|
Nico Carpentier
De volledige versie van dit artikel is reeds verschenen in Communicatie: tijdschrift voor communicatiewetenschap en mediacultuur, juni 1999, jaargang 28, nummer 2.
Inleiding
Prostitutie fascineert. Het is een sociaal fenomeen met vele gezichten, dat gekoppeld is aan een (meestal toch) intermenselijke activiteit die in de Westerse cultuur als een essentieel onderdeel van het mens-zijn wordt geïnterpreteerd: seks. Zoals Foucault mooi argumenteerde in het eerste deel van zijn geschiedenis van de seksualiteit, kunnen we over deze intermenselijke activiteit nauwelijks zwijgen. (Foucault, 1984) Seks is ons permanente geheim, waarover we steeds moeten praten. (Karskens, 1986: 155)
Ook de media zijn onderhevig aan deze fascinatie en schrijven/praten vaak over seks en prostitutie. Hun fascinatie is echter niet vrijblijvend. Media spelen immers in de constructie van betekenis en sociale realiteit een specifieke rol. Ze weerspiegelen de bestaande maatschappelijke discours, die ze aan hun lezers, kijkers of luisteraars aanbieden, waarbij bepaalde betekenissen en identiteiten meer of minder aan bod (kunnen of mogen) komen en hierdoor versterkt of afgezwakt zullen worden. Het is hierbij wel belangrijk op te merken dat de lezers, kijkers of luisteraars van media - door de interpretaties die ze zelf geven - ook een bijdrage leveren in de constructie van de eigen sociale realiteit, in interactie met de media. Zij zijn dus niet weerloos overgeleverd aan de media. (McQuail, 1987/1994: 331)
De dualiteit tussen weerspiegelen en vervormen noopt tot een even duale analyse van het mediadiscours over het fenomeen prostitutie, en meer specifiek over de identiteit van de prostituee1, het aandachtspunt van dit artikel. Vandaar dat hier gekozen wordt om aan de hand van het conceptueel kader van de discourstheorie van Laclau en Mouffe en een literatuuronderzoek over prostitutie eerst een beeld te geven van de macrocontext in verband met de verschillende identiteiten van de prostituee en hun onderlinge articulatie. In een tweede stap wordt door middel van een (voornamelijk) kwantitatieve inhoudsanalyse nagegaan hoe en in welke mate deze verschillende identiteiten in de microcontext van 319 artikels uit vijf Vlaamse kranten aanwezig zijn. De doelstelling en basishypothese van dit artikel is om na te gaan of de - op basis van de in deel één voorspelde - hegemonie van het object-gerichte discours ook in deze krantenartikels aanwezig is.
Een korte situering van de discourstheorie van Laclau en Mouffe
De term discours zelf kent een ruim gamma aan betekenissen, hetgeen bijvoorbeeld Fairclough met een opsomming van definities duidelijk maakt: ''Samples of spoken dialogue, in contrast with written text'; 'spoken and written language'; 'situational context of language usage'; 'interaction between reader writer and text'; 'notion of genre' (for example newspaper discourse).' (Fairclough, 1992: 3) Cruciaal is het in de inleiding reeds vermelde onderscheid tussen de micro- en macrocontextuele benadering, waarbij in het eerste geval verwezen wordt naar onder meer socio-linguïstiek, conversatieanalyse, semiologie en tekst-linguïstiek. (Van Dijk, 1988: 18-21) In de macrocontextuele benadering wordt een discours daarentegen gedefinieerd als een sociale praktijk, die onze werkelijkheid construeert. Zoals Foucault het stelde: 'Discursieve praktijken [zijn] verzamelingen van anonieme en historische regels, altijd specifiek bepaald naar tijd en plaats, en die, in een bepaalde periode en binnen een sociaal, economisch, geografisch of linguïstisch gebied, het raamwerk definiëren [...].' (Foucault, geciteerd in (Merquior, 1988: 80))
De discourstheorie van Laclau en Mouffe sluit sterk aan bij deze macrocontextuele benadering. Zij beschouwen discours als structuren 'in which meaning is constantly negotiated and constructed' (Laclau, 1988: 254). Een discours wordt dan nooit als vast en gefixeerd beschouwd, maar als steeds bedreigd door elementen of andere discours binnen een zogenaamd 'field of discursivity'. Tegelijk zijn discours wel gedeeltelijk gefixeerd - anders zou de overvloed aan betekenis elke betekenis onmogelijk maken - rond bepaalde knooppunten, geprivilegieerde betekenaars die de betekenis van een keten van betekenissen (of momenten) vastleggen. (Laclau, 1985: 112)
