|
Vincent Coessens
Alle
levende wezens planten zich op een of andere manier voort. Vaak
gebeurt die voortplanting ongeslachtelijk. Behalve voortplanting door
zaden, kunnen de meeste planten zich voortplanten door knollen,
uitlopers of wortelstokken. In de plantenkweek worden nakomelingen
veelal door stekken verkregen. Ook bij dieren komt generatiewissel
(het afwisselen van een geslachtelijke en ongeslachtelijke generatie)
en ongeslachtelijke voortplanting voor. Delen van een stukgesneden
worm vormen nieuwe individuen. Zoetwaterpoliepen vormen knoppen, die
uitgroeien tot jonge poliepen, die loslaten. Bij een ongeslachtelijke
voortplanting wordt het erfelijk materiaal van de ouders onveranderd
aan de volgende generatie doorgegeven. Een goede of gewenste
combinatie kan zo behouden blijven.
Een
populatie organismen die zich ongeslachtelijk voortplant, groeit ook
veel sneller (aantal individuen in de nde generatie = 2 tot de
macht 2n) dan een geslachtelijke organisme (aantal individuen in nde
generatie = 2**n). Dat is een gevolg van het feit dat bij zich
geslachtelijk voortplantende soorten enkel het vrouwelijk individu
nakomelingen kan produceren. Bovendien zijn er veel meer kosten
geassocieerd met de geslachtelijke voortplanting (vinden van een
partner, energie nodig voor vorming van geslachtscellen,
ziekteoverdracht, concurrentie
). Een erg grote kost als gevolg
van de geslachtelijke voortplanting is dat een individu slechts
gemiddeld de helft van zijn genen naar de volgende generatie
overbrengt op seksuele wijze. De andere helft is immers van de
partner ! Men kan zich terecht afvragen hoe de seksuele
reproductie ontstaan is, daar ze zoveel complexer en kostenrijker is
dan de ongeslachtelijke wijze van voortplanten.
Bij
organismen die zich geslachtelijk voortplanten, worden zaadcellen en
eicellen gevormd. Bij deze vorming krijgt elke zaadcel de helft van
het erfelijk materiaal van de vader en elke eicel de helft van het
erfelijk materiaal van de moeder (een normale niet-geslachtscel bevat
een dubbele hoeveelheid erfelijk materiaal, men spreekt van homologe
chromosomen). Het proces waarbij de normale hoeveelheid erfelijk
materiaal gehalveerd wordt, de reductiedeling, beschikt over een
mechanisme dat ervoor zorgt dat de geslachtscellen verschillend zijn
(van verschillende samenstelling). Bij de bevruchting worden
mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen verenigd, zodat cellen
ontstaan met een nieuwe combinatie (dubbele set) erfelijk materiaal.
Het resultaat is een uniek individu met andere kenmerken dan de
ouders. Deze nieuwe kenmerken zullen gunstig of ongunstig zijn
naargelang de omgevingsfactoren.
Een
voorbeeld : net zoals de leefruimte in de natuur, is het aantal
arbeidsplaatsen beperkt. In een informatiemaatschappij is de nood aan
informatici hoog (er is veel ruimte voor programmeurs).
Stel nu dat de kenmerken die een goed informaticus moet bezitten
erfelijk zijn vastgelegd. In de wereld van vandaag zouden ze baat
hebben bij een ongeslachtelijke voortplanting ; de populatie
groeit snel aan en hun kenmerken worden onveranderd doorgegeven,
zodat snel vele generaties identieke freaks elkaar zullen opvolgen en
de arbeidsplaatsen opvullen. Een informatici-populatie die zich
ongeslachtelijk zou kunnen voortplanten, zou veel succes hebben in de
heersende omstandigheden (zij hebben een hoge Fitness).
Ze hoeven geen energie te steken in het veroveren van een partner en
kunnen zich volledig overgeven aan het zogenaamde bitneuken
en in twee splitsen.
