij. Op deze leeftijd zouden jongens en meisjes moeten horen hoe zij langzaam maar zeker mannen en vrouwen zullen worden. Ze moeten voorbereid worden op iedere lichamelijke verandering die binnenkort of misschien wat later zichtbaar zal worden. Veel kinderen kunnen zich juist nu buitengewoon onzeker gaan voelen als ze een detail van de seksualiteit toch niet helemaal hebben begrepen.

Lichamelijk beginnen kinderen na hun achtste jaar de eerste verschijnselen van de puberteit te vertonen. Bij meisjes beginnen de borsten te groeien en de eerste schaamharen op de grote schaamlippen te groeien. Bij jongens zijn de eerste schaamharen op de teelballen te zien, meestal nog alleen maar wat langere zachte haartjes.

Kinderen van tien tot twaalf jaar

De eerste stappen in de puberteit zijn gezet. Iets wat ouders zowel aan het uiterlijk als aan het gedrag van hun kinderen zullen zien. Het kind merkt de eerste veranderingen van het lichaam op, veranderingen die betekenen dat het volwassen gaat worden. En dat is iets waar sommige kinderen nog helemaal geen zin in hebben.

Kinderen van deze leeftijd beginnen hard te groeien (meisjes eerder dan jongens), wat meestal eerst te zien is aan de groei van de voeten. Bij meisjes gaan de borsten zich verder ontwikkelen en gaat behalve het schaamhaar ook het okselhaar groeien. Bij sommige meisjes komt er ook meer haar op hun benen. De haargroei op het lichaam begint bij jongens wat later. Hun stem begint langzaam te veranderen, maar dat kan ook nog een paar jaar op zich laten wachten. Bij meisjes beginnen de grote en kleine schaamlippen te groeien zodat de binnenste schaamlippen (tijdelijk) groter kunnen worden dan de buitenste schaamlippen. Een normaal verschijnsel tijdens de puberteit waarin alles schoksgewijs groeit. Zo kunnen de borsten zich ook ongelijk ontwikkelen, en kan er soms ook bij jongens wat lichte borstgroei ontstaan. Een aantal meisjes onder de twaalf krijgen hun eerste menstruatie. Een kleiner aantal jongens onder de twaalf krijgt zijn eerste zaadlozing. De lichamelijke ontwikkeling van meisjes verloopt sneller dan die van jongens en van beiden begint de puberteit elke generatie wat eerder.

Sommige kinderen van twaalf zijn zowel lichamelijk als geestelijk al een tijdje in de puberteit. Anderen zijn op die leeftijd nog echte kinderen, zowel lichamelijk als in hun manier van doen. In beide gevallen kunnen ze hevig verliefd zijn. Het verschil zit hem in wat ze feitelijk doen met deze verliefdheid.

We weten uit onderzoek7 dat jongeren voordat ze voor het eerst met iemand naar bed gaan, eerst een aantal stadia doorlopen. Dat begint meestal met zoenen en tongzoenen, daarna strelen boven de kleren en dan strelen onder de kleren. Daarna naakt vrijen en tenslotte seksuele gemeenschap. Het blijkt dat jongeren er ongeveer vier jaar over doen om dit hele traject af te leggen voordat ze toe zijn aan seksuele gemeenschap. Een kind dat op zijn twaalfde nog niet is begonnen met tongzoenen is dus nog lang niet toe aan naakt vrijen of seksuele gemeenschap.

Besluit

De seksuele ontwikkeling van kinderen gebeurt in fasen. Fasen die hier gemakshalve aan leeftijden zijn gekoppeld. De genoemde leeftijden zijn geen vaste gegevens. De leeftijdsfasen kunnen ook wat ruimer genomen worden dan hier werd voorgesteld. Wanneer we het hebben over kenmerkend gedrag voor een bepaalde leeftijdsfase, betekent dat niet dat het een norm is voor ‘normaal’ gedrag. Het is het gedrag dat op een bepaalde leeftijd bij veel kinderen wordt aangetroffen. Bij kenmerkend gedrag in een bepaalde leeftijdsfase moet gesteld worden dat er tussen de leeftijdsfasen overlappingen zijn, dat een bepaald gedrag niet ineens is afgelopen als de fase voorbij is en dat elk kind zich ontwikkelt op zijn eigen tempo en zijn eigen unieke manier.

Indien dit artikel u -als lezer of leerkracht- zou interesseren en u wenst meer informatie of lesmateriaal, dan kan u altijd contact met mij opnemen via mail (mariska_de_backer@yahoo.com).8

Bijlage 1 Waarom seksuele opvoeding in de lagere school?