Sommige discours hebben de ambitie om hegemonisch te worden, om met andere woorden de horizon van het denken te gaan bepalen en de andere discours te incorporeren of uit het zicht te doen verdwijnen. Met dit begrip, dat ontleend is aan Gramsci, verwijzen Laclau en Mouffe naar de articulatie van verschillende identiteiten binnen één project en naar de constructie van knooppunten die de basis van een sociale orde vormen. (Howarth, 1998: 279-280) Articulatie verwijst naar het onderling verbinden van identiteiten (of ruimer: begrippen) in zogenaamde equivalentieketens. In dergelijke ketens worden verschillende identiteiten aan elkaar gelijkgesteld of equivalent gemaakt, en tegenover een andere negatieve identiteit geplaatst. (Howarth, 1998: 277) Laclau geeft een voorbeeld van een mogelijke equivalentieketen: 'For instance, if I say that, from the point of view of the interests of the working class, liberals, conservatives, and radicals are all the same, I have transformed three elements that were different into substitutes within a chain of equivalence.' (Laclau, 1988: 256)
Beelden van de prostituee
Laclau en Mouffe pleiten vanuit hun discourstheorie voor het ontwikkelen van een specifiek en aangepast theoretisch kader binnen elke onderzoeksvraag. Deze discourstheorie levert bijgevolg geen eenduidig theoretisch en methodologisch kader - hetgeen trouwens niet zonder kritiek is gebleven. (Howarth, 1998: 290-291)
In dit onderdeel worden deze theoretische concepten aangewend om een beeld te schetsen van de verschillende discours omtrent identiteiten van de prostituee, met als uitgangspunt de tegenstelling tussen de prostituee als object en de prostituee als subject.
De prostituee als object
Van Mens onderscheidt vijf verschillende invalshoeken in het debat over prostitutie: de prostitutie als zonde, als bron van wanorde en overlast, als bron van ziekten, als deviant gedrag en als 'uitvloeier van ongelijke sekseverhoudingen.' (Van Mens, 1992: 91) Deze verschillende invalshoeken vallen samen met discours over de prostituee waarbij zij (in meer of mindere mate) gezien wordt als zondaar, als echtbreekster, als verleidster, als een moreel verderfelijk persoon, als crimineel, als verslaafde, als rustverstoorder, als oorzaak van maatschappelijke destabilisatie, als infectiebron, als gestoorde vrouw, als deviant persoon, als nymfomaan, als een frigide vrouw, als lesbische vrouw, als (lust)object, als onderdrukte vrouw en als slachtoffer.
Het discours van de prostituee als object is nauw verweven met een groot aantal elementen uit deze beeldenreeks. De rode draad hierbij is dat de prostituee gezien wordt als een anoniem onderdeel van een abstract verschijnsel, dat op een aantal vlakken maatschappelijke onrust en destabilisatie veroorzaakt. De menselijke en individuele aspecten van de prostituee verdwijnen naar de achtergrond.
Bij de elementen waar toch een individuele component aanwezig is, kunnen twee groepen onderscheiden worden. In een eerste groep wordt dit individuele aspect verbonden met een maatschappelijke veroordeling, waardoor de prostituee door een stigmatiseringproces geobjectiveerd wordt. Zij staat buiten de samenleving, omdat ze die samenleving ondermijnt of omdat de prostituee abnormaal is. Dit sluit nauw aan bij het beeld van de prostituee als deviant en crimineel persoon. In een tweede groep wordt haar individualiteit verbonden met onvrijheid. De prostituee is geen volwaardig subject, omdat ze verhinderd wordt haar keuzevrijheid uit te oefenen. In een (klein) deel van de feministische analyses wordt ze bijvoorbeeld gepercipieerd als een onderdrukte vrouw, die medeplichtig is aan het instandhouden van de seksuele ongelijkheid tussen man en vrouw ('What is wrong with prostitution is [...] that it is servicing of men's sexual needs under capitalist and patriarchal conditions' (Overall, 1992: 724)). Anderen zien haar voornamelijk als slachtoffer van armoede of fysieke dwang, waardoor haar keuzevrijheid beknot wordt. Ook in deze betekenissen wordt de prostituee geobjectiveerd.