De
millenniumbom slaat echter ongenadig toe, een wereldwijde economische
crisis is het gevolg en het volk revolteert zich en vernietigt alle
computers op aarde. De ongeslachtelijke informaticus verliest zijn
broodwinning en beschikt niet over de kenmerken om te overleven. Zijn
geslachtelijke lotgenoot echter heeft echter meer geluk. Door recombinatie van het erfelijk materiaal
is door toeval een goede jager ontstaan, een profiel dat een hoge
fitness heeft in het volgende millennium.
De
neo-darwinistische evolutietheorie stelt dat de
voortplantingscapaciteit van soorten veel groter is dan nodig om de
ouders te vervangen. De leefruimte is echter beperkt en bovendien zit
de omgeving vol concurrenten en predatoren, zodat er onvermijdelijk
vele moeten afvallen. Wanneer men aanneemt dat de kenmerken die men
nodig heeft om te overleven en zich succesvol voort te planten,
genetisch zijn vastgelegd, dan wint diegene die erin slaagt zoveel
mogelijk van zijn eigen erfelijk materiaal in de volgende generatie
te krijgen, de strijd om het bestaan.
Waar
de leefomstandigheden niet sterk veranderen, vormt ongeslachtelijke
voortplanting geen probleem en kunnen vele generaties identieke
individuen elkaar opvolgen.
Seksuele
reproductie geeft aanleiding tot een onbeperkt gecombineerde set
kenmerken, waarvan enkele in een veranderd milieu misschien een
hogere fitness zullen hebben.
Er
zijn nog ander hypotheses die het ontstaan van seksuele reproductie
verklaren. Zo kan de geslachtelijke voortplanting gezien worden als
een antwoord op de aanvallen van ongeslachtelijke parasieten en
ziekten. De aseksuele ziekteverwekkers hebben een korte generatietijd
en kunnen zich perfect aanpassen aan de kenmerken van hun gastheer.
De gastheer die zich seksueel voortplant, zal nageslacht produceren
met verschillende kenmerken, zodat de parasiet die zeer goed leeft op
de ouder, dat niet noodzakelijk meer kan op nakomelingen.
In
de loop van de evolutie zijn twee totaal verschillende types
geslachtscellen ontstaan die we de zaadcellen en eicellen noemen (om
bij elkaar te kunnen komen) en reservestoffen bevatten (om de
nakomelingen groot te brengen). Eén enkel type zou nooit aan
beide eisen kunnen voldoen. Er is selectie opgetreden naar enerzijds
beweeglijke « mannelijke » zaadcellen en
anderzijds quasi onbeweeglijke « vrouwelijke »
eicellen, volgestouwd met reservestoffen.
Na
het ontstaan van de geslachtscellen zijn de twee geslachten zich
verder gaan ontwikkelen en specialiseren. We spreken nu over
mannelijke en vrouwelijke individuen.
In
de natuurlijke selectie speelt seksuele selectie een grote rol
(Darwin, 1871). Seksuele selectie betreft de kenmerken die de toegang
(in ruime zin) tot de partner(s) bepalen. Deze kenmerken kunnen
nadelig zijn voor het overleven, maar toch een voordeel opleveren
omdat het bezit ervan een grote invloed heeft op het reproductief
succes (mannelijke pauwen met een grote staart imponeren de vrouwtjes
en leiden tot meer kans op paren. Deze grote staart is ook nadelig
(trekt vijanden aan) maar dit nadeel wordt niet weggeselecteerd
omwille van het voordeel in seksuele selectie). Merk op dat het er in
de selectiestrijd niet enkel op aan komt lang te overleven, maar wel
om veel en succesvol nageslacht op de wereld te zetten. Lang leven is
slechts één mogelijkheid om dit doel te bereiken.
De rol van het mannetje
De
mannelijke individuen moeten de vrouwelijke individuen imponeren.
