|
Steven Eggermont
In het laatste decennium van deze eeuw hebben mediatechnologieën
ervoor gezorgd dat we, met you were there- en
bigger than life- kwaliteit, getuige kunnen zijn
van elke denkbare seksuele daad van anderen. Het Internet dankt zijn
succes aan talloze zinnenprikkelende websites, de cd-i is zo goed als
geflopt omdat de producent (Philips) niets met de porno-industrie te
maken wilde hebben, postorderbedrijven doen stiekem gouden zaken met
erotische gadgets, het grootste deel van de omzet in videotheken is
aan pornofilms toe te schrijven en in krantenwinkels knalt
het zalmkleurige vlees ervan af (Tom Wolfe in Het
Vreugdevuur der IJdelheden).
Maar, vreemd genoeg, bleef die erotiserende revolutie
onbesproken. Pas de Dutroux-affaire die in de zomer van 1996 in
België abrupt aan het licht kwam, heeft doen beseffen dat één
en ander wel eens kwalijke gevolgen zou kunnen hebben. Toen pas viel
het zalmkleurige vlees plots op en kwam een debat op gang. Het was in
de eerste plaats een ongenuanceerd debat gericht tegen pornografie.
Met de gruwelijke aanleiding nog vers in het geheugen werden markante
uitspraken opgetekend van bijvoorbeeld Louis Tobback (De
tijdgeest maakt het misbruiken van kinderen een beetje meer mogelijk.
Je hebt de seksshops bijvoorbeeld), Jan van Rompaey
(Misschien zijn er wel kijkers die porno kopen? Wat doen we
daaraan?) en Jan Maes van de ACW-studiedienst ( Het
wordt tijd dat (...) de vraatzuchtige kijker/koper of de stille
genieter van porno zijn medeverantwoordelijkheid onderkent.).
Koning Albert waarschuwde en Prins Filip vroeg een verbod.
Later is er op de hetze nooit meer een genuanceerd vervolg gekomen. Na
hevig geredetwist stierf de polemiek snel uit. Toch zijn pornografie
en seksueel geweld te belangrijk om niet het onderwerp te zijn van
een breed maatschappelijk debat. Hoe een samenleving pornografie
beoordeelt, geeft vaak aan hoe een samenleving liefde en seksualiteit
beoordeelt. In de meeste ons omringende landen is er geregeld
opschudding over hoe ver een en ander kan gaan, wordt nagedacht over
censuur en minimumleeftijden en wordt onderzoek verricht naar de
effecten. Bijdragen aan een echt maatschappelijk debat dat in
Vlaanderen eigenlijk nog aangevat moet worden, is daarom een eerste
motivatie voor dit artikel. Het is ten tweede en vooral een pleidooi
voor meer en beter wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijke
effecten van pornografie.
Ideologie en onderzoek
Pornografische media-inhouden zijn nogal onverwacht een onderwerp van
sociaal-wetenschappelijk onderzoek geworden, toen de Deense regering
in de tweede helft van de jaren 60 een aantal maatregelen nam
om pornografie uit de strafwet te halen. Vanwege dat verrassende
beleid en de daarop volgende exponentiële groei van de lokale
porno-industrie, werd Denemarken toen Pornomarken
genoemd. De plotselinge ommekeer en de internationale weerklank ervan
inspireerde Kutchinsky (1971) tot een intussen berucht geworden
artikel. Kutchinsky wilde uitsluitsel over verkrachting als een
gevolg van pornografie door het aantal verkrachtingen voor
en het aantal verkrachtingen na de liberalisering
te vergelijken. Op basis van Deense politiestatistieken stelde hij,
tot verbazing van velen, een spectaculaire daling vast (-60% tot
70%). Verkrachting kan dus geen gevolg zijn van pornografie, zo
luidde het, wel integendeel. De verklaring wordt gezocht in een soort
catharsistheorie: een cumulatie van seksuele spanningen leidt niet
langer tot negatieve fixaties, en dus niet langer tot seksuele
delicten, aangezien pornografie de seksuele spanningen op tijd
wegneemt. Pornografie geeft seksuele afwijkingen geen kans.