De prostituee als subject
Tegenover dit object-gerichte discours, met zijn twee belangrijke knooppunten rond infectiebron en slachtofferschap, kan een subject-gericht discours geplaatst worden. Bijvoorbeeld Vanwesenbeek wijst er op dat - zonder de gedwongen prostitutie uit het oog te verliezen - de object-gerichte identiteiten van de prostituee genuanceerd of tenminste aangevuld dienen te worden. Getuigen van een dergelijk emancipatiedenken zijn de verschillende (zelf-) organisaties van (en met) prostituees die - 'voor het eerst in de lange geschiedenis van de prostitutie' (Van Mens, 1992: 92) - in de jaren '70 zijn ontstaan:
-
Call Off Your Old Tired Ethics (Coyote) in 1973 in de US (Weitzer, 1991)
- English Collective of Prostitutes (ECP) in 1975 in het UK (English Collective of Prostitutes, 1997)
- Canadian Organization for the Rights of Prostitutes (CORP) in 1983 (Commercial Sex Information Service, 1998)
- Australian Prostitutes Collective (APC) in 1983 (Prostitutes Collective of Victoria, 1998)
- Rode Draad in 1985 in Nederland (Van Mens, 1992)
-
Sex Workers' Alliance of Toronto (SWAT) in 1992 in Canada (Commercial Sex Information Service, 1998)
- Coalition on Prostitution in 1992 in de US (Coalition on Prostitution, 1996)
- Sex Workers' Alliance of Vancouver (SWAV) in 1994 in Canada (Sex Workers Alliance of Vancouver, 1998)
-
International Sex Worker Foundation for Art, Culture and Education (ISWFACE (uitgesproken als 'ice face')) in 1997 in de US (Iswface, 1998)
-
Prostitutes Of New York (PONY) in de US (Commercial Sex Information Service, 1998)
- US PROStitutes Collective
- Hooking Is Real Employment (HIRE) in Atlanta/US
In dit discours biedt 'sekswerk' - zoals prostitutie hier genoemd wordt - ook een mogelijkheid tot financiële, seksuele en emotionele bevrijding van vrouwen. Niet enkel armoede kan een reden zijn om in de prostitutie te gaan, maar ook het streven naar onafhankelijkheid, financiële autonomie of seksuele zelfbepaling. (Vanwesenbeek, 1991) Prostitutie kan vrouwen een zekere mate van autonomie en een redelijke levensstandaard bieden, in combinatie met kortere werktijden. Brock en Stephen illustreren dit op een vrij provocatieve wijze met de volgende stelling: 'Is offering 30 minutes of sex for, say $80 really more awful than working for 8 hours in a sweatshop and earning $4.50 an hour? Some of us don't think so.' (Brock en Stephen, geciteerd in (Overall, 1992: 715-716))
Dit subject-gerichte discours heeft twee knooppunten, die bijvoorbeeld duidelijk terug te vinden zijn in het programma van het Amerikaanse Coyote: 'de herdefiniëring van prostitutie als werk' en 'de klemtoon op het zelfbeschikkingsrecht'. Het knooppunt rond prostitutie als werk wordt ondersteund door momenten zoals professionaliteit, kwaliteitsvolle dienstverlening en arbeidsethos. Dit knooppunt wordt ook tegenover stigmatisering en criminalisering geplaatst: '[...] prostitution is work, and the master concept of work should replace the master concept of crime as the fundamental stance of society toward prostitution.' (Jennes, 1990: 405)
Het zelfbeschikkingsrecht verwijst naar ten eerste de mogelijkheid om een keuze te maken voor het uitoefenen van het prostitutie-beroep. Weitzer beschrijft het standpunt van Coyote als volgt: 'Coyote insists that prostitutes have basic rights to occupational choice and sexual self-determination.' (Weitzer, 1991: 24)
Een tweede moment van dit knooppunt is het pleidooi voor de burgerrechten van prostituees (Jennes, 1990: 406-407), in combinatie met de decriminalizering en destigmatisering van het prostitutie-beroep. (O'Neill, 1997: 4)
De hegemonie van het object-gerichte discours
Het subject- en het objectgerichte discours, met als respectieve knooppunten professionaliteit en zelfbeschikking enerzijds en slachtofferschap anderzijds, vertaalt zich op het niveau van de prostituees zelf door een onderscheid te maken tussen een 'goede prostituee' en een 'slechte prostituee': 'For many women sex workers 'being a prostitute' is not in itself shameful. They do not accept, even if they are not impervious to, society's ubiquitous cultural norms around (hetero-)sexual relations. Often they have their own sub-cultural, or counter-cultural notions of honour/dishonour. These may be related to distinctions between 'good whores' and 'bad whores'. Good whores are variously defined as women who maintain a code of fair work, ask for money in advance, leave their clients feeling satisfied, use healthy practices like washing clients and insisting on condoms, remain emotionally (and sexually) detached, never provide services not negotiated beforehand, and warn other women about dangerous or unreliable clients.' (Scambler, 1997: 109) Vanuit het standpunt van de slachtoffers van de vrouwenhandel wordt dit onderscheid anders ingevuld: hier wordt een onderscheid gemaakt tussen de 'echte prostituee' en de 'prostituee die gedwongen werd'.