Verantwoording voor seksuele opvoeding in de lagere school

Als we ervan uitgaan dat met seksualiteit ‘geslachtsgemeenschap’ bedoeld wordt, dan hoort dit thema uiteraard niet thuis op de basisschool, dan is seksualiteit iets voor en tussen volwassenen. Maar als we ervan uitgaan dat seksualiteit iets is van elke mens, iets dat zich vanaf de geboorte ontwikkelt, dan hoort het ook bij de kinderen thuis. En dus ook in de lagere school, waar immers de totale ontwikkeling van het kind centraal staat. Seksuele opvoeding is een ruim begrip. Bij elke leeftijdscategorie kan een ander aspect van de seksualiteit ter sprake komen, afhankelijk van de verschillende interesses van de kinderen. Daarom zou bij seksuele opvoeding niet de leerstof het uitgangspunt moeten vormen, maar wel de kinderen zelf: wat hen bezighoudt, wat zij willen weten, welke misvattingen er bij hen leven, waar zij zich ongerust over maken, enz.

Voordelen van praten in groep over seksualiteit

Over seks praten op school heeft als groot voordeel dat jongens en meisjes bij elkaar in de groep zitten. Kinderen kunnen van elkaar horen dat er over bepaalde zaken verschillend gedacht kan worden: bij de één gaan de ouders met hun kinderen onder de douche, terwijl een ander zijn vader of moeder nog nooit bloot heeft gezien. Daar de groep gemengd is, krijgen jongens de kans eens te horen wat het is voor een meisje om ongesteld te zijn. Omgekeerd horen de meisjes over de seksuele ervaringen van jongens. Als kinderen van jongsafaan gewend zijn om over dit soort onderwerpen hardop te praten, wordt de taboesfeer doorbroken.

Voorwaarden om over seksualiteit te praten in de lagere school

Het is belangrijk om in een open, vertrouwde sfeer over seksualiteit te spreken. Door te vertrekken vanuit realistische situaties en ervaringen is het voor de leerkracht gemakkelijker om de taboesfeer rond seks, die bij de kinderen leeft, te doorbreken. Wanneer de leerkracht bij het praten over seks gebruik maakt van de omgangstaal van de kinderen, is het voor hen ook veel gemakkelijker om hierover te praten. De drempel wordt dan een stuk verlaagd. Praktisch gezien kan het nuttig zijn eerst samen met de kinderen een inventarisatie of een woordveld te maken van de woorden die zij gebruiken voor bv. de geslachtsdelen (cf. infra, praktisch deel). De bespreking ervan is ook noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de woorden die we kiezen voor iedereen duidelijk zijn en dat ze bij iedereen makkelijk in de mond liggen. Wanneer je bijvoorbeeld spleetje gebruikt in plaats van vagina, moeten de kinderen goed weten dat er met spleetje een vagina bedoeld wordt, en niet de anus. Ze moeten ook weten dat een penis hetzelfde is als een piemel, ...

Doelstellingen

Het is belangrijk dat de leerkracht voor zichzelf weet wat ze bij de kinderen wil bereiken wanneer ze werkt rond het thema ‘relationele en seksuele opvoeding in de lagere school’. Hier worden enkele doelstellingen opgesomd die ons insziens belangrijk zijn (maar waaruit elke leerkracht zelf een keuze kan maken).

  • Lichaamshygiëne is een mogelijke doelstelling die aan bod kan komen wanneer we werken rond het thema seksualiteit in de lagere school.
  • Ook de gedragspatronen, dus het leren omgaan met mensen van hetzelfde en het andere geslacht, kunnen worden behandeld.
  • Het aanvaarden van de eigen lichamelijkheid en het wegwerken van de eventuele schaamtegevoelens is een andere doelstelling die aan bod kan komen.
  • Het is ook belangrijk dat we de kinderen voorbereiden op de lichamelijke veranderingen (zoals de geslachtsrijpheid).
  • Seksuele voorlichting over geslachtsorganen en voortplanting is en blijft een noodzakelijk onderwerp in een thema over seksualiteit (zeker in de 3de graad).
  • De kinderen moeten ook kunnen omgaan met eigen seksuele gevoelens en ervaringen.
  • Een belangrijke doelstelling is dat de leerlingen respect leren opbrengen voor elkaars eigenheid en anderszijn.
  • Tenslotte moeten de leerlingen zich een eigen mening leren vormen over het ‘intiem omgaan met elkaar’.

bijlage 2 Seksueel misbruik van kinderen

Wat is seksueel misbruik?