Met dit artikel introduceerde Kutchinsky het liberale standpunt in het
pornografie-onderzoek. En met de kritiek op het artikel ontstond de
conservatieve tegenreactie. Het debat tussen beide partijen
domineerde in de jaren zeventig het onderzoeksdomein. De verdediging
van de eigen opvattingen van de onderzoeker en zijn achterban vormde
echter het eerste doel van de studies. Wetenschappelijke conclusies
kwamen slechts op de tweede plaats (Eggermont, 1998). Het artikel van
Kutchinsky leverde met andere woorden vooral een aanzet voor een
levendige, maar weinig wetenschappelijke polemiek. Befaamd is
bijvoorbeeld de liberale conclusie van een Amerikaanse
regeringscommissie en de hevige reactie daarop. Op pagina 139 van het
negen volumes tellende commissierapport staat de veelbetekenende zin,
dat als men pornografie wil beschuldigen, dat niet zal kunnen
op basis van duidelijk aangetoonde schadelijke effecten. De
conservatieve en van pornografie afkerige President Nixon reageerde
woedend. Volgens hem zou dat impliceren dat grote boeken,
schilderijen of toneelstukken ook geen verrijkend effect hadden op
het menselijke gedrag. Eeuwen van beschaving en tien minuten gezond
verstand, aldus nog Nixon, leerden ons het tegendeel (Howitt, 1982:
109). Als het wetenschappelijke discours met andere woorden ontdaan
wordt van alle ideologische elementen en machtsargumenten, en als
enkel de puur wetenschappelijke argumenten overblijven,
blijkt men met het onderzoek in de jaren 70 niet tot sluitende
conclusies te zijn gekomen.
Dit werd er in de jaren tachtig niet beter op toen nog een derde partij zich in het debat
ging mengen. Bij uitstek de feministische anti-pornoactivisten die
dan her en der opduiken, vinden wetenschappelijk onderzoek immers een
legitiem instrument in de politieke strijd. De vaststelling dat het
pornografieonderzoek niet tot sluitende conclusies kan komen omdat de
ideologische invloeden zo sterk aanwezig zijn, lijkt vanaf 1980 nog
meer op te gaan. In zoverre zelfs dat het pornografieonderzoek nog
het best samengevat en kritisch besproken kan worden door te
vertrekken vanuit de drie ideologische basisopvattingen. Er bestaat
conservatief, feministisch en liberaal geïnspireerd onderzoek.
Conservatief geïnspireerd onderzoek
Opdat seksualiteit, aldus
conservatieve auteurs, dienstig zou blijven voor de samenleving en
niet aan maatschappelijke grondvesten zou raken, hoort seks beteugeld
te worden. Geslachtsdrift zou een aanzienlijk onheil kunnen betekenen
voor wezenlijke segmenten in de broze constructie van een
maatschappij. Vooral familiewaarden zijn erg onderhevig aan moreel
verval en tegelijkertijd vitaal voor het overeind blijven van
samenlevingsstructuren. De strijd om het behoud van het trouwhartige
gezinsverband als maatstaf (d.i. de monogame relatie) wordt daarom
hevig gevoerd. Pornografie is in deze conservatieve visie een
veruitwendiging van de zondige verzoeking. Het in pornografie
geleverde beeld van het geslachtsleven en de zonder partner ontstane
opwinding, vormen een bedreiging voor de monogamie. Bovendien
verspreidt pornografie de indruk dat de sociale omgeving een
ondergeschikte positie bekleedt in vergelijking met de individuele
genoegens. In pornografie wordt seksualiteit immers losgekoppeld van
een sociaal aanvaarde en duurzame vorm van gehechtheid. In
overeenstemming met de hegeliaanse moraalfilosofie, vinden
conservatieve auteurs de sociale omgeving nochtans belangrijk,
aangezien deze de partners dwingt tot aandacht voor de mogelijke
consequenties van hun seksuele omgang. Pornografie lijkt met andere
woorden een symptoom van een preoccupatie met seks die
volkomen los staat van het doel van seksualiteit (Naegels,
1990: 47). Dit wil zeggen dat uiteindelijk een essentialistische
visie op seksualiteit de conservatieve sociale bekommernis
inspireert. Seks bestaat pas echt in, en wordt pas legitiem door haar
procreatieve functie. Het gaat om een elementair functionalisme dat
niet zelden met een christelijk godsbeeld wordt beargumenteerd. De
theologische ontwikkeling van het (wellicht oubollig geachte) spreken
over zonde en verderf naar de (intrinsiek weinig verschillende)
functionalistische godsvisie, heeft dit mogelijk gemaakt. Deze
functionalistische godsvisie stelt menselijke praktijken voor als
ontworpen door God, met een nadrukkelijk doel voor ogen en waaraan
bijgevolg niet kan worden getornd.