Op het niveau van de organisaties die werkzaam zijn op het terrein van de prostitutie, is de gevoeligheid voor deze discours ook aanwezig. Het onderstaande fragment van Payoke, een organisatie die de belangen van prostituees behartigt, maar ook actief is in de bestrijding van de mensenhandel en (zelfs) gerechtigd is tot burgerlijke partijstelling in mensenhandel-processen, illustreert dit:
'dat er veel aandacht is voor het verschijnsel vrouwenhandel in de pers is positief. Maar nog al te vaak worden er verkeerde linken gelegd. Slachtoffers van vrouwenhandel noemt men prostituees, dit is een stigmatisering. Slachtoffers van vrouwenhandel zijn geen prostituees. Sommige vrouwen zijn in een situatie verzeild geraakt waarin ze niet anders konden dan seksuele diensten verlenen. Daarentegen zien we een groeiende groep van slachtoffers van mensenhandel die in andere sectoren terecht komen: als dienstmeisje, als au-pair, in een schijnhuwelijk, ...' (Payoke, 1997: 94)
Ook hier wordt het onderscheid echt/onecht aan de definitie van 'prostituee' gehecht, in combinatie met een verruiming van de definitie van slachtoffers van de mensenhandel naar andere niet prostitutie-gebonden sectoren.
Het bovenstaande citaat van Payoke verwijst impliciet naar de hegemonie van het object-gerichte discours. De belangenverdedigers en zelforganisaties van prostituees - en de prostituees zelf - zijn er niet echt in geslaagd om het subject-gerichte discours voet aan wal te laten krijgen. Weitzer spreekt van 'the failure of a movement.' (Weitzer, 1991)
De meeste auteurs verwijzen bij de bespreking van het dominante beeld van de prostituee naar het stigma dat met dit beroep gepaard gaat (bijvoorbeeld (O'Neill, 1997: 3)) en dat een bijna onoverbrugbare hindernis opwerpt voor het subject-gerichte discours. Reanda stelt bijvoorbeeld dat de vooroordelen tegenover de prostituee quasi-universeel zijn: 'Few words carry the same amount of contempt and loathing as 'whore' and its equivalent in any language.' (Reanda, 1991: 203) In een onderzoek naar een aantal mechanismen die bijdragen aan de subjectivering van prostituees concludeert Vanwesenbeek dat prostitutie vrouwen weliswaar de mogelijkheid biedt om zichzelf als subject te ervaren, maar dat dit onder de huidige omstandigheden niet op grote schaal voorkomt. Zij kan alleen maar de hoop uitspreken om bij prostituees: 'meer dan op hun objekt-zijn, de nadruk te leggen te leggen op hun subjekt-zijn [...] en om meer dan aan hun slachtofferstatus, stem te geven aan hun kracht.' (Vanwesenbeek, 1994: 387)
Vijf Vlaamse kranten over prostitutie
De basis van het empirisch luik wordt geleverd door een onderzoek dat in 1996 van start ging aan het departement Politieke en Sociale Wetenschappen van de UIA2 in opdracht van de vzw Payoke. (Carpentier, 1997) Naast een bevraging bij de Antwerpse prostituees werd ook een analyse uitgevoerd naar de beeldvorming van prostituees in de Vlaamse pers in de periode 1995-1996. Voor deze inhoudsanalyse werd een beroep gedaan op het krantenarchief van Payoke. De verzameling artikels van De Nieuwe Gazet, De Gazet Van Antwerpen, De Morgen, Het Volk en Het Nieuwsblad bleek het meest volledig te zijn. Om deze reden werd dan ook besloten 319 artikels van deze 5 kranten - verschenen in de periode van januari 1995 tot juni 1996 - te selecteren voor de inhoudsanalyse3.
De voorkeur voor onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer
Een eerste vaststelling van de inhoudsanalyse van de krantenartikels is dat onderwerpen uit de juridische en politionele sfeer dominant zijn. Meer dan de helft van de gecodeerde fragmenten handelen over de juridische bestraffing van vrouwenhandelaars en pooiers, over prostituees die illegaal in België verblijven, over politierazzia's in het 'prostitutiemilieu', over geweld tegen prostituees en over crimineel gedrag van prostituees (zoals diefstal en druggebruik).