“Onder seksueel misbruik verstaan we alle lichamelijke en geestelijke handelingen die iets met seksualiteit te maken hebben en die niet door het slachtoffer gewild zijn (ongewenste intimiteit).” 9

In geval van seksueel misbruik wordt een kind vanuit een machtsoverwicht benaderd. Bij seksueel misbruik gaat het niet om knuffelen of strelen, ook niet om het bevredigen van de behoeften van het kind, maar om seksuele handelingen die draaien rond de behoeften van de volwassene: gluren, moeten toekijken bij masturbatie, betast worden, een penis moeten vasthouden of aftrekken, tot alle varianten op het gebied van aanranding en verkrachting.

Alle kinderen kunnen het slachtoffer zijn van seksueel misbruik, zelfs baby’s. Meestal gaat het om meisjes, soms ook om jongens. Dat seksueel misbruik een actueel probleem is, is duidelijk: tien tot vijftien procent van alle volwassenen heeft wel ervaringen in deze richting. Daarbij gaat het in 90 tot 98% van de gevallen om meisjes en in de overige 2 tot 10% om jongens.10 Concreet willen deze cijfers zeggen dat in een klas van ongeveer dertig kinderen er twee zijn die seksueel misbruikt zijn of worden. Dit misbruiken begint meestal rond de leeftijd van 9 à 10 jaar en kan zich jarenlang voortzetten. Bij sommigen gebeurt het maar eens of een paar keer, bij anderen gaat dat jarenlang door. In al deze situaties leeft bij het kind de angst dat het opnieuw kan gebeuren.

Moeten de kinderen ingelicht worden over ‘seksueel misbruik’?

Het is belangrijk over seksualiteit te praten vanuit een positief standpunt. Toch is het onrealistisch om seksueel misbruik te verzwijgen. Vaak is een negatief voorval een aanleiding om op school over seks te praten. Op die manier krijgen de kinderen de indruk dat seks iets engs is, iets om bang voor te zijn. Het is daarom beter om eerst over de positieve gevoelens en ervaringen omtrent seksualiteit te praten en het dan uiteindelijk ook te hebben over de negatieve kant van de medaille, over seksueel misbruik.

Leren kijken op een andere manier

(H)erkenning van seksueel misbruik heeft grotendeels te maken met het onder ogen durven zien van dit probleem. Anders gezegd: wie het niet wil zien, ziet het ook niet. Daarnaast is het van belang te weten waar je naar moet kijken, hoe de signalen en symptomen van misbruikte kinderen te herkennen zijn. Immers, een kind zal het maar zelden zelf vertellen omdat het bang is. Bang dat de dader (die vaak een bekende is) gestraft zal worden, bang dat men het niet gelooft. Bovendien denken veel kinderen dat zij zelf schuldig zijn.

De leerkracht moet dus op een andere manier gaan kijken, zonder opeens overal seksueel misbruik in te zien.11 Signalen die seksueel misbruikte kinderen kunnen uitzenden, zijn volgens Lamers:12

  • Angst voor lichamelijk contact en schrikreacties bij het aanraken van bovenbenen, billen en buik.

Aan stoeispelletjes zullen deze kinderen liever niet meedoen. Als je zo een kind op schoot neemt, voelt het strak en stijf aan. Bij de wat oudere kinderen is het te merken bij het helpen in turnles. Ze duwen je weg of zorgen dat je ze niet kunt aanraken.

  • Merkwaardig looppatroon.

Deze kinderen lijken geen gebruik te maken van de bewegingsmogelijkheden van het heupgewricht. De bovenbenen en billen worden stijf tegen elkaar geperst en de voeten schuiven als die van een mechanisch opwindpoppetje onder het lichaam door.

  • Weinig of geen spontaan bewegingsspel.

De kinderen lijken niet geïnteresseerd in springen, huppelen of fietsen. In de klas zitten ze het liefst aan hun bank, in de turnzaal staan ze het liefst aan de kant. Bij grote kinderen: afkeer van sport en spel. Zelden zullen deze kinderen lid zijn van een sportvereniging.

  • Boosheid op en schaamte voor het eigen lichaam.

Veel misbruikte kinderen vinden zichzelf lelijk, dik enzovoort, terwijl ze er goed uitzien en een normaal postuur hebben.

  • Negatieve zelfwaardering, niet geloven in eigen kunnen.

Dit kan zich op school weerspiegelen in (onverklaarbaar) dalende schoolprestaties, het niet kunnen voldoen aan de objectieve verwachtingen van de leerkracht.

  • Angst om op de rug te liggen, bijvoorbeeld tijdens de turnles.

Deze angst kan zo groot zijn dat het zich uit in hyperventilatie.

  • Angst voor uit- of omkleden.