Een groep onderzoekers,
die in feite geïnspireerd is door deze conservatieve,
functionalistische visie op seksualiteit, voert aan dat de
geslachtelijke spanning ten gevolge van pornografieconsumptie een
nefaste lacune vertoont, aangezien de opwinding niet is veroorzaakt
door een aanwezige partner. Masturbatie als middel om de opwinding
weg te nemen beklemtoont het ontbreken van een partner, zodat het
alternatief met dwang over een partner te kunnen beschikken
plausibeler wordt. Analoog aan deze argumentatie is de stelling dat
toeschouwers na het bekijken van seksuele expliciteit frustraties
ervaren. Een confrontatie met de reële wereld toont immers aan
hoe de sensualiteit, zoals pornografie die uitbeeldt, niet
daadwerkelijk voorkomt. Desnoods met geweld zo een zinnelijkheid
forceren wordt op die manier aannemelijker (Christensen, 1990; Nias,
1983).
Deze conservatieve
vooronderstelling dat pornografie frustraties opwekt en deze
frustraties op hun beurt seksueel geweld heeft men op twee
manieren willen toetsen. Zo is men er vanuit gegaan de hypothese te
kunnen staven, toen mannen geslachtelijke opwinding bleken te
vertonen bij het zien van gewelddadige pornografische scènes.
Het door andere onderzoekers herhalen van zulke experimenten gaf
echter aan dat de opwinding weliswaar wel werd vastgesteld, maar dat
deze vele malen minder intens was dan opwinding na het zien van
niet-agressieve pornografie. Bovendien bleken de oorspronkelijke
onderzoekers gewerkt te hebben met veroordeelde aanranders. Van een
werkelijkheidsgetrouw opzet kon met andere woorden geen sprake zijn.
De gewelddadige scène in kwestie was overigens een
verkrachtingsscène waarin het vrouwelijke slachtoffer in feite
geniet van de seksuele omgang. Het is dan ook nog maar de vraag of
men een dergelijke scène als gewelddadig mag beschouwen.
In een tweede poging om
de conservatieve vooronderstelling te bekrachtigen, ging men daarom
omgekeerd te werk. De onderzoekers wilden nu geen opwinding
vaststellen als gevolg van agressieve pornografie, maar
agressie vaststellen als een mogelijk gevolg van gangbare
pornografie. Om dit te kunnen doen, werd een bijzonder
onderzoeksopzet uitgedacht. Vooraleer het eigenlijke
experiment zogezegd begon, liet men de mannen die zouden deelnemen
aan het experiment immers lange tijd wachten in een klein zaaltje. De
deelnemers werden daarenboven geconfronteerd met een erg enerverende
secretaresse (in feite een onderzoekster) die er alles
aan deed de proefpersonen op stang te jagen. Dit zou volgens de
onderzoekers nodig zijn om het experiment mogelijk te maken. Als
mannen vooraf namelijk niet genoeg geïrriteerd zijn, zouden ze,
geremd door de omstandigheden, aan vreemde onderzoekers nooit enige
vorm van agressie laten blijken. En het eigenlijke experiment
draait net om het vaststellen van agressie. Vervolgens liet men de
mannen immers een pornografische film zien, en nadien moesten zij
aan de secretaresse die hen vóór het
experiment geïrriteerd had, elektrische shocks toedienen. De
uitkomst van het experiment gaf aan dat mannen die pornografie zagen
sterkere shocks durfden geven dan doorsnee mannen. Pornografie zou
kijkers dus agressief maken. Toen de proefneming nochtans werd
overgedaan door onderzoekers die minder ideologisch bevooroordeeld
waren, kwam men tot een ander besluit. De critici hadden, zoals het
hoort, met controlegroepen gewerkt, waardoor het duidelijk werd dat
de voorafgaandelijke irritatie de feitelijke aanleiding was voor de
vastgestelde agressie en niet de pornografie. Het omgekeerde is zelfs
waar; in sommige experimenten gedroegen de mannen die pornografie
gezien hadden zich net minder brutaal (cf. Eggermont, 1998).