Tabel 1: Overzichtstabel van het voorkomen van de hoofdthema's
| Thema's |
Vermeldingen |
| Aantal |
% |
| Juridisch / Criminaliteit / Ordehandhaving |
683 |
55.6 |
| Economisch |
25 |
2.0 |
| Politiek / Ruimtelijke ordening |
255 |
20.8 |
| Sociaal |
266 |
21.6 |
| Totaal |
1229 |
100.0 |
Het beeld van de prostituee dat in deze artikels gehanteerd wordt, is sterk gerelateerd aan het knooppunt slachtofferschap en kan dus binnen het object-gerichte discours gesitueerd worden. Dit knooppunt wordt versterkt door de klemtoon op deviantie, waarbij de prostitée als crimineel wordt geportretteerd. Zo is er het verhaal van een prostituee die zelf geld uit de portemonnee van haar klant mag nemen, omdat de klant gehandicapt is en zijn armen niet kan gebruiken. Maar in plaats van dat te doen gaat ze er met zijn hele bezit vandoor. (Gazet Van Antwerpen, 26 januari 1996)
Naast de dominante juridische en politionele invalshoek is er ook aandacht voor de politieke aspecten van prostitutie. Dit aspect wordt hoofdzakelijk ingevuld door een debat over gedoogzones, door de beschrijving van het afschrikkingsbeleid van overheid én buurtbewoners en door de discussie over een nieuw Antwerps eroscentrum. De prostituees zelf komen hier zelden aan bod, tenzij het gaat over de hinder die ze voor de buurt veroorzaken. Ook dit tweede onderdeel sluit aan bij het object-gerichte discours, aangezien de identiteit van prostituees hier ingevuld wordt als een abstract en anoniem geheel dat gekoppeld wordt aan deviantie: prostituees moeten afgeschrikt of gedoogd worden.
Het derde belangrijke domein is de sociale invalshoek. Belangrijk is hier de klemtoon op gezondheid, illegaliteit, armoede (vaak gekoppeld aan illegaliteit) en de beleidseffecten. In het geval van het gezondheidsaspect wordt verwezen naar de prostituee als potentiële infectiebron voor Aids en andere Soa's. Wel moet hierbij opgemerkt worden dat het Gents epidemiologisch research-project - waarover ongeveer van de helft van de artikels gaat - wijst op de zeer lage prevalentie van Aids bij de 350 onderzochte prostituees. (Mak, 1996)
Maar ook hier wordt de prostituee gezien als een anoniem onderdeel van een abstract geheel. Verwijzingen naar veilige seks in het kader van een kwalitatieve dienstverlening, een gezond arbeidsethos of het belang van de prostituees om de eigen gezondheid te beschermen, ontbreken volkomen.
De artikels rond de thema's illegaliteit, armoede en beleidseffecten plaatsen de prostituees opnieuw in een slachtofferrol: in de eerste twee gevallen (illegaliteit en armoede) zijn zij slachtoffer van vrouwenhandel of van de plaatselijke economische situatie, in het derde geval (beleidseffecten) zijn ze het slachtoffer van hardhandig politieoptreden of van het wegblijven van de klanten ten gevolge van het afschrikkingsbeleid. Bovendien wordt het slachtofferschap hier gearticuleerd met het discours rond illegaliteit en vreemdelingen: prostituees worden daarbij als (illegale) gelukszoekers geportretteerd.
Wie komt aan het woord?
In deze analyse is vertrokken van de vraag op welke manier en in welke mate de verschillende actoren in de geanalyseerde artikels aan het woord komen. Drie vormen waarop personen of organisaties aan het woord komen, worden onderscheiden: citaten, parafraseringen en beschrijvingen van een standpunt. Deze drie vormen van participatie aan de berichtgeving worden in deze analyse als actief gedefinieerd omdat de standpunten van deze groepen of individuen (relatief) rechtstreeks in de krantenartikels terug te vinden zijn. Daarnaast wordt er in de analyse een vierde vorm van participatie betrokken, namelijk de mate waarin een actor of een groep aan een gebeurtenis deelneemt, zonder zelf aan het woord te komen. In deze laatste categorie is de participatie dus passief: de journalist schrijft over de actor, zonder dat zijn of haar standpunt in het artikels terug te vinden is.