Hiervoor beschikken ze vaak over een opvallend kleurenpatroon op hun
lichaam of speciaal voor het imponeren ontworpen aanhangsels. Men kan
zich de vraag stellen waarom nu de vrouwtjes vallen voor
een grote staart of een vlekje op de bek. Een antwoord zou kunnen
zijn dat de dochters van een vrouwtje dat zich door deze kenmerken
heeft laten verleiden, ook een (erfelijk bepaalde) voorkeur voor dit
kenmerk zullen hebben en weerom als partner diegene uitkiezen die dit
kenmerk vertoont.
Andere
dieren moeten dan weer hun mannelijkheid bewijzen door
gevechten met andere mannetjes. Het opvallend kleurenpatroon of de
versieringen aan hun mannelijk lichaam houden ook gevaren in ;
ze vallen meer op bij vijanden of worden gehinderd in hun
bewegingsvrijheid. Bij de gevechten vallen er gewonden en soms doden.
De grote investering die het mannetje moet doen
voorafgaand aan de paring, worden goedgemaakt door het feit dat
mannetjes minder investeren in de paring en het grootbrengen van de
nakomelingen dan het vrouwtje. Bij polygame soorten gaan de mannetjes
na de paring op zoek naar een volgend vrouwtje. Op deze wijze
(kwantiteit) verhogen ze de kans dat hun genen naar een volgende
generatie overgebracht worden. De monogame mannetjes beschermen (of
bewaken !) hun vrouwtje en nemen soms een deel van de opvoeding
op zich. Op deze manier trachten ook de monogame mannetjes hun genen
in hun nageslacht veilig te stellen, door ervoor te zorgen dat hun
kinderen door goede zorg veel kans op overleven hebben (kwaliteit).
De rol van het vrouwtje
Een
vrouwtje steekt veel energie in de gevolgen van een paring, de
broedzorg en de opvoeding. Het aantal nakomelingen dat
een vrouwtje kan voortbrengen, is vaak ook beperkt. Ze heeft er dus
alle belang bij een goed mannetje te kiezen en baseert
zich hiervoor op de kenmerken die ze belangrijk acht. Goed
betekent hier uiteraard weer : bezit kenmerken tot het
voortbrengen van een succesvol geslachtsrijp nageslacht. Polygame
soorten verwachten goed zaad waaruit sterke jongen zullen
voortkomen. Bij monogame soorten dient het mannetje ook toegewijd
te zijn, daar het vrouwtje vaak niet in staat is zichzelf en haar
jongen alleen te voeden en te verdedigen. Vrouwtjes hebben van hun
kant dan ook allerlei listen bedacht om het mannetje
gedurende die tijd bij zich te houden.
Er
wordt beweerd dat bij de redelijk monogaam levende mens
verliefdheid zon list is ; een verliefde man
zal geneigd zijn in de buurt van zijn bevruchte vrouw te blijven en
haar te beschermen tijdens de zwangerschap. Ook na de geboorte blijft
de man rondhangen in plaats van elders zijn geluk te gaan
beproeven. Op die wijze verzekeren beide partners er zich van dat de
nakomeling in leven blijft. In de tijd van de primitieve mens was een
kind van zon vier jaar zelfstandig genoeg om te kunnen
overleven (en dus op te groeien tot geslachtsrijpe leeftijd) zonder
de hulp van de vader. Dat wij mensen, na een vierjarige relatie onze
verliefdheid kwijt zijn, zou hiervan een evolutief gevolg zijn.
Merk
op dat de bovenstaande geschetste rollen voor beide partners andere
zorgen met zich meebrengen. Een mannetje die energie steekt in de
opvoeding van nakomelingen, wil zekerheid dat het wel
degelijk ZIJN kinderen zijn, die hij grootbrengt. De bekommernis van
het vrouwtje is dan weer de verzekering dat het mannetje steeds naar
haar zal terugkeren en haar zal bijstaan bij het grootbrengen van
haar (en dus niet noodzakelijk ZIJN !) jongen.