Feministisch geïnspireerd onderzoek
Het feministische
discours bestaat uit een omvangrijk geheel van literatuur, die is
ingegeven door boosheid om de mannelijke verachting. Voor feministen
als Dworkin en Brownmiller, zien mannen vrouwen als steriele
werktuigen van genot. Vrouwen worden bejegend als een orgaan dat aan
de penis volmaakte wrijving en warmte verschaft (onmisbaar voor de
biologische voldoening) en aan zaad de geschikte opvang biedt
(noodzakelijk voor voortplanting). Vrouwen zijn niet meer dan
toevallig het bij de man meest nabije wezen en daardoor de eerste
prooi. We are pussy, beaver, bitch, chick, cunt - named
after parts of our bodies or after animals interchangeably(McKinnon,
1987: 199). Pornografie is tegelijk het bewijs en een belangrijke
oorzaak voor deze verachting.
Niet alle feministische
auteurs verklaren deze verachting echter vanuit een zelfde optiek. In
tegendeel, er bestaat een onderscheid tussen een essentialistische en
een sociologische visie. Het essentialistische feminisme acht de
verachting onveranderlijk vervat in de biologische kern van de man.
Roofzucht maakt deel uit van de mannelijke essentie en deze
territoriumdrang is zo blind als een mol, grijpt om zich
heen als een vuur, en gebiedt zonder logica, verzet zich tegen elke
redelijkheid, vervormt elke moraal en streeft naar niets dan
overleven (Andrey in Griffin, 1981: 105). Deze agressieve
en levensnoodzakelijke machtshonger van de man ondervindt de taaiste
weerstand van zijn vrouwelijke evenknie, hoewel net zij onontbeerlijk
is voor de voortplanting. De agressie uit zich daarom in gewelddadige
seksuele verlangens. De behoefte seksualiteit met geweld af te
dwingen is met andere woorden eigen aan de man. De biologische
binding van dit streven verklaart waarom seksueel geweld ook voorkomt
waar vrouwen in een samenlevingsverband welwillend instemmen met
seksuele omgang. De dwang is een wezenlijk kenmerk van de begeerte.
Slechts doordringen tot deze verlangens betekent doordringen tot in
de kern van de mannelijke natuur. Het zien van de vrouw in
pornografie als een geobjectiveerd wezen, zou deze instincten
losmaken.
De tweede variant van het
feministische verzet gaat uit van een maatschappelijke structuur. Op
basis van Foucaults theorie dat enkel een complex en vergankelijk
geheel van maatschappelijke relaties de heersende betekenis van een
begrip en tevens de toonaangevende appreciatie van sociale praktijken
vormt, verklaren feministen dat deze bepaling steeds maar weer
gebeurt door de mannelijke voorstelling van zaken, aangezien mannen
de maatschappelijke relaties overheersen. Hoe een vrouw vrouw moet
zijn, wordt door een overwegend mannelijke betekenisproductie
voorgeschreven en een belangrijke betekenis, uitdrukkingsvorm en
aanstoker van hoe mannen willen dat vrouwen zijn, vinden we in
pornografie, aldus dit feminisme. Pornografie stelt de vrouw voor als
willoos, promiscue, naakt, onderdanig en genietend van vernedering.
Deze totale voorstelling dringt in de maatschappij door als een
maatgevend paradigma van de vrouw. Vooral deze tweede visie heeft op
de feministische anti-pornobeweging doorgewogen. De hieruit afgeleide
theorie van de gemeenschapssocialisatie heeft aanleiding
gegeven tot wat op een complottheorie is gaan lijken. Met
gemeenschapssocialisatie wordt bedoeld dat allerhande praktijken en
betekenissen ertoe bijdragen dat opgroeiende jongens vrouwen als
promiscue en willoos gaan opvatten. Met pornografische afbeeldingen
legt een pornocratie opstandige vrouwen het zwijgen op door
ook het laatste wapen, hun seksualiteit, naar haar hand te zetten.