In de analyse van de personen die aan het woord komen, moet op het overwicht van de actoren uit de juridische en politionele sfeer gewezen worden, zowel op actief als op passief vlak. In slechts ongeveer 10% van de gevallen komen de betrokkenen (een verzamelterm voor prostituees, klanten en pooiers) aan het woord of wordt hun standpunt weergegeven. De oproep die Vandervorst in 1994 deed ('Als er stemmen over hoeren klinken, laat het dan stemmen van hoeren zijn.' (Vandervorst, 1994: 102)) is dus nog verre van ingelost. Alleen hulpverleners en zaakwaarnemers komen nog minder aan bod.
Tabel 2: De vier analyse-categorieën naar type actoren, in %
|
Type actoren
|
Actief
|
Passief
|
|
Citaten
|
Parafrasering
|
Beschrijving standpunt
|
Beschrijving gebeurtenis
|
|
Ordehandhaving en juridische sfeer
|
28.9
|
33.1
|
35.2
|
32.2
|
|
Politieke actoren
|
9.5
|
6.0
|
14.8
|
10.4
|
|
Experten
|
14.6
|
12.3
|
11.1
|
5.7
|
|
Zakenlui
|
11.7
|
14.3
|
4.9
|
6.0
|
|
Hulpverleners en zaakwaarnemers
|
9.5
|
4.0
|
3.7
|
4.4
|
|
Buurtbewoners
|
11.9
|
19.5
|
17.9
|
6.7
|
|
Betrokkenen
|
11.2
|
8.8
|
8.0
|
32.9
|
|
Andere actoren
|
2.8
|
2.0
|
4.3
|
1.7
|
|
|
N=411
|
N=251
|
N=162
|
N=298
|
Het tekort aan actieve aanwezigheid van prostituees in de berichtgeving wordt nog schrijnender als gelet wordt op de mate waarin over hen geschreven wordt. In bijna één derde van de fragmenten waar over een actor geschreven wordt - zonder naar zijn of haar standpunt te verwijzen - gaat het over de betrokkenen. In tegenstelling tot de actoren uit de juridische en politionele sfeer is er geen evenwicht tussen actieve en passieve aanwezigheid in de berichtgeving, maar een zwaar overwicht van passieve aanwezigheid.
Ook uit dit onderdeel van de analyse blijkt dat prostituees gezien worden als een abstracte en anonieme groep, die slechts zelden zelf aan het woord komt. prostituees worden niet geportretteerd als een groep die in staat is om voor de eigen (zelfbeschikkings-)rechten op te komen, om voor zichzelf te praten. Er wordt over hen gepraat.
Discussie en besluit
Vrouwenhandel, heroïneprostitutie en kinderprostitutie zijn sociale fenomenen waarvan het bestaan niet ontkend kan en mag worden. Het boek van Chris De Stoop heeft een cruciale rol gesteld in het ontmaskeren van een deel van de prostitutie als mensenhandel. (De Stoop, 1993) Zaakwaarnemers, hulpverleners en de verschillende overheidsinstanties hebben (terecht) gereageerd op deze problematiek, en hun actie-terrein gedeeltelijk aangepast.
Op basis van een macrocontextuele discoursanalyse kan echter gewezen worden op de aanwezigheid van een object- en een subject-gerichte discours, die als elkaars tegenhangers en concurrenten gezien kunnen worden. De eenzijdige klemtoon op fenomenen als vrouwenhandel en slachtofferschap heeft de balans ver doen doorslaan in de richting van het object-gericht discours.
Uit de microcontextuele analyse van de vijf Vlaamse kranten blijkt dat dit discours zich vooral articuleert rond het knooppunt van het slachtofferschap: de prostituee is het slachtoffer van een afschrikkingsbeleid, van vrouwenhandel, van haar illegale situatie en van geweld. Dit knooppunt is gekoppeld aan een keten van equivalente identiteiten waarbij de prostituee deviant is, geabstraheerd wordt als object van beleid, anoniem en onmondig blijft of een illegale/vreemde gelukszoeker is.
Daarnaast is het subject-gerichte discours over prostituees zeldzaam: prostituees komen in de berichtgeving zelf zelden aan het woord, terwijl er veel over hen (en niet altijd in de meest fraaie bewoordingen) geschreven wordt. Ook de hulpverleningsorganisaties en zaakwaarnemers, die als spreekbuis zouden kunnen optreden, komen weinig aan het woord, ondanks het feit dat ze als deskundig worden beschouwd. Verwijzingen naar enerzijds de prostitutie als arbeid met momenten als professionaliteit, kwalitatieve dienstverlening, sekswerk, arbeidsethos, en naar anderzijds het zelfbeschikkingsrecht van prostituees, met momenten als autonomie, mondigheid en keuzevrijheid zijn uiterst zeldzaam.