Hevig verzet wanneer de leerkracht voorstelt bij een waterspel wat kleren uit te trekken, in de turnles weigeren ze zich om te kleden in sportkledij. Vooral de wat oudere meisjes zijn bang “dat ze het aan me kunnen zien”. Ze verzinnen smoesjes om niet aan de turn- of zwemlessen mee te moeten doen.

  • Niet automatisch de beentjes om je heenslaan als je ze oppakt, zie je vooral bij jonge kinderen. In plaats daarvan laten ze de benen stijf naast elkaar en recht naar beneden hangen. Bovendien proberen ze zich zo snel mogelijk van je af te duwen.

Dit zijn in de praktijk de meest voorkomende signalen bij seksueel misbruikte kinderen, met name op het vlak van beweging en lichamelijkheid.

Opmerking: het gaat hier niet om lossen signalen, want die kunnen net zo goed naar andere problemen verwijzen. Pas als er meer signalen tegelijk optreden, kan dit een teken zijn dat het kind inderdaad slachtoffer is van seksueel misbruik.

De gevoelens van de leerkracht

Voor de leerkracht kan het een schok zijn om te horen dat een kind uit haar klas seksueel misbruikt wordt. Een mogelijk reactie is dat zij meteen iets wil ondernemen. Toch is het niet verstandig om zich hierin door eigen emoties te laten leiden. Men loopt dan de kans verkeerde beslissingen te nemen.

Frank Dierickx van Kind in Nood stelt:13

“Het gebeurt dikwijls dat een kind pas ergens over wil praten als de leerkracht op voorhand belooft het niet voort te vertellen. De verleiding is groot om die belofte te doen. Maar als het kind dan met een afschuwelijk verhaal komt, zit u als leerkracht wel met een groot dilemma: ofwel moet u het vertrouwen van het kind beschamen, ofwel wordt u medeplichtig aan het in stand houden van een schadelijke situatie. Zeg dus geen dingen toe, waar u later spijt van krijgt. U kunt bijvoorbeeld wel beloven dat u geen stappen zult zetten of beslissingen zult nemen zonder het kind erbij te betrekken. Maar dat is dus iets anders dan het geheim zwijgend delen.”

Hieruit blijkt hoe belangrijk de vertrouwensband is die je met het kind kunt hebben. Doe daarom nooit iets buiten het kind om. Overleg samen welke stappen kunnen ondernomen worden. Als het kind niet wil dat je iets doet, respecteer dat dan. Voor het kind is het van wezenlijk belang dat het buiten het gezin iemand heeft die het kan vertrouwen. Praat er pas met anderen over als je daarvoor ‘de toestemming’ van het kind hebt. Maak het kind duidelijk dat het geen schuld heeft. Bescherm het kind niet te veel, dan krijgt het in de klas nog meer een uitzonderingspositie.

Wanneer het voor uzelf te zwaar is rond te lopen met de gedachte dat er een kind in je klas zit dat seksueel misbruikt wordt, blijf er dan niet alleen mee rondlopen. Je kunt er met anderen over praten zonder de naam van het kind te noemen. Als leerkracht kan je ook beroep doen op het PMS-centrum of op een vertrouwensarts.

Voorlichting over seksueel misbruik van kinderen

Negatieve gevolgen van voorlichting over seksueel misbruik voorkomen

Door de kinderen voor te lichten over seksueel misbruik, zou de bespreekbaarheid van dit onderwerp bij de kinderen moeten toenemen. Er zijn echter ook gevaren waarvoor we moeten opletten, zoniet versterkt de taboesfeer rond seksueel misbruik bij kinderen.

Enkele voorbeelden ter verduidelijking:

  • De leerkracht is bang dat een kind in de klas slachtoffer is van seksueel misbruik. Daardoor is het mogelijk dat deze leerkracht onbewust een dubbele boodschap op dit kind overdraagt: enerzijds zegt men dat je erover mag praten, anderzijds laat men merken er zelf niet voor open te staan.
  • De leerkracht benadrukt dat het kind niet verantwoordelijk is voor seksueel misbruik. Bovendien moet de leerkracht ervoor zorgen dat hij/zij de dader niet te sterk beschuldigt. Dit laatste mag de leerkracht ook niet aan de andere leerlingen toelaten. Deze golf van agressie ten aanzien van de dader kan het seksueel misbruikte kind ervan overtuigen dat zwijgen ‘beter’ is.
  • De leerkracht kan er moeite mee hebben te spreken over verregaande seksueel misbruik, zoals bijvoorbeeld regelmatige verkrachting door de vader. Wanneer deze leerkracht de voorlichting beperkt tot ongewenste intimiteiten, (bijvoorbeeld wanneer een jongen de borsten van een jong meisje, tegen haar zin, streelt) zal een slachtoffer van grover seksueel misbruik blijven zitten met gevoelens van schaamte. Het zal blijven denken ‘de enige’ te zijn en zo wordt de taboesfeer weer versterkt.