Dworkin heeft het over de gewoonte van vaders aan hun zonen
pornografie te bezorgen om jongens op die manier in die patriarchale,
vrouwenhatelijke traditie op te leiden (Russel, 1993).
De feministisch
geïnspireerde groep auteurs die agressie als een mogelijk effect
van pornografie onderzoekt, verwacht dus dat vrouwenhatelijke
gedragingen en attitudes uitgelokt worden door het stereotype beeld
dat van de vrouw in pornografie wordt opgehangen. Zo zou pornografie
een karikaturale indruk van vrouwelijke promiscuïteit
geloofwaardig maken. Een gebruiker van pornografie gaat een vrouw
overwegen, als een object dat attractiviteit combineert met continue
begeerte (Russel, 1993). Het doordringen van dit vrouwbeeld zou als
gevolg kunnen hebben dat mannen nog weinig affiniteit en begrip
opbrengen voor wat een vrouw bij seksueel geweld doormaakt (Kendrick,
1987), met als variant dat de aan een vrouw berokkende schade door
mannelijke pornokijkers wordt gebagatelliseerd. Ten derde staat een
man die op die manier is beïnvloed niets nog in de weg om te
verkrachten en wordt hij daarin openlijk door pornografie
aangemoedigd.
Een eerste manier om deze
vooronderstelling te testen, bestaat erin een survey uit te voeren
waarin bij mannen gepeild wordt hoe sterk hun verlangen zou zijn een
vrouw te verkrachten, mochten zij er zeker van kunnen zijn nooit
betrapt of ontmaskerd te worden. De resultaten van zulke studies
variëren tussen 25 tot 70 procent van de ondervraagde mannen die
minstens een licht verlangen naar aanranding te kennen geven.
Bovendien vertonen deze resultaten significante relaties met het
gebruik van pornografische tijdschriften als Playboy en
Penthouse. Het verlangen om te verkrachten zou mannen dus
bijgebracht worden door de onderliggende boodschap in pornografie.
Vanuit liberale hoek is echter de kritiek geuit dat op deze manier
enkel een houding wordt gemeten. De stap naar werkelijk gewelddadig
gedrag is mogelijk groot. Overtuigender is de methodologische kritiek
die het gebruikte meetinstrument bespreekt. De schaal is immers zo
opgesteld dat mannen enkel een (erg) hoog of een (erg) laag verlangen
naar verkrachting kunnen aanduiden. Een totaal afwezig verlangen
behoort niet tot de mogelijkheden. Een nulpunt is als het ware niet
voorzien, waardoor de conclusies serieus aan geloofwaardigheid
inboeten (Cf. Eggermont, 1998).
In een tweede soort
studies wordt de samenhang berekend tussen de verspreiding van
pornografisch materiaal en het aantal verkrachtingen. Zo heeft men
tussen de verkrachtingsstatistieken in de afzonderlijke Amerikaanse
deelstaten en de oplagen van Playboy in de afzonderlijke Amerikaanse
deelstaten een vrij sterk verband aangetroffen. De kwalijke invloed
van pornografie werd definitief bewezen geacht. Critici opperden
echter dat het evengoed om een schijnverband kan gaan: het is
mogelijk dat de relatie wegverklaard kan worden door een
achterliggende oorzaak die zowel het (hoge of lage)
verkrachtingscijfer én de (hoge of lage) oplage verklaart. In
dit verband wordt verwezen naar Japan, waar veel (zelfs gewelddadige)
pornografie in omloop is, maar waar heel weinig aanrandingen
voorkomen (Cf. Eggermont, 1998).
Om dergelijke kritiek
voortaan te vermijden hebben onderzoekers dan maar hun toevlucht
gezocht in experimentele studies. Het experiment van Dolf Zillmann en
Jennings Bryant (1982, licht aangepast overgedaan in 1984) is met
name bekend geraakt als solide bewijs voor het miskennen van
wat een vrouw doormaakt tijdens en na een verkrachting. Deze
mentaliteit werd geregistreerd door met pornografie geconfronteerde
proefpersonen als juryleden een straf te laten bepalen voor een
verkrachter (in een opgezette rechtszaak). Lichtere straffen zouden
op een lichtzinniger taxeren van de ernst van de feiten wijzen.