De verantwoordelijkheid voor de hegemonie van het object-gerichte discours mag en kan niet volledig bij de pers en de journalisten in kwestie gelegd worden. Gedeeltelijk echter wel, aangezien journalisten zichzelf graag zien zoals Gans ze genoemd heeft: neutrale 'managers in de symbolische arena'. (Gans, 1980) Nieuwsmedia zijn echter geen neutrale bemiddelaars, maar (re)construeren in regel dominante discours. (Van Zoonen, 1991: 25) Deze analyse heeft aangetoond dat dit op een flagrante manier ook het geval is als het gaat over de identiteit van prostituees. Gedeeltelijk moeten de media ook vrijgepleit worden, aangezien ze functioneren binnen een zeer specifiek kader, waar overwegingen van plaats en tijd een belangrijke rol spelen. In dit kader krijgen bijvoorbeeld institutionele bronnen een structurele voorkeur. (Van Zoonen, 1991: 37) Dit is belangrijk, want: 'Those in powerful or high status positions in society who offer opinions about controversial topics will have their definitions accepted, because such spokesman are understood to have access to more accurate or more specialised information on particular topics than the majority of the population.' (Hall, 1978: 58)
In plaats van de zoveelste jammerklacht over het wangedrag van de media te lanceren, is het ook mogelijk hefbomen aan te reiken om het subject-gerichte discours een kans te geven de hegemonie van het object-gerichte discours te doorbreken. Aangezien mediaorganisaties zelf onderhevig zijn aan het dominante discours, zijn deze hefbomen nodig. Eén van de mogelijkheden is de oprichting of ondersteuning van een zelforganisatie van prostituees, naar analogie van organisaties als Coyote, het English Collective of Prostitutes en de Rode Draad.
Een dergelijke organisatie zou enerzijds in staat kunnen zijn om de eigen thema's meer naar voor te schuiven op de media-agenda en daarbij invloed uit te oefenen op de politieke agenda, de media-organisaties meer te sensibiliseren voor het discours van de prostituee als de onafhankelijke, mondige vrouw en zelf meer aanwezig te zijn in de media om dit discours te helpen versterken. Anderzijds kan een zelforganisatie van prostituees ook voldoen aan de problemen die journalisten ervaren om snel en efficiënt een woordvoerder/ster te kunnen interviewen. Het is voor journalisten immers niet altijd een eenvoudige taak om een prostituee te vinden die bereid is om haar anonimiteit op te geven en in een artikel, op radio of televisie te figureren.
Een zelforganisatie is natuurlijk niet de enige manier voor prostituees om een meer subjectgerichte identiteit te bewerkstellingen. Van der Poel verwijst in dit opzicht naar de symbolische functie van scholing voor elke beroepsgroep. Bovendien is ook de weg van zelforganisaties van prostituees een moeilijke weg, zoals de buitenlandse ervaringen meer dan voldoende hebben uitgewezen. Reeds bestaande organisaties zoals belangenbehartigers, zaakwaarnemers, hulpverleners of vakbonden kunnen echter hierbij een sleutelrol vervullen, zodat een onafhankelijke zelforganisatie op een grotere schaal dan het lokale kan ontstaan en blijven bestaan.
Op deze manier kan bijgedragen worden om, zoals Vanwesenbeek het stelde, meer de klemtoon te leggen op het subject-zijn en de kracht van prostituees, ook binnen de media. (Vanwesenbeek, 1994: 378)
Noten
1
In deze tekst wordt hoofdzakelijk verwezen naar prostituees en minder naar prostitues, omdat de analyse van het discours over prostitues slechts gedeeltelijk gelijkloopt met dat over prostituees.
2
Met dank aan de volgende studenten van het leeronderzoek 1996: Jeroen Aarts, Annick Aerts, Els Depauw, Ine Goris, Ann Kenis, Anne Poncin, Tracy Van Den Wyngaert, Elke Van Espen, Ann Van Gils, Jurgen Van Gorp, Ann Van Leemput, Florence Van Schependom en Kaat Wouters.
3
De intercodeur-betrouwbaarheid van deze analyse bedraagt 86.4.
Bibliografie
- Carpentier, Nico, Van Hove, Erik, e.a. (1997) Prostitutie in Antwerpen. Antwerpen: UIA.
- Coalition on Prostitution (1996) Coalition on Prostitution.