Voorwaarden en aandachtspunten

Een vertrouwensrelatie tussen de leerkracht en de leerlingen is zeer belangrijk voor het welslagen van de voorlichting rond seksueel misbruik. Het is ook aan te raden samen met de leerlingen reeds gepraat te hebben over seksualiteit. Om beide redenen is het misschien beter deze voorlichting niet in het begin van het schooljaar te plannen.

Om problemen met de ouders te voorkomen, kan er op een ouderavond aandacht besteed worden aan de inhoud en het doel van de voorlichting. Deze uitleg kan tevens de betrokkenheid van en de bespreekbaarheid bij de ouders rond dit onderwerp vergroten.

Om de bespreekbaarheid van seksualiteit en seksueel misbruik in de thuissituatie te doen toenemen, kan je de kinderen vragen aan de ouders laten stellen. Bijvoorbeeld ‘Wat zou jij doen als je Kim kent?’ (cf. praktisch deel ‘De herinneringen van Kim’).

Concrete tips bij de voorlichting

  • De leerkracht moet letten op eventuele schrikreacties bij de individuele leerlingen.
  • De leerkracht houdt de stemming van de hele klas in de gaten. Wanneer één bepaalde stemming overheerst, kan de leerkracht daarop ingaan. Bijvoorbeeld ‘jullie worden er erg stil van’ of ‘jullie moeten erom lachen?’
  • Het is heel belangrijk dat de leerkracht zorgvuldig omgaat met rollenspelen. Goed observeren en de leerlingen niet dwingen mee te doen.
  • Probeer alle opdrachten goed na te bespreken. Bijvoorbeeld: bij de opdracht ‘een tekening maken van de dader’ valt het op dat de leerlingen gemene types hebben getekend. Het is dan de taak van de leerkracht te benadrukken dat de daders meestal ‘lieve’ bekenden zijn.
  • In het praktisch deel zijn een aantal lessen opgenomen over ‘seksueel misbruik van kinderen’. De hoofdpersonen uit de verhalen heten Sandra, Kim en Sanne. Wanneer je een kind in de klas hebt die Sandra, Kim of Sanne heet, is het aan te raden de naam in de tekst te veranderen.

1 van der Doef, S. (1994). Kleine mensen, grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit. Antwerpen: Uitgeverij De Brink, blz. 10.

2 Ibid., blz. 13.

3 van der Hilst, R., de Regt W. & Swijters, A. (s.d.). Handleiding bij ‘Meisjes en jongens’. Een methode sexuele vorming voor het Basisonderwijs. De Ruiter, blz 4.

4 Stichting spel- en opvoedingsvoorlichting (1991). Seksuele opvoeding. Een werkboek over de seksuele ontwikkeling en de rol van ouders en opvoeders. Den Haag: SSO, blz 14.

5 Zie o.a. Borzée, M., Deconinck W. & Vanhaelewyn F. (1995). Ontwikkelingspsychologie 1 L.N.S. Heverlee: H.H.H., blz 54.

6 van der Doef, S. (1994). Kleine mensen, grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit. Antwerpen: Uitgeverij De Brink, blz. 23.

7 van der Doef, S. (1994). Kleine mensen, grote gevoelens. Kinderen en hun seksualiteit. Antwerpen: Uitgeverij De Brink, blz. 27-28.

8 De auteur, Mariska De Backer, is onderwijzeres aan het Sint-Jozefinstituut te Kessel-Lo en geeft momenteel les in een derde leerjaar.

9 Draijer, N. (1996). Syllabus Gezondheidskunde. ‘s-Hertogenbosch: Hogeschool Katholieke Leergangen, blz. 98.

10 Ibid., blz. 98.

11 Wie zich wil verdiepen in deze thematiek, kan de extra bijlage ‘De pijn van een kind’ uit Klasse (70) van december 1996 ter hand nemen.

12 Lamers. F. (1987). Signalisering. Leren op een andere manier te kijken. In: Taboe in de klas. Verslag studiedag Amsterdam 27 maart 1987 over seksueel misbruik van kinderen. blz. 17-18.

13 Dierickx, F. (1996). Iedereen zwijgt. In: Klasse (70), extra bijlage, blz. 2.

 
 
Artikels Recensies Inzendingen Redactioneel Email Home