Tachtig mannen en evenveel vrouwen werden in drie groepen opgedeeld.
Aan een controlegroep werden gewone media-inhouden getoond, een
zogenaamde massive exposure-groep kreeg heel
wat pornografie te zien (4 uur en 48 minuten) en een derde
groep werd half om half voorzien van beide soorten stimuli. De
proefpersonen uit de groep die overstelpt was met pornografie
gaven weinige weken nadien inderdaad minder aanzienlijke straffen
dan beide andere groepen (ongeacht het geslacht). Hiermee werd
bepaald (1982: 10) dat, in de gecontroleerde situatie van een
experiment, massale blootstelling aan pornografie resulteerde in een
verlies aan medelijden tegenover vrouwen als slachtoffers van
verkrachting en tegenover vrouwen in het algemeen. The Los Angeles
Times blokletterde hierover dat testgroepen zich na 36 erotische
films toegeeflijker opstelden tegenover verkrachters. Een
moeilijkheid bij deze studie is echter de gebrekkige informatie die
de beoordelaar in het onderzoeksverslag wordt gegeven (Gross, 1983).
Het geloof in de coverstory (meewerken aan een esthetische
recensie van films), de aard van de seksueel-expliciete stimulus, of
in groep dan wel alleen werd gekeken en of er contact was met de
controlegroep in de tussenliggende weken, zijn vragen die
onbeantwoord blijven. Bezwaren zijn daarenboven bij het hele opzet
denkbaar. Wat moet men immers denken van een experiment waarin aan
studenten pornografische films worden getoond door professoren? De
reactie van Zillmann en Bryant (1983) op deze kritiek luidt dat
pornografie in een hedendaagse (Amerikaanse) maatschappij zodanig is
ingeburgerd dat niemand er nog van opkijkt wanneer een gezagspersoon
(b.v. een professor) pornografie beschouwt alsof het een alledaagse
media-inhoud is. Een suggestie die door beoordelaars werd betwijfeld.
Bovendien is het weinig realistisch het toedienen van vijf uur
seksueel-expliciet materiaal een massive exposure
te noemen. Wat ten slotte de gevolgtrekking zelf betreft, hoeft
volgens een studie van Malamuth et al. (1980) een hoge straf nog niet
te betekenen dat het aangedane leed ernstiger werd ingeschat. De
veronderstelde band tussen de strafbepaling en het meevoelen met
slachtoffers is met andere woorden niet evident. Op deze en andere
kritiek, zoals die scherp werd geformuleerd, reageerden Zillmann en
Bryant (1983) wrevelig. Zij hebben het over een attack by
insinuation en weigeren de objectief-wetenschappelijke
bedoelingen te aanvaarden. De vinnigheid van het debat wordt hier met
andere woorden duidelijk geïllustreerd (cf. Eggermont, 1998).
Liberaal geïnspireerd onderzoek
Feministen die de strijd
aangebonden hebben met pornografie, geloven doorgaans niet langer in
de verlossing van het mannelijke juk door een seksuele revolutie.
Integendeel, de seksuele revolutie wordt weleens als een complot
gezien, dat door mannen is ontworpen en uitgevoerd om de heerschappij
te verwerven over de vrouwelijke seksualiteit. Een eerste trend
binnen het liberalisme noemt deze feministische ontgoocheling in het
revolutionaire (conservatieven zeggen subversieve) vermogen van
seksualiteit onjuist. De freudiaanse grondslagen leren immers dat de
cruciale menselijke krachten in zijn of haar seksuele driften
schuilen. Deze vermogens zijn onderdrukt, aangezien repressie de
enige methode is om de conventionele maatschappelijke ordening te
verzekeren. De seksuele bevrijding zou een verademing en een
kentering zijn, waarin pornografie de rol van verlosser zou kunnen
spelen. Daarom mag pornografie niet worden verboden (Cf. Naegels,
1990).