Het
fenomeen jaloezie zou bij mensen voor beide geslachten
dan ook fundamenteel verschillen. Een man zal geen bezwaar hebben als
zijn vrouwelijke partner met mannelijke vrienden uitgaat,
samen dineert of een andere emotionele band heeft met andere mannen.
Zolang andere mannen er maar geen zaad in lozen.
Vrouwen
daarentegen moeten het vooral van deze emotionele band hebben. Dat de
man die haar bevruchtte ook met andere vrouwen naar bed gaat, is
weliswaar niet aangenaam om te weten, maar belangrijker voor haar is
te weten dat zij de sterkste band heeft en dat de man steeds naar
haar zal terugkeren.
Ook
de jaloezie is ergens in de evolutie ontstaan en
geëvolueerd, en dit wellicht als antwoord tegen al te losbandige
ontrouw.
In
onze maatschappij zijn mensen meestal monogaam. Polygamie
(harems) komt echter in veel culturen voor en een scheve
schaats rijden bijna overal.
Het
vreemd gaan van de doorgaans monogame man is in dit kader
gemakkelijk te begrijpen ; bij zijn officiële partner
blijft hij het grootste deel van de tijd en werkt er samen met zijn
vrouw aan het zorgzaam grootbrengen van zijn kind. Vrouwlief heeft er
immers voor gezorgd dat de man steeds zal terugkeren. De man kan
echter, middels een kleine investering (beperkt tot het lozen van wat
zaad in een andere vrouw) zijn kansen verhogen door zijn genen in de
volgende generatie te krijgen. Zijn erfelijk materiaal wordt
bovendien met een andere partner gemixt en leidt tot
andere combinaties. Dit onecht (vaderloos) kind heeft weliswaar
minder kans op overleven dan zijn collega uit het perfecte
oudergezin, maar de investering van de vader is zo klein, dat het
best het proberen waard is.
Vrouwen
hebben dan weer een ander evolutief motief om even ontrouw te zijn.
Stel dat ze een aantrekkelijke man op het oog hebben, maar deze niet
kunnen krijgen (aantrekkelijk betekent hier weer :
waarvan ze vermoeden dat hij nageslacht zal voortbrengen dat in de
wereld van morgen succesvol zal zijn). De man kan ofwel geen
interesse hebben in een blijvende relatie (investeren in de opvoeding
van een kind), maar een one night stand, dat kan er nog net af. Een
andere reden zou kunnen zijn dat de man in kwestie niet bekend staat
als erg toegewijd aan zijn veroveringen. Toch beschikt de man over
andere kenmerken die tot een succesvol nageslacht kunnen leiden
(bijvoorbeeld : fysiek sterk of intelligent). Een snelle wip met
deze man en dan weer terug naar de toegewijde partner en ze slaan
twee vliegen in één klap : sterke genen
van hun minnaar, mede grootgebracht door hun officiële partner
die uiteraard in de illusie verkeert dat het zijn kind betreft.
Sociologisch
geïnspireerde lezers zullen wellicht de wenkbrauwen fronsen of
in lachen uitbarsten bij het lezen van bovenstaand paragraaf waarin
voorbeelden uit de menselijke geslachtelijke voortplanting werden
aangehaald en opperen dat het in de gemeenschap van
vandaag voor vrouwen perfect mogelijk is zonder een man nageslacht
groot te brengen (en tegenwoordig hebben ze zelfs geen man meer nodig
om bevrucht te worden). Ik zal dit niet betwisten. Maar kan in onze
(maximaal) vijfduizend jaar oude beschaving
honderdduizend jaar evolutie uitgeveegd worden ? We blijven
vandaag nog het slachtoffer van die ene cel (of waren het er
meerdere ?) die ooit op het toen geweldig idee kwam het eens op
geslachtelijke wijze te proberen. Ze moest eens weten
|