- Commercial Sex Information Service (1998) Rights groups.
- Commercial Sex Information Service (1998) The Sex Workers Alliance of Toronto.
- De Stoop, Chris (1993) Ze zijn zo lief, meneer: over vrouwenhandel, meisjesbaletten en de Bende van de Miljardair. Leuven: Kritak.
- English Collective of Prostitutes (1997) 'Campaigning for legal change', in G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.) Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. London and New York: Routledge.
- Fairclough, Norman (1992) Discourse and social change. Cambridge: Polity Press.
- Foucault, Michel (1984) De wil tot weten. Geschiedenis van de seksualiteit 1. Nijmegen: SUN.
- Gans, Herbert (1980) Deciding what's news: a study of CBS evening news, NBC nightly news, Newsweek and Time. New York: Vintage Books.
- Hall, Stuart, Critcher, Chas, Jefferson, Tony, Clarke, J., Roberts, B. (1978) Policing the crisis: mugging, the state, and law and order. London: MacMillan.
- Howarth, David (1998) 'Discourse theory and political analysis', in E. Scarbrough, Tanenbaum, Eric (ed.) Research strategies in the social sciences. Oxford: Oxford University Press.
- Iswface (1998) Welcome.
- Jennes, Valerie (1990) 'From sex as sin to sex as work: Coyote and the reorganisation of prostitution as a social problem', Social problems, 37(3): 403-420.
- Karskens, Machiel (1986) Waarheid als macht. Een onderzoek naar de filosofische ontwikkeling van Michel Foucault. Nijmegen: Stichting Te Elfder Ure.
- Laclau, Ernesto, Mouffe, Chantal (1985) Hegemony and socialist strategy: towards a radical democratic politics. London: Verso.
- Laclau, Ernesto (1988) 'Metaphor and social antagonisms', in C. Nelson, Grossberg, L. (ed.) Marxism and the interpretation of culture. Urbana: University of Illinois.
- Mak, Rudolf (1996) Hepatitis B vaccinatie bij prostituees. Gent: Rug.
- McQuail, Denis (1987/1994) Mass Communication Theory. An Introduction. London: Sage.
- Merquior, J.G. (1988) De filosofie van Michel Foucault. Utrecht: Het Spectrum.
- O'Neill, Maggie (1997) 'Prostitute women now', in G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.) Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. London and New York: Routledge.
- Overall, Christine (1992) 'What's wrong with prostitution? Evaluating sex work', Signs: journal of women in culture and society, 17(4): 705-724.
- Payoke (1997) 'Payoke - Asmodee in Antwerpen', in Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (ed.) Mensenhandel: nog steeds te veel laksheid en onderschilligheid. Evaluatierapport over de evolutie en de resultaten van de bestrijding van de internationale mensenhandel. Brussel: Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
- Prostitutes Collective of Victoria (1998) Prostitutes Collective of Victoria.
- Reanda, Laura (1991) 'Prostitution as a Human Rights Question: Problems and Prospects of United Nations Action', Human Rights Quarterly, 13: 202-228.
- Scambler, Graham (1997) 'Conspicuous and inconspicuous sex work. The neglect of the ordinary and mundane', in G. Scrambler, Scrambler, Annette (ed.) Rethinking prostitution. Purchasing sex in the 1990s. London and New York: Routledge.
- Sex Workers Alliance of Vancouver (1998) Sex Workers Alliance of Vancouver.
- Van Dijk, Teun (1988) News as discourse. Hillsdale, New Jersey: Lawrence Erlbaum Associates.
- Van Mens, Lucie (1992) Prostitutie in bedrijf. Organisatie, management en arbeidsverhoudingen in seksclubs en privé-huizen. Delft: Eburon.
- Van Zoonen, Liesbeth (1991) 'Moeten strijdende vrouwen zo grof zijn?' De vrouwenbeweging en de media. Amsterdam: SUA.
- Vandervorst, J. (1994) 'Prostitutie, alweer prostitutie', in CGSO (ed.) Jaarboek seksualiteit, relaties en geboorteregeling. Gent: CGSO.
- Vanwesenbeek, I. (1991) 'Sekswerk als professionele zorgarbeid, de straat en de club', Lover(1): 27-31.
- Vanwesenbeek, I. (1994) 'De subjektiviteit van het object. prostituees en autonomie', Tijdschrift voor vrouwenstudies(27): 366-378.
- Weitzer, Ronald (1991) 'Prostitutes' rights in the United States: The Failure of a Movement', The Sociological Quarterly, 32(1): 23-41.
|