Een tweede liberale
variant huldigt de persoonlijke vrijheid als postulaat van elke
filosofie. Geen begrenzing kan aan die vrijheid worden opgelegd,
tenzij de baten van de individuele onafhankelijkheid niet zouden
opwegen tegen de schade aan de maatschappij. De consumptie van
pornografie mag dan ook niets in de weg gelegd worden, aangezien
niets bewezen is over kwalijke effecten. Feministen repliceren dat
het liberalisme met deze visie eigenlijk enkel een bevrijding van
normen beoogt, ongeacht enig respect voor eventuele slachtoffers
hiervan. Voor liberale auteurs heeft het echter hoedanook geen zin
censuurnormen in te stellen, aangezien de gevoeligheden waarop
dergelijke normen worden gebaseerd te tijdsgebonden zouden zijn. In
de plaats daarvan bepleit men de norm van de vrije markteconomie. Het
zelfregulerende mechanisme duwt uit de markt wat onaanvaardbaar is,
omdat naar dergelijke pornografie geen vraag zou zijn (Linz &
Malamuth, 1993). Nog afgezien van een pleidooi voor morele ingrepen
in een vrije markt, dient echter opgemerkt te worden dat deze
onverantwoorde pornografie, vooraleer te verdwijnen wegens een te
bescheiden vraag (als dit al gebeurt), eerst in prijs zal stijgen.
(Mogelijk daarom is kinderpornografie namelijk exclusief en de moeite
waard om er kinderen voor te misbruiken).
Een groep liberaal
geïnspireerde auteurs verwijt feministische en conservatieve
auteurs wetenschappelijke publicaties als een pamflet te
beschouwen en tegenstrijdigheden met opzet te verwaarlozen (Fisher et
al., 1994). Methodologische moeilijkheden zouden genegeerd worden en
het bescheiden realisme van de experimentele situaties niet in vraag
gesteld. Christensen (1990) vindt de indicering van verkrachting door
het laten toedienen van shocks bijvoorbeeld naïef. Het gebrek
aan een context en het kort na elkaar tonen van fragmentarische
stimuli is weinig werkelijkheidsgetrouw (Thompson, 1994). Verder zou
de waargenomen agressie geen gevolg zijn van wat is gezien, maar
algemeen te verklaren zijn door elke fysiologische excitatie, net
zoals verhoogde agressie is geobserveerd na het zien van sitcoms.
Er zou met andere woorden sprake zijn van een onterechte attributie
van fysieke verschijnselen aan goedkeurende seksuele opwinding.
Anderzijds gaan de liberale bezwaren uit van de idee dat het niet
kunnen verwerpen van de nulhypothese een zelfstandig nieuw resultaat
is. Men acht de nulhypothese (b.v. na het zien van seksuele
expliciteit, geen hogere agressie) bevestigd, wat niet met de
gebruikelijke wetenschapsleer strookt (Zillmann & Bryant, 1987).
Liberale auteurs begrijpen ook het conservatieve functionalisme en de
bezorgdheid om promiscuïteit niet (Howitt, 1982). De hypothese
dat opwinding compulsief gedrag stimuleert, wordt geloochend
(Christensen, 1990). Een toeschouwer heeft bij pornografieconsumptie
namelijk net geslachtelijke opwinding ervaren en vraagt bijgevolg
niet onmiddellijk om een volgend moment van opwinding.
Andersom zouden positieve
effecten aangetoond zijn. Zo zou het aanreiken van informatie in
pornografie en het wegnemen van seksuele spanning jongeren behoeden
voor een negatieve fixatie die naar seksueel geweld zou leiden
(Dienstbier, 1976). Daarom is gebleken dat verkrachters minder
seksuele media-inhouden gebruikten (bovendien minder over
seksualiteit wisten en er moeilijker over praatten), maar er wel al
op een jongere leeftijd (6 - 10 jaar) mee werden geconfronteerd. Dit
is een leeftijd waarop men nog niet geschikt is voor de verwijdering
van seksuele spanning (Goldstein & Kant, 1973).
Besluit
Onderzoek van deze
laatste soort onderstreept het belang van deviantie. Verkrachters
zijn uitzonderlijk, waardoor naar pathologische verschijnselen moet
worden gezocht, veeleer dan naar gangbare effecten van pornografie.
De sociaal-wetenschappelijke optiek die gespecialiseerd is in het
meten van verschillen tussen mensen die een bepaalde invloed
ondergingen en diegenen die de invloed niet ondergingen, is niet
gewoon met dergelijke kleine groepen rekening te houden.
Sociaal-wetenschappelijk onderzoek is met resultaten over
uitzonderlijke gevallen van complexe pathologie zelden tevreden (Cf.
Eggermont, 1998).
De
belangrijkste conclusies zijn echter van wetenschapssociologische
aard. Het proberen vaststellen van effecten van pornografie op de
kijker is ten eerste uiterst moeilijk en vraagt een uitgekiende
methodologie. Ten tweede is zon vaststelling blijkbaar
onmogelijk als de onderzoeker vertrekt vanuit ideologische
vooronderstellingen en wil uitkomen bij de bevestiging van
ideologische vooronderstellingen. Dit is bij het pornografieonderzoek
totnogtoe in sterke mate het geval. Precies om die reden werd dit
artikel opgevat als een pleidooi voor meer en beter wetenschappelijk
onderzoek. Het wilde tegelijk gespreksstof aandragen voor een
maatschappelijk debat dat in Vlaanderen eigenlijk nog opgestart moet
worden.
Literatuurlijst
Christensen, F.M. (1990) 'Pornography: the Other Side', New
York: Praeger.
Commission on Obscenity and Pornography, The (1970) 'The Report of
the Commission on Obscenity and Pornography', New York: Bentham.
Dienstbier, R.A. (1976) 'Sex and Violence: Can Research Have It Both
Ways', in: Journal of Communication, 27(3).
Eggermont, S. (1998) Pornografie en verkrachting: oordeel of
analyse? Drie stromingen in het onderzoek naar de effecten van
pornografie in: Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 26(3):
204-219.
Fisher, R.E., Cook, I.J. & Shirkey, E.C. (1994) 'Correlates of
Support for Censorship of Sexual, Sexually Violent and Violent
media', in: Journal of Sex Research, 31(2): 229-240.
Goldstein, M.J. & Kant, H.S. (1973) 'Pornography and Sexual
Deviance', Berkeley: University of California Press.
Gross, L. (1983) 'Pornography and Social Science Research. Serious
Questions ...', in: Journal of Communication, 33: 107-111.
Howitt, D. (1982) 'Mass media and Social Problems',
International Series in Experimental Social Psychology, Pergamon
Press.
Kendrick, W. (1987) 'The Secret Museum: Pornography in Modern
Culture', New York: Viking-Penguin
Kutchinsky, B. (1971) 'Studies on Pornography and Sex Crimes in
Denmark', Kopenhagen, s.n.
Linz D. & Malamuth, N. (1993) 'Communication Concepts 5:
Pornography', London: Sage Publications.
Malamuth, N.M., Haber, S. & Feshbach, S. (1980) 'Testing
Hypothesis Regarding Rape: Exposure to Sexual Violence, Sex
Differences and the 'Normality' of Rapists', in: Journal of
Research in Personality, 14: 121-137.
Naegels, N. (1990) De pornografische film: een onderzoek naar
de hard-core film. Diss. Lic. Comm. K.U.Leuven
Nias, D.K.B. (1983) 'The Effects of Televised Sex and Pornography',
in: Howe, M.J.A. (ed.) 'Learning from Television: Psychological
and Educational Research', London: Academic Press.
Russel, D.E.H. (1993) 'Making Violence Sexy. Feminist Views on
Pornography', Buckingham: Open University Press.
Thompson, B. (1994) 'Soft Core. Moral Crusades against Pornography in
Britain and America' London: Cassell.
Zillmann & Bryant (1984) 'Effects of Massive Exposure to
Pornography', in: Malamuth, N. & Donnerstein, E. (Eds.)
'Pornography and Sexual Aggression', Orlando: London.
Zillmann, D. & Bryant, J. (1982) 'Pornography, sexual callousness
and the trivialization of rape', in: 'Journal of Communication',
32: 10-21
Zillmann, D. & Bryant, J. (1983) '... Higher moralities', in:
Journal of Communication', 33: 111-114.
Zillmann, D. & Bryant, J. (1987) 'Effects of Pornography: The
Debate Continues', in: Journal of Communication, 37(1):
186-188.
Deze lichtere straffen kwamen envenwel dichter in de buurt van de
daadwerkelijk uitgesproken straffen (Gross, 1983). Een geldige
kritiek is dit echter niet aangezien een experiment op de
vergelijking van groepen steunt en niet op een vergelijking met de
werkelijkheid